Geschiedenis van dit besluit:

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Bekendmaking regeling Bekendmaking inwerkingtreding
01-01-2002   Intrekking Stb. 2001, 625 Stb. 2001, 682
01-07-2000   Nieuwe regeling Stcrt. 2000, 81 Stcrt. 2000, 81

 

 

     Het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen;
     Gelet op artikel 38 Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;

     Besluit:

 

 

Art. 1.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen voert bij de incasso en invordering van premies sociale verzekeringen een beleid als weergegeven in de bijlage van dit besluit. Deze bijlage kunt u schriftelijk opvragen op het postadres van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, postbus 74765, 1070 BT Amsterdam.

 

Art. 2.
Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2000.

 

Art. 3.
Mededeling M 98.25 en Mededeling M 99.084 van het Landelijk instituut sociale verzekeringen worden ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit.

 

Art. 4.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit incasso en invordering.

 

 

Amsterdam, 18 april 2000.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.

 

 

 

BIJLAGE

Werkmodel Besluit incasso en invordering

 

1. Inleiding


     Een onderdeel van de collecterende functie is het invorderingsproces. Het invorderingsproces dient vorderingen te registreren, betalingen snel te verwerken, op ieder moment de juiste schuldpositie van een werkgever te kunnen opgeven en bij niet betalen snelle en doeltreffende incassomaatregelen te treffen. Het invorderingsproces voldoet aan daartoe door de wet gestelde regels. De uitvoeringsinstelling heeft verschillende invorderingsmogelijkheden en bepaalt haar keuze op grond van wettelijke mogelijkheden, de doelmatigheid, de kosten, de relatie en de ervaringen met de premieplichtige.
     Uitgangspunt is dat eerst verhaal wordt gezocht bij de schuldenaar zelf. Bij niet-betaling volgt verrekening met saldi van g-rekeningen [geblokkeerde rekeningen, zie artikel 1, tweede lid, onderdeel l, van de Uitvoeringsregeling inlenersaansprakelijkheid, red.] of met gedane rechtstreekse stortingen. Indien er na deze acties nog een vordering resteert, worden dwangmiddelen ingezet tegen de premieplichtige en indien dan nog niet alles voldaan is, vindt er ten slotte verhaal plaats op eventueel aansprakelijke derden. Dit laatste natuurlijk afhankelijk van de mate waarin verhaal aanwezig is en van de mate waarin betrokkene kan worden aangesproken.
     De uitvoeringsinstellingen dienen primair al hetgeen mogelijk is te doen om te komen tot een incasso van de premieschuld. Dient er overgegaan te worden tot invordering, dan rechtvaardigen redenen van rechtmatigheid en van beperking van de administratieve lastendruk bij de premieschuldige een primaire keuze voor een invorderingstraject door de Belastingdienst. Daarom: invordering sociale verzekeringen geschiedt namens het Lisv [Landelijk instituut sociale verzekeringen, zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.] door de Belastingdienst, tenzij een gemotiveerd belang keuze voor een civielrechtelijke invordering rechtvaardigt. Er blijft derhalve een keuzevrijheid voor de uitvoeringsinstellingen. Als er gekozen wordt voor het civielrechtelijke invorderingstraject, moet gemotiveerd worden waarom deze keuze gemaakt wordt.
     Invordering door de Belastingdienst vindt plaats volgens de wettelijke bepalingen zoals neergelegd in de Invorderingswet 1990, die nader zijn uitgewerkt in de Leidraad invordering 1990. Wanneer invordering plaatsvindt op civielrechtelijke grondslag, vindt het invorderingsproces plaats volgens de voorschriften en mogelijkheden gebaseerd op het Burgerlijk Wetboek.

 

2. De premienota


     De premienota moet, minimaal, de onderstaande gegevens bevatten:
a. om wat voor een soort premienota het gaat;
b een dagtekening;
c. de periode waarbinnen de premie betaald moet zijn;
d. een aanduiding van de periode waarop de premie betrekking heeft;
e. het premieloon per wet;
f. het toepasselijke premiepercentage per wet;
g. de premie per wet en in totaal;
h. het per saldo te betalen bedrag;
i. de wijze waarop betaling kan plaatsvinden;
j. de wijze waarop bezwaar ingesteld kan worden.
     Tevens moet de uvi [uitvoeringsinstelling, red.] de werkgever erop wijzen dat bij te late betaling de wettelijke rente in rekening wordt gebracht.


Toelichting

     Ad b en ad c. Op grond van artikel 11, vijfde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) moet op de nota worden vermeld binnen welke termijn de premie moet worden betaald. De premienota dient daarom een dagtekening te hebben en een vervaldag. Als dagtekening kan worden gekozen voor de dag waarop de premienota wordt verzonden of voor een vaste, latere datum. De vervaldag ligt ten minste veertien kalenderdagen na de dagtekening van de premienota.
     Ad h. De debiteurenadministratie van de uvi dient ook betalingen van derden en betalingen via geblokkeerde rekeningen te kunnen verwerken. De uvi rekent de betalingen toe aan de openstaande vorderingen.
     De ontvangsten worden als volgt over de openstaande vorderingen verdeeld:
1. kosten van vervolging/aanmaning;
2. rente;
3. premie.
     Ad 1. De uitvoeringskosten van het collecterende proces worden via de premie over de aangesloten werkgevers omgeslagen. De bijzondere incassokosten worden zoveel mogelijk in rekening gebracht bij de te laat betalende werkgevers. Bij niet tijdige betaling van de premie door de werkgever dienen aanmaningskosten in rekening te worden gebracht. De kosten van aanmaning en verdere vervolging bij niet tijdige betaling van de premie worden berekend op voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen.

 

3. Aanmanen


     Indien een werkgever niet op tijd betaalt, dan wordt binnen één maand na de vervaldag ten minste één schriftelijke aanmaning gestuurd. De schriftelijke aanmaning kan worden voorafgegaan door maximaal twee verzoeken tot betaling. In de aanmaning moet tot uitdrukking komen dat de werkgever in gebreke is en hij binnen een bepaalde termijn alsnog moet betalen. De aanmaning geeft tevens aan welke maatregelen de uitvoeringsinstelling kan nemen indien de betaling opnieuw uitblijft.

 

4. Betalingsregeling


4.1. Uitstel van betaling op verzoek werkgever


     Een werkgever kan verzoeken om uitstel van betaling en/of een betalingsregeling. Uitstel van betaling is aan de orde als een werkgever die door tijdelijke liquiditeitsproblemen niet in staat is om tijdig te betalen, geholpen is met opschorting van de betalingsverplichting tot een later tijdstip. Verder kan een werkgever verzoeken nog verschuldigde termijn(en) door middel van een betalingsregeling te mogen voldoen. Daarbij moeten ten minste de volgende voorwaarden met betrekking tot de afhandeling van dergelijke verzoeken worden gehanteerd:
- andere lopende verplichtingen aan het Lisv worden stipt voldaan;
- geen regeling bij structurele problemen;
- geen regeling wanneer de werkgever niet aan zijn administratieve verplichtingen heeft voldaan;
- standaard wordt bij uitstel/betalingsregeling met betrekking tot een definitieve premienota wettelijke rente in rekening gebracht.
     Na beoordeling van de hiervoor genoemde voorwaarden wordt een beschikking afgegeven die aangeeft dat er uitstel van betaling wordt gegeven. De beschikking geeft aan tot wanneer uitstel wordt gegeven of hoe de betalingsregeling luidt. Betalingsregelingen dienen qua looptijd te zijn gemaximeerd op een periode van twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum uitstel beschikking.

 

4.2. Uitstel in geval van bezwaar of beroep


     In het geval van bezwaar of beroep tegen een vastgestelde premie verzoekt men vaak om uitstel van betaling van de bestreden premie. Artikel 6:16 van de Awb stelt dat bij bezwaar of beroep de verplichting tot betaling niet opgeschort hoeft te worden. Het Lisv beoordeelt het verzoek derhalve zorgvuldig en met inachtneming van de specifieke omstandigheden wordt een beslissing afgegeven.
     Het uitgangspunt is dat bij het verlenen van uitstel van betaling van het bestreden deel standaard rente in rekening wordt gebracht, tenzij het bezwaar wordt afgewikkeld vóór de laatste vervaldag van de premienota. Bij invordering door de Belastingdienst geldt hetgeen voorgeschreven is in de Leidraad invordering 1990.

 

5. Rente


5.1. Vorderen van rente


     Bij te late betaling van de verschuldigde premie brengt het Lisv aan de werkgever wettelijke rente hierover in rekening. De renteberekening start op de eerste dag na de vervaldatum en eindigt op de datum van betaling. Als datum van betaling geldt de datum van bijschrijving op de rekening van de uvi.

 

5.2. Rentevergoeding


     Naast het vorderen van rente bij te late betaling kan er in specifieke situaties sprake zijn van het vergoeden van rente. Er zijn een tweetal mogelijkheden op basis waarvan door het Lisv tot rentevergoeding kan worden overgegaan:
1. Rentevergoeding als schadevergoeding op grond van de Awb bij vernietiging van de beslissing van het Lisv. De vergoeding wordt berekend van de dag van betaling tot de dag van algehele voldoening door het Lisv.
2. Rentevergoeding over de tijd gedurende welke het Lisv in verzuim is met de voldoening van de prestatie, gerekend van dag tot dag.

 

6. Invordering bij derden


     Wanneer een premieschuld, ook na aanmaning, niet wordt voldaan en er ook geen reden is voor het geven van uitstel van betaling, vindt primair verrekening plaats met gelden die bijvoorbeeld rechtstreeks zijn gestort of gestort zijn op een g-rekening. Het uitwinnen van premieschulden van een g-rekening of soortgelijke rekening vindt plaats in het kader van de aansprakelijkheid van derden. Als geen of onvoldoende gelden op deze wijze beschikbaar zijn, moet worden beoordeeld of gelden bij derden kunnen worden uitgewonnen op basis van de verschillende mogelijkheden van aansprakelijkstelling die de wet kent.

 

6.1. Verrekenen


     In het kader van de Wet ketenaansprakelijkheid (WKA) [Wet van 22 december 1993 tot wijziging van de Coördinatiewet Sociale Verzekering en de Invorderingswet 1990 in verband met de toepassing van de ketenaansprakelijkheid in de confectiesector (Wet ketenaansprakelijkheid confectiesector) (Stb. 1993, 734), red.] en de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) is het mogelijk dat een (hoofd)aannemer c.q. de inlener om een toekomstige aansprakelijkstelling te voorkomen premies stort op een g-rekening, maar ook rechtstreeks op een rekening van de uitvoeringsinstelling van de opdrachtnemer. Wanneer premieschulden ook na aanmaning van de primair premieplichtige niet voldaan worden, vindt waar mogelijk verrekening met het saldo van de g-rekening, respectievelijk met gedane rechtstreekse stortingen plaats.


6.1.1. Rechtstreekse stortingen

     Als voorwaarden voor het accepteren van rechtstreekse stortingen door de uitvoeringsinstellingen geldt dat het geld gestort moet worden op een bank- of gironummer van de uitvoeringsinstelling waarbij de onderaannemer/uitlener staat ingeschreven. De betalingsopdracht moet in haar toelichting ten minste de volgende informatie bevatten:
- het aansluitnummer en de naam van de onderaannemer/uitlener ten gunste van wie de betaling wordt gedaan;
- het tijdvak waarin de werkzaamheden door de aannemer/uitlener ten behoeve van de opdrachtgever zijn verricht; en
- het factuurnummer van de nota van de onderaannemer/uitlener aan de opdrachtgever/inlener waarop de betaling betrekking heeft.
     De uitvoeringsinstellingen zijn niet gerechtigd om additionele voorwaarden aan het rechtstreeks storten te verbinden.

 

6.2. Aansprakelijk stellen


     Aansprakelijkstelling van derden kan ingrijpende gevolgen hebben. Vanzelfsprekend moet hier buitengewoon zorgvuldig mee worden omgegaan teneinde onnodige schadeclaims te vermijden. Maar voor het overige is het incasseren van de premieschuld bij degene(n) die aansprakelijk zijn voor de schulden van de premieschuldige een belangrijk middel.
     In de volgende situaties zijn ook derden aansprakelijk te stellen:
1. Aansprakelijkstelling op grond van de bepalingen van de Coördinatiewet Sociale Verzekering:
- aansprakelijkstelling op grond van artikel 16a CSV (inlenersaansprakelijkheid);
- aansprakelijkstelling op grond van artikel 16b CSV (WKA);
- aansprakelijkstelling op grond van artikel 16c CSV (diversen);
- aansprakelijkstelling op grond van artikel 16d CSV (WBA [Wet bestuurdersaansprakelijkheid?, red.]).
2. Civiele aansprakelijkstelling op grond van de bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek:
- in geval van een huwelijk gesloten in gemeenschap van goederen kan eventuele aansprakelijkstelling van de echtgeno(o)t(e) van de reeds aansprakelijk gestelde werkgever plaatsvinden op grond van bepalingen uit Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, dat het personen- en familierecht regelt. Deze kan middels de civielrechtelijke incassoprocedure geschieden;
- aansprakelijkstelling van vennoten bij een vennootschap onder firma (v.o.f.) of bij een commanditaire vennootschap (CV);
- aansprakelijkstelling van een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam is geregeld in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, dat bepalingen betreffende rechtspersonen omvat;
- in het geval dat een bestuurder een onrechtmatige daad heeft gepleegd.

     Alvorens tot aansprakelijkstelling van derden op basis van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) over te gaan, wordt er een actief incassobeleid gevoerd met betrekking tot de premieschuldige zelf, dat wil zeggen dat eerst getracht wordt om de premieschuld bij de premieschuldige zelf te innen. Door een alert incassobeleid, hetgeen er onder meer op gericht is in een vroeg stadium incassoproblemen te signaleren, wordt de aansprakelijkstelling op grond van artikel 16 CSV veilig gesteld.
     Van de regel dat incasso eerst bij de premieschuldige beproefd wordt, dient te worden afgeweken indien in een vroeg stadium blijkt dat er geen of slechts een gering verhaal is op de premieschuldige zelf.
     Derden worden niet aansprakelijk gesteld voor schulden van de premieschuldige die zijn kwijtgescholden of waarvoor de toezegging is gedaan dat invordering niet meer zal plaats vinden.
     Indien aan de premieschuldige uitstel van betaling is verleend of als er een betalingsregeling is getroffen, dient het verleende uitstel c.q. de betalingsregeling eerst gemotiveerd ingetrokken te worden alvorens tot aansprakelijkstelling kan worden overgegaan.
     Ambtshalve opgelegde premievorderingen moeten - in redelijkheid - materieel verschuldigd zijn alvorens besloten wordt tot aansprakelijkstelling.
     De aansprakelijkstelling gebeurt voor de (voorschot)premie. Immers, in artikel 16a en 16b CSV is opgenomen dat de administratieve boete is uitgezonderd. Er is op grond van de wet geen vaste volgorde voor het aansprakelijk stellen van derden. Dit betekent echter niet dat in volle vrijheid een keuze gemaakt kan worden. Op basis van de vigerende jurisprudentie dient eerst getracht te worden om de vordering op de bestuurder(s) (WBA) te verhalen alvorens kan worden overgegaan tot aansprakelijkstelling van één van de schakels van de keten (WKA). Verder dienen eerst de direct boven de premieschuldige gelegen schakels te worden aangesproken alvorens de zich verder in de keten bevindende schakels worden aangesproken. Bij het aansprakelijk stellen moet rekening worden gehouden met gemaakte en nog te maken kosten, zodat minimaal de te maken kosten verhaald kunnen worden op de derde. In geval van twijfel kan een onderzoek naar de vermogenspositie van de derde plaatsvinden alvorens tot aansprakelijkstelling wordt overgegaan. Bij dit onderzoek moet wel in acht worden genomen dat alle mogelijkheden van aansprakelijkstelling volledig worden benut.
     Indien de aansprakelijkgestelde de aansprakelijkstelling niet betwist maar ook niet tot betaling overgaat, wordt het normale incasso- en invorderingstraject ingezet.
     De aansprakelijkgestelde kan op grond van dit besluit dezelfde rechten uitoefenen die aan de oorspronkelijke premieschuldige zijn toegekend, zoals het indienen van een verzoek om uitstel van betaling of een betalingsregeling of het verzoeken om kwijtschelding.

 

7. Buiten invordering stellen/kwijtschelden


     Bij het buiten invordering stellen (BIS) wordt een onderscheid gemaakt tussen enerzijds rechtspersonen en anderzijds natuurlijke personen (zoals de ondernemer in een eenmanszaak).

 

7.1. Buiteninvorderingtelling bij rechtspersonen


     Bij BIS van rechtspersonen moet onderscheid gemaakt worden of BIS gevraagd wordt "going concern" of bij beëindiging van het bedrijf. Bij beëindiging van het bedrijf zal BIS de facto namelijk leiden tot kwijtschelding.


7.1.1. Bij bedrijfsbeëindiging

     BIS bij bedrijfsbeëindiging is mogelijk wanneer de onderneming al haar activiteiten staakt en zij ook juridisch wordt opgeheven. Bij gehele of gedeeltelijke overdracht van activiteiten en/of onderneming wordt niet aan deze voorwaarde voldaan.


7.1.2. "Going concern"

     Bij BIS in het geval van "going concern" dient de uvi allereerst na te gaan of een aangepast incassobeleid het bedrijf door de moeilijke periode heen kan helpen. Het toekomstig premiebelang en de continuïteit van de onderneming, alsmede de daarbij horende werkgelegenheid, staat daarbij voorop.
     In zo’n geval dient men een verzoek tot (gedeeltelijke) BIS, afhankelijk van de omstandigheden, mede te beoordelen op basis van het feit dat:
- een dergelijk verzoek tevens aan de overige crediteuren is gedaan, die hier eveneens mee akkoord gaan;
- het maximaal mogelijke aan premie is voldaan.

 

7.2.  Kwijtschelding van natuurlijke personen: basis is de Wet schuldsanering natuurlijke personen


     Bij een natuurlijk persoon kan premie worden kwijtgescholden op grond van een door de rechter op basis van titel III van de Faillissementswet (Wet schuldsanering natuurlijke personen) verklaarde toepassing van een schuldsaneringsregeling of op basis van een faillissementsverklaring waarbij gelijktijdig een schuldsaneringsregeling wordt uitgesproken. Kwijtschelding is op basis van deze wet bij natuurlijke personen ook mogelijk in het kader van een buitengerechtelijke schuldsanering. Deze schuldsanering moet ten minste gelijkwaardig zijn aan de Gedragscode Schuldregeling van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet.

 

8. Oninbaarheid


     Als invordering niet mogelijk blijkt te zijn, bijvoorbeeld na het verlopen van de verjaringstermijn bij BIS, dan moet een vordering als oninbaar worden afgeboekt. Betreft het een niet meer actieve rechtspersoon, dan wordt deze rechtspersoon voor ontbinding voorgedragen aan de bevoegde instantie. Lukt dit niet, dan moet het faillissement worden aangevraagd.

 

9. Schadebeperkende maatregelen


     In geval van een fraudeonderzoek dient het reguliere incassoproces tijdens het fraudeonderzoek voortgang te vinden, tenzij het belang van het fraudeonderzoek hierdoor wordt geschaad.
     Bestaat er gevaar dat verhaalsmiddelen zullen worden onttrokken, dan dient het reguliere incassotraject te worden doorbroken teneinde de belangen van het Lisv veilig te stellen.
     Ook buiten het fraudetraject kunnen zich situaties voordoen die het wenselijk maken om tijdig verhaalsobjecten veilig te stellen. De uitvoeringsinstellingen stellen procedures op teneinde deze zogenaamde "schadebeperking" optimaal te regelen. Iedere uitvoeringsinstelling zet hiertoe op het terrein van de incasso bij fraudezaken en in andere bijzondere omstandigheden specifieke deskundigheid in. Behalve bij geconstateerde werkgeversfraude komt het ook bij faillissementen en in het kader van looncontroles voor dat het wenselijk wordt geacht om tot schadebeperking over te gaan.

 

9.1. Schadebeperkende maatregelen in het kader van geconstateerde werkgeversfraude


     Zodra blijkt dat er inderdaad sprake is van fraude en er door de opsporingsfunctionaris proces-verbaal (PV) wordt opgemaakt voor de officier van justitie (OvJ), dient tegelijkertijd in een rapport voor de uvi aangegeven te worden wie voor welke (premie)schade kan worden aangesproken en welke vermogensbestanddelen voor eventueel conservatoir beslag in aanmerking komen. Op basis van dit rapport kan worden besloten of er aanleiding bestaat verdergaande schadebeperkende maatregelen te treffen. Hierbij zal een afweging moeten plaatsvinden, waarbij de omvang van de geschatte schade, de omvang en aard van de fraude en de aanwezige vermogensbestanddelen een rol spelen. Hoewel de uvi de afweging zelfstandig moet maken, kan de opstelling van andere partijen - zoals het OM, de Belastingdienst - meewegen.
     Voor het speurwerk naar vermogensbestanddelen kan de opsporingsfunctionaris contact opnemen met onder andere de Belastingdienst, andere uvi’s, banken, kredietinstellingen, Kamer van Koophandel, burgerlijke stand, hypotheekregister.
     Uit het fraudeonderzoek dient tevens naar voren te komen welk aansprakelijkheidsregime van toepassing is. Het is van belang te weten in welke rechtsvorm de werkgever opereert en welke personen voor de geleden schade aansprakelijk kunnen worden gesteld, zoals de eigenaar, de bestuurder en de aannemer.

 

9.2. Schadebeperkende maatregelen in de pre-faillissementsfase


     Voorafgaand aan een faillissement (of surseance van betaling) zal er in de meeste gevallen sprake zijn van betalingsproblemen. Het is belangrijk dat in het incassotraject deze signalen tijdig worden onderkend en dat er actie wordt ondernomen. Dit betekent dat na een betalingsachterstand van een bepaalde periode (afhankelijk van de omvang van het premierisico) of andere signalen van betalingsproblemen, informatie moet worden ingewonnen over de financiële positie van de werkgever. Bij onduidelijkheid of onzekerheid omtrent de financiële positie dient de werkgever ter zekerstelling van de premievordering zo mogelijk ten gunste van het Lisv een recht van pand/hypotheek te vestigen op het huis, het bedrijfspand, de inboedel en inventaris, dan wel eventueel aanwezige vermogensrechten aan het Lisv te cederen.


9.2.1. Fraudeonderzoek in de pre-faillissementsfase

     Gelet op het aantal faillissementen waarbij sprake is van fraude, is het in fraudegevoelige branches in het kader van schadebeperking van belang om al in de pre-faillissementsfase onderzoek te doen. Dit onderzoek is erop gericht te ontdekken of er sprake is van constructies die bedoeld zijn om het bedrijf ten koste van het Lisv en de Belastingdienst door te starten. Het blijkt dat veelal de handelscrediteuren, de werknemers en de kredietverleners er goed uitspringen, terwijl de schuld zichtbaar is verschoven naar het Lisv en de Belastingdienst. De schade die door deze handelingen ontstaat, dient in alle gevallen waar dit mogelijk is te worden verhaald, door de rechtsopvolger van de failliet, de bestuurders van de failliet en eventueel de kredietverlener zo mogelijk aansprakelijk te stellen voor de geleden schade. De grondslag kan dan zijn onrechtmatige daad en/of bestuurdersaansprakelijkheid. Afhankelijk van de concrete situatie dient voor de grondslag te worden gekozen welke zich uit efficiencyoverwegingen het beste hiertoe leent.


9.2.2. Onverplichte rechtshandelingen in de pre-faillissementsfase

     Voor onverplichte rechtshandelingen die door de werkgever voorafgaand aan het faillissement zijn verricht en waardoor het Lisv is benadeeld in zijn verhaalsmogelijkheid kan eventueel ook de actio pauliana worden ingeroepen.

 

9.3. Schadebeperkende maatregelen voortvloeiend uit een looncontrole


     Tijdens de reguliere looncontrole kunnen signalen naar voren komen die duiden op onregelmatigheden in de loonadministratie. In deze gevallen hoeft er geen sprake te zijn van fraude, maar bestaat er wel aanleiding voor een premienavordering. Het is van belang om tijdens de looncontrole zo mogelijk een schatting te maken van het nadeelbedrag en een onderzoek in te stellen naar de financiële positie van de werkgever. Indien het erop lijkt dat de werkgever door de op te leggen premienavordering in betalingsproblemen zal komen, moeten er maatregelen worden getroffen om de schade voor het Lisv zoveel mogelijk te beperken. Gedacht kan worden aan een duidelijke en haalbare betalingsregeling, het vestigen van een zekerheidsrecht op vermogensbestanddelen of in het uiterste geval conservatoir beslag leggen. Per werkgever zal moeten worden bekeken of een navordering tot betalingsproblemen kan leiden en of aanvullende maatregelen nodig zijn. In potentiële probleemgevallen is het in ieder geval belangrijk dat de beslissing waarin de navordering wordt meegedeeld snel volgt op het looncontroleonderzoek.

 

9.4. Meldingsplicht bij het ministerie van Justitie


     Teneinde situaties waarbij dubieuze bestuurders diverse malen rechtspersonen oprichten om vervolgens bij herhaling met aanzienlijke premieschulden failliet te gaan zoveel mogelijk te voorkomen, acht het Lisv het wenselijk dat de uitvoeringsinstellingen namen van dubieuze debiteuren doorgeven aan de afdeling van het ministerie van Justitie die zich bezighoudt met de afgifte van zogenaamde "verklaringen van geen bezwaar" voor nieuw op te richten vennootschappen.

 

10. Invorderen in het buitenland


     Invordering binnen de Europese Unie vindt plaats op grond van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 [zie ook Verordening (EG) nr. 883/2004, red.] en bilaterale akkoorden [lees: bilaterale verdragen, red.].
     De vordering wordt opgegeven aan de bevoegde instantie die tracht betaling te bevorderen met de wettelijke mogelijkheden die in het betreffende land ter beschikking staan.
     Buiten de Unie is invordering niet in één verdrag geregeld. Invordering kan dan slechts plaatsvinden via bilaterale verdragen of op grond van een in het betreffende land verkregen executoriale titel. De verhouding tussen vordering en kosten is bepalend voor invordering in een niet-EU-lidstaat.
     Invorderingservaringen in het buitenland worden door de uitvoeringsinstellingen onderling uitgewisseld. Incassodeskundigen op het terrein van de buitenlandse incasso en invordering komen periodiek bijeen teneinde te overleggen hoe knelpunten kunnen worden opgelost. Op basis van kosten-batenafwegingen dienen invorderingsexperimenten - bijvoorbeeld met exequatur van Nederlandse vonnissen en met inschakeling van buitenlandse advocaten en/of buitenlandse vestigingen van Nederlandse advocaten - in diverse landen te worden uitgevoerd teneinde de effectiviteit en kosten van buitenlandse invordering in beeld te krijgen. Deze experimenten worden op elkaar afgestemd. De opgedane kennis en ervaring wordt uitgewisseld en bij het Internationaal Bureau Fraudebestrijding (IBF) gemeld en vastgelegd. Het IBF heeft de bevoegdheid een coördinerende rol op zich te nemen.