Geschiedenis van dit besluit:

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Bekendmaking regeling Bekendmaking inwerkingtreding
01-01-2011   Intrekking Stb. 2010, 869 Stb. 2010, 869
01-07-2010   Wijziging Stcrt. 2010, 9818 Stcrt. 2010, 9818
01-01-2010   Wijziging Stcrt. 2009, 19781 Stcrt. 2009, 19781
  Wijziging Stb. 2009, 587 Stb. 2009, 581
  Wijziging Stb. 2009, 595 Stb. 2009, 595
01-12-2009   Wijziging Stb. 2009, 462 Stb. 2008, 341
01-07-2009   Wijziging Stcrt. 2009, 117 Stcrt. 2009, 117
01-01-2009   Wijziging Stcrt. 2008, 253
(= 2733)
Stcrt. 2008, 253
(= 2733)
01-07-2008   Wijziging Stcrt. 2008, 117 Stcrt. 2008, 117
01-04-2008   Wijziging Stb. 2008, 71 Stb. 2008, 71
01-01-2008   Wijziging Stcrt. 2007, 249 Stcrt. 2007, 249
  Wijziging Stb. 2007, 526 Stb. 2007, 526
01-07-2007   Wijziging Stcrt. 2007, 120 Stcrt. 2007, 120
01-01-2007   Wijziging Stcrt. 2006, 250 Stcrt. 2006, 250
01-07-2006   Wijziging Stcrt. 2006, 125 Stcrt. 2006, 125
21-06-2006 01-01-2006 Wijziging Stb. 2006, 277 Stb. 2006, 277
01-01-2006   Wijziging Stcrt. 2005, 249 Stcrt. 2005, 249
  Wijziging Stb. 2005, 690 Stb. 2005, 690
  Wijziging Stb. 2005, 628 Stb. 2005, 628
29-12-2005   Wijziging Stb. 2005, 620 Stb. 2005, 620
01-01-2005   Wijziging Stb. 2004, 738 Stb. 2004, 738
  Wijziging Stcrt. 2004, 249 Stcrt. 2004, 249
26-12-2004 01-01-2004
art. 7
Wijziging Stcrt. 2004, 249 Stcrt. 2004, 249
01-07-2004   Wijziging Stcrt. 2004, 123 Stcrt. 2004, 123
01-04-2004   Wijziging Stcrt. 2004, 62 Stcrt. 2004, 62
01-01-2004   Wijziging Stcrt. 2003, 246 Stcrt. 2003, 246
  Wijziging Stb. 2003, 509 Stb. 2003, 509
  Wijziging Stb. 2003, 388 Stb. 2003, 388
01-07-2003   Wijziging Stcrt. 2003, 119 Stcrt. 2003, 119
01-04-2003   Wijziging Stcrt. 2003, 56 Stcrt. 2003, 56
01-01-2003   Wijziging Stcrt. 2002, 241 Stcrt. 2002, 241
06-07-2002 01-07-2002 Wijziging Stcrt. 2002, 125 Stcrt. 2002, 125
03-07-2002   Wijziging Stb. 2002, 341 Stb. 2002, 341
01-01-2002   Wijziging Stcrt. 2001, 243 Stcrt. 2001, 243
01-01-2001   Wijziging Stb. 2000, 622 Stb. 2000, 622
01-09-2000   Wijziging Stb. 2000, 329 Stb. 2000, 329
01-07-1999   Wijziging Stcrt. 1999, 122 Stcrt. 1999, 122
12-05-1999 01-01-1999 Wijziging Stb. 1999, 199 Stb. 1999, 199
01-01-1999   Wijziging Stcrt. 1998, 242 Stcrt. 1998, 242
01-10-1998   Wijziging Stb. 1998, 523 Stb. 1998, 544
10-07-1998 01-07-1998 Wijziging Stcrt. 1998, 126 Stcrt. 1998, 126
01-04-1998   Wijziging Stcrt. 1998, 60 Stcrt. 1998, 60
01-01-1998   Wijziging Stb. 1997, 796 Stb. 1997, 796
  Wijziging Stb. 1997, 761 Stb. 1997, 805
01-01-1998   Wijziging Stcrt. 1997, 244 Stcrt. 1997, 244
01-10-1997   Wijziging Stb. 1997, 387 Stb. 1997, 194
17-09-1997   Wijziging Stb. 1997, 387 Stb. 1997, 387
01-07-1997   Wijziging Stcrt. 1997, 119 Stcrt. 1997, 119
01-01-1997   Wijziging Stcrt. 1996, 247 Stcrt. 1996, 247
16-08-1996 01-07-1996 Wijziging Stb. 1996, 418 Stb. 1996, 418
01-07-1996   Wijziging Stcrt. 1996, 121 Stcrt. 1996, 121
01-03-1996   Wijziging Stcrt. 1996, 42 Stcrt. 1996, 42
01-02-1996 01-01-1996 Wijziging Stcrt. 1996, 22 Stcrt. 1996, 22
01-01-1996 09-05-1994
art. 7:2g
01-09-1990
art. 7:2f
Wijziging Stb. 1995, 655 Stb. 1995, 655
  Wijziging Stb. 1995, 496 Stb. 1995, 496
01-01-1995   Wijziging Stcrt. 1994, 252 Stcrt. 1994, 252
01-10-1994   Wijziging Stcrt. 1994, 180 Stcrt. 1994, 180
  Wijziging Stb. 1993, 682 Stb. 1994, 476
28-06-1991 01-01-1990 Wijziging Stb. 1991, 319 Stb. 1991, 319
04-05-1990 01-01-1990 Wijziging Stb. 1990, 145 Stb. 1990, 145
01-01-1990   Wijziging Stb. 1991, 319 Stb. 1991, 319
  Wijziging Stb. 1990, 145 Stb. 1990, 145
  Wijziging Stb. 1989, 575 Stb. 1989, 575
20-08-1988 01-01-1987 Wijziging Stb. 1988, 367 Stb. 1988, 367
01-01-1987   Wijziging Stb. 1988, 367 Stb. 1988, 367
  Nieuwe regeling Stb. 1986, 658 Stb. 1986, 658

 

 

BESLUIT van 24 december 1986, houdende regels met betrekking tot het inkomen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Inkomensbesluit Ioaw)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 6 november 1986, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, nr. SZ/SV/VV/SVV/86/09223;
     Gelet op artikel 7, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Stb. 1986, 565);
     De Raad van State gehoord (advies van 15 december 1986, nr. W12.86.0590);
     Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 december 1986, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, nr. SZ/SV/VV/SVV/86/10863;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

§ 1.  Algemeen

 

Art. 1.
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
b. een stamrecht: een recht op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon.

 

 

§ 2.  Inkomensbestanddelen

 

§ 2.1.  Inkomen uit arbeid

 

Art. 2.
Voor de toepassing van de wet wordt onder inkomen uit arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven verstaan:
a. opbrengst van arbeid;
b. winst uit bedrijf en zelfstandig uitgeoefend beroep.

 

Art. 3.
-1. Onder opbrengst van arbeid als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt, voor zover bedoelde arbeid door een werknemer in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen wordt verricht, verstaan het loon in de zin van die wet.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt niet als opbrengst van arbeid beschouwd:
a. een aanspraak om na verloop van tijd of onder een voorwaarde één of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen, voor zover deze niet wordt gedekt door stortingen van de werknemer;
b. een uitkering op grond van de verplichte verzekering van de Werkloosheidswet (Stb. 1986, 566), de Ziektewet (Stb. 1967, 473), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb. 1977, 492), de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en een uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg aan de werknemer of gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van die wet, al dan niet vermeerderd met een toeslag op grond van de Toeslagenwet (Stb. 1986, 562);
c. een aanvulling op de in onderdeel b genoemde uitkeringen;
d. opbrengst van arbeid gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden tot 25 procent van deze opbrengst, met een maximum van €|291,04 per maand, voor zover een uitkering wordt ontvangen en dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.

 

Art. 4.
-1. Onder opbrengst van arbeid als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, worden, voor zover bedoelde arbeid wordt verricht in dienstbetrekking doch niet door een werknemer in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen, verstaan de gelden en alle andere voordelen welke als beloning voor die arbeid worden genoten.
-2. Ten aanzien van de gelden en alle andere voordelen uit de dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, is het bepaalde bij of krachtens artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen van overeenkomstige toepassing.
-3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid wordt niet als opbrengst van arbeid beschouwd een uitkering wegens derving van looninkomen.

 

Art. 5.
-1. Onder opbrengst van arbeid als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt, voor zover bedoelde arbeid niet in dienstbetrekking wordt verricht, verstaan het belastbaar loon uit tegenwoordige arbeid of belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in hoofdstuk 3 en 7 van de Wet inkomstenbelasting 2001, behoudens voor zover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdeel a en b, en 3.92 van die wet.
-2. Het bepaalde bij of krachtens artikel 13 van de Wet op de loonbelasting 1964 is met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 5a. Vervallen.

 

Art. 6.
-1. Onder winst als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt verstaan de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek, bedoeld in paragraaf 3.2.4 van die wet, en de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in paragraaf 3.2.5 van die wet, met dien verstande dat de bestanddelen van de winst, bedoeld in artikel 3.78, derde lid, onderdeel a, b en c, van die wet, niet geacht worden te behoren tot die winst.
-2. Indien de berekening van de in het eerste lid bedoelde winst leidt tot een negatief bedrag, wordt die winst op nihil gesteld.

 

 

§ 2.2.  Inkomen in verband met arbeid

 

Art. 7.
-1. Voor de toepassing van de wet wordt onder inkomen in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven verstaan:
a. een uitkering of inkomensvoorziening op grond van de verplichte verzekering van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen of een uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg aan de werknemer of gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van die wet, of aan de zelfstandige of beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 3:17 van die wet;
b. een uitkering op grond van een particuliere verzekering wegens derving van inkomen welke ten behoeve van de werknemer in het kader van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst is afgesloten;
c. een uitkering op grond van een pensioenregeling, voor zover niet begrepen onder a;
d. een uitkering op grond van een buitenlandse wettelijke socialeverzekeringsregeling, voor zover niet begrepen onder a, met uitzondering van een uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering op grond van de Algemene Kinderbijslagwet of met zorg waarop aanspraak bestaat ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet of op grond van artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
e. een uitkering op grond van een regeling voor vervroegde uittreding of een regeling die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;
f. een uitkering op grond van een regeling voor functioneel leeftijdsontslag;
g. loon dat uit vroegere dienstbetrekking wordt genoten, voor zover niet begrepen onder a, b, c, d, e of f;
h. een toeslag op grond van de Toeslagenwet;
i. een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet;
j. een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (Stb. 1985, 181);
k. een basisbeurs en een aanvullende beurs op grond van de Wet studiefinanciering 2000, alsmede een beurs die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;
l. een bedrijfsbeëindigingsvergoeding van de dooreen bedrijfsbeëindigingsvergoeding van de door Onze Minister van Economische Zaken opgerichte Stichting ontwikkeling en sanering midden- en kleinbedrijf; en
m. een maandelijkse bedrijfsbeëindigingsvergoeding van de door Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij opgerichte Stichting ontwikkelings- en saneringsfonds voor de landbouw.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen in verband met arbeid beschouwd:
a. een aanspraak om na verloop van tijd onder een voorwaarde één of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen, voor zover deze niet wordt gedekt door stortingen van degene die het desbetreffende inkomen geniet;
b. een eenmalige uitkering welke na beëindiging van de dienstbetrekking aan een werknemer in verband met die beëindiging wordt betaald;
c. 81% van het bedrag waarmee de arbeidsongeschiktheidsuitkering of inkomensvoorziening is verhoogd met toepassing van artikel 10 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, artikel 2:51 of 3:9 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, artikel 22 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 53 of 63 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of een combinatie van deze artikelen;
d. een uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering op grond van een wettelijke vrijwillige verzekering of een particuliere verzekering tegen loonderving, toegekend aan een directeur-grootaandeelhouder die niet als werknemer in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen wordt beschouwd;
e. een uitkering in verband met geleden immateriële schade, voor zover dit gelet op de aard en de hoogte van de uitkering verantwoord is;
f. een eenmalige premie die door burgemeester en wethouders kan worden toegekend in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling van ten hoogste €|2239,00 per kalenderjaar;
g. een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste €|95,00 per maand met een maximum van €|764,00 per jaar, dan wel een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand van ten hoogste €|150,00 per maand met een maximum van €|1500,00 per jaar;
h. periodieke uitkeringen uit hoofde van een stamrecht, dat is verkregen uit een eenmalige uitkering welke na beëindiging van de dienstbetrekking aan de werknemer in verband met die beëindiging is toegekend, mits de werknemer aantoont dat de eenmalige uitkering door de werkgever betaalbaar is gesteld om naar eigen inzicht van de werknemer te besteden.
-3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, wordt onder pensioenregeling verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan voor de toepassing van de Wet op de loonbelasting 1964.
-4. Onze Minister wijzigt de bedragen, genoemd in het tweede lid, onderdeel h en i,¹ met ingang van een door hem te bepalen dag, voor zover de ontwikkeling van de in artikel 31, tweede lid, onderdeel j en k, van de Wet werk en bijstand genoemde bedragen daartoe aanleiding geeft.
-5. Onze Minister wijzigt het bedrag, genoemd in artikel 3, tweede lid, onderdeel d,² met ingang van een door hem te bepalen dag, voor zover de ontwikkeling van het in artikel 31, tweede lid, onderdeel o, van de Wet werk en bijstand genoemde bedrag daartoe aanleiding geeft.

1. Volgens de redactie dient "onderdeel h en i" te worden vervangen door: onderdeel g.
2. Volgens de redactie dient "onderdeel d" te worden vervangen door: onderdeel f.

 

 

§ 3.  Bepaling van het inkomen

 

Art. 8.
-1. Het inkomen uit of in verband met arbeid wordt in de maand waarover aanspraak op uitkering wordt gemaakt, vastgesteld op het bedrag dat de werkloze werknemer en de echtgenoot over die maand verwerven of redelijkerwijs geacht kunnen worden te verwerven.
-2. Indien op grond van artikel 21, tweede lid, van de wet de uitkering over een kortere periode dan één maand wordt uitbetaald, worden het inkomen en de uitkering eerst per maand vastgesteld, waarna de uitkering over een kortere periode naar evenredigheid wordt vastgesteld.
-3. Indien aannemelijk is dat een inkomensbestanddeel geen juiste maatstaf biedt voor de bepaling van het in het eerste lid bedoelde inkomen, wordt dat bestanddeel per maand vastgesteld op 1/3 onderscheidenlijk 1/12 van het bedrag dat over drie maanden onderscheidenlijk één jaar is verworven.
-4. Indien winst als bedoeld in artikel 6, eerste lid, wordt genoten, wordt het daaruit voortvloeiende inkomensbestanddeel per maand vastgesteld op 1/12 van de winst genoten over het kalenderjaar of het niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar voorafgaand aan de maand waarover aanspraak op uitkering wordt gemaakt.
-5. Indien de toepassing van het eerste tot en met vierde lid, gelet op het tijdstip van verwerving van een inkomensbestanddeel, tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt, bepalen burgemeester en wethouders op welke periode dat inkomensbestanddeel geacht moet worden betrekking te hebben en hoe dit geacht moet worden over deze periode te zijn verdeeld.

 

 

§ 4.  Slotbepalingen

 

Art. 9.
In afwijking van artikel 3, eerste lid, en artikel 7, eerste lid, wordt de eenmalige uitkering op grond van artikel XV van de Wet premieheffing over uitkeringen (Stb. 1986, 639) niet als opbrengst van arbeid onderscheidenlijk als inkomen in verband met arbeid beschouwd.

 

Art. 9a.
In het eerste jaar waarop de Wet werk en bijstand betrekking heeft, blijft artikel 3, tweede lid, onderdeel d en e, van toepassing op de belanghebbende ten aanzien van wie op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand op grond van artikel 3, tweede lid, onderdeel d of e, een bedrag niet als opbrengst van arbeid werd beschouwd, met dien verstande dat dat bedrag wordt vermenigvuldigd met:
a. 1, in de eerste tot en met de derde maand na de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand;
b. 0,75, in de vierde tot en met de zesde maand na de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand;
c. 0,5, in de zevende tot en met de negende maand na de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand;
d. 0,25, in de tiende tot en met de twaalfde maand na de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand.

 

 

Art. 9b.
-1. Op een besluit omtrent het recht op uitkering genomen met toepassing van artikel 7, tweede lid, zoals dat artikellid luidde op 31 maart 2008, wordt op aanvraag door burgemeester en wethouders artikel 7, tweede lid, onderdeel j, toegepast met ingang van 1 april 2005 of indien de periodieke uitkeringen uit hoofde van een stamrecht als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel j, op een later tijdstip zijn ingegaan met ingang van dat tijdstip, mits deze aanvraag om toepassing leidt tot een hoger bedrag aan uitkering dan de vaststelling van het recht op uitkering zonder toepassing van artikel 7, tweede lid, onderdeel j.
-2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, kan worden ingediend tot 1 april 2009.

 

Art. 10.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1987.

 

Art. 11.
Dit besluit kan worden aangehaald als: Inkomensbesluit Ioaw.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.

 

's-Gravenhage, 24 december 1986

 

BEATRIX

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. de Koning

 

Uitgegeven de dertigste december 1986
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes