WET van 23 oktober 1957, Stb. 1957, 446, houdende gedeeltelijke compensatie voor de ingevolge de Algemene Ouderdomswet geheven premie over een pensioen, toegekend krachtens de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Stb. 1947, H 313). Inwerkingtreding: 9 december 1957.

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen te stellen tot toekenning van een vergoeding aan die gepensioneerden krachtens de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Stb. 1947, H 313), die ter zake van het genot van dat pensioen premie verschuldigd zijn ingevolge de Algemene Ouderdomswet;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

Enig artikel

Voorzover van een gepensioneerde krachtens de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Stb. 1947, H 313) terzake van het genot van dat pensioen premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet wordt geheven, wordt hem, ten laste van het Rijk, overeenkomstig de verhouding, waarin de premie, bedoeld in artikel 23 van de Algemene Ouderdomswet, voor ambtenaren, in dienst van het Rijk, door weddeverhoging wordt gecompenseerd, een vergoeding daarvoor verleend.

 

 

     Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven ten Paleize Soestdijk, 23 oktober 1957

 

JULIANA

 

De Minister van Maatschappelijk Werk,
M. Klompé

De Minister van Financiën,
Hofstra

De Staatssecretaris van Sociale Zaken,
A.A. van Rhijn

 

Uitgegeven de negentiende november 1957
De Minister van Justitie,
Samkalden