Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Ambtenarenwet (AW)

 

ALGEMEEN  RIJKSAMBTENARENREGLEMENT  (ARAR)

Tekst zoals deze geldt op 22 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 12 juni 1931, tot vaststelling van het Algemeen Rijksambtenarenreglement

 

     WIJ WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie van 20 Februari 1931, n. 974, 2de Afdeeling A;
     Gelet op de artikelen 125, eerste lid en 133, eerste lid, van de Ambtenarenwet 1929;
     Den Raad van State gehoord (advies van 31 Maart 1931, n. 22);
     Gezien het nader rapport van Onzen Minister voornoemd van 9 Juni 1931, n. 918, 2 A;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

     vast te stellen de navolgende bepalingen.

 

 

Hoofdstuk I. Algemeene bepalingen

Artikel 1

Ambtenaar in de zin van dit besluit is degene, die door het Rijk is aangesteld om in burgerlijke openbare dienst werkzaam te zijn.

Artikel 2

1. Voor de toepassing van dit besluit worden niet als ambtenaren beschouwd:

a. ministers en staatssecretarissen;

b. Commissarissen des Konings;

c. krachtens Grondwet of wet voor hun leven aangestelde ambtenaren;

d. de Nationale ombudsman en substituut-ombudsmannen;

e. burgemeesters;

f. de voorzitter en de leden van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid;

g. de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de zittingsvoorzitters van de huurcommissie, bedoeld in artikel 3a van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte.

2. De hoofdstukken III, IV en V zijn niet van toepassing op ambtenaren met gedeeltelijke dag-, week- of jaartaken, die niet regelmatig dienst doen. Ten aanzien van de in die hoofdstukken geregelde onderwerpen worden voor hen voor elk betrokken dienstvak de nodige bepalingen vastgesteld.

3. Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van enkele diensten niet vallende binnen de taak van het betrokken dienstvak, waarbij per dienst een afzonderlijke beloning wordt vastgesteld, zijn niet van toepassing:

a. hoofdstuk II, paragraaf 4;

b. de artikelen 14 en 16 tot en met 20d;

c. de hoofdstukken IV en V;

d. hoofdstuk VI, paragrafen 2 en 3;

e. de artikelen 33fb, 39, 47 en 48a.

Artikel 3

1. De bepalingen van dit besluit vinden slechts toepassing, voor zoover niet bij of krachtens eene wet anders is of wordt bepaald.

2. De bepalingen van dit besluit of sommige daarvan vinden niet toepassing op ambtenaren of groepen van ambtenaren, ten aanzien van wie een algemeene maatregel van bestuur of een uit kracht daarvan gegeven voorschrift, om bijzondere redenen hare toepasselijkheid uitsluit.

Artikel 4

1. In dit besluit wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: het hoofd van het betrokken ministerie;

b. hoofd van dienst: de door Ons of door Onze Minister als zodanig aangewezen autoriteit;

c. volledige arbeidsduur: een arbeidsduur welke gemiddeld 36 werkuren per week omvat;

d. arbeidsduurfactor: een breuk, waarvan de teller bestaat uit de voor de ambtenaar vastgestelde arbeidsduur en de noemer bestaat uit het getal 36;

e. sector Rijk: de ambtelijke diensten van:

1 elk ministerie, met uitzondering van het Ministerie van Defensie;

2 de Tweede Kamer en de Eerste Kamer der Staten-Generaal;

3 de Raad van State;

4 de Algemene Rekenkamer;

5 de Nationale ombudsman;

6 de Hoge Raad van Adel;

7 het Kabinet van de Koning;

8 de Kanselarij der Nederlandse Orden;

9 het secretariaat van de commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten;

10 de Raad voor de rechtspraak, de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep, het College van beroep voor het bedrijfsleven, de niet rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak en van de besturen van voornoemde gerechten daaronder begrepen, en de gemeenschappelijke diensten die twee of meer van de in dit onderdeel genoemde organisaties in stand houden;

f. bevoegd gezag:

1 het tot aanstelling bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7, eerste en tweede lid;

2 Onze Minister, indien aanstelling bij koninklijk besluit als bedoeld in artikel 7, derde lid geschiedt, of

3 de vicepresident van de Raad van State, het college van de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman of de voorzitter van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, voor zover de aanstelling bij koninklijk besluit geschiedt en betrekking heeft op een functie bij de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman, respectievelijk de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

2. Tenzij anders is bepaald wordt voor de toepassing van dit besluit verstaan onder salaris onderscheidenlijk bezoldiging, vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering, hetgeen daaronder wordt verstaan in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.

3. Ingeval de bezoldiging van de ambtenaar is geregeld krachtens een andere bezoldigingsregeling dan die bedoeld in het tweede lid, wordt voor de toepassing van dit besluit onder salaris, onderscheidenlijk bezoldiging verstaan, het bedrag dat op overeenkomstige wijze is vastgesteld als in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.

4. In dit besluit wordt onder echtgenoot of echtgenote mede verstaan de levenspartner met wie de niet gehuwde ambtenaar samenwoont en met het oogmerk duurzaam samen te leven een gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding alsmede de geregistreerde partner. Onder weduwe of weduwnaar wordt mede verstaan de achtergebleven levenspartner of de achtergebleven geregistreerde partner. Tegelijkertijd kan slechts een persoon als echtgenoot of echtgenote dan wel weduwe of weduwnaar worden aangemerkt. Onder gezinslid wordt in voorkomend geval mede verstaan de geregistreerde partner of de levenspartner.

Onze Minister kan verlangen dat een schriftelijke verklaring van een notaris wordt overgelegd waaruit blijkt dat een samenlevingscontract is gesloten.

5. In dit besluit wordt onder lid van de Algemene Bestuursdienst verstaan:

a. de ambtenaar die het ambt van lid van de topmanagementgroep, genoemd in de bijlage A van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, vervult;

b. de ambtenaar die een functie vervult waarvoor salarisschaal 17 of 18 van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 geldt;

c. de ambtenaar die een functie vervult waarvoor salarisschaal 16 of 15 van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 geldt en die daartoe door of namens Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is aangewezen.

Hoofdstuk Ia. Elektronische berichtgeving

Artikel 4.a1

1. Berichten inzake het maandelijkse in geld vastgestelde loon en de jaaropgave aan de ambtenaar behoeven uitsluitend elektronisch te worden verzonden.

2. De in het eerste lid bedoelde berichten worden niet uitsluitend elektronisch verzonden:

a. indien de ambtenaar geen mogelijkheid heeft om kennis te nemen van een elektronische bericht;

b. bij ontslag of overlijden van de ambtenaar;

c. op verzoek van de ambtenaar in het geval deze een zwaarwegend belang heeft bij incidentele verzending op andere wijze.

3. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan nadere regels stellen over de wijze waarop de elektronische verzending geschiedt.

Hoofdstuk II. Aanstelling en loopbaanvorming

1. De aanstelling

Artikel 4a

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt regels ten aanzien van de werving en selectie van ambtenaren.

Artikel 5

1. De aanstelling geschiedt in vaste of tijdelijke dienst.

2. De aanstelling geschiedt in vaste dienst, tenzij er grond is een aanstelling in tijdelijke dienst te verlenen.

3. De niet-Nederlander kan uitsluitend worden aangesteld indien hij in Nederland rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 en het bevoegd gezag voor hem beschikt over een tewerkstellingsvergunning als bedoeld in de Wet arbeid vreemdelingen, tenzij die tewerkstellingsvergunning krachtens laatstgenoemde wet niet is vereist.

Artikel 5a

De aanstelling in vaste dienst geschiedt in algemene dienst van het rijk.

Artikel 6

1. Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt verleend voor:

a. een kalenderperiode, of

b. een andere objectief bepaalbare periode.

2. Een aanstelling in tijdelijke dienst kan plaatsvinden:

a. voor een proeftijd van ten hoogste twee jaar, zonodig ambtshalve te verlengen met de tijd gedurende welke de ambtenaar de proeftijd niet in werkelijke dienst heeft doorgebracht;

b. voor een tijd van ten hoogste drie maanden, indien de betrokkene de verlangde verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in artikel 9, zesde lid, nog niet in zijn bezit heeft;

c. voor het verrichten van werkzaamheden, waarvoor slechts tijdelijk een beroep op de arbeidsmarkt kan worden gedaan;

d. voor een opleiding tot een beroep of verdere theoretische of praktische vorming;

e. voor oproepkrachten;

f. voor een andere reden.

3. In het geval een aanstelling in tijdelijke dienst voor een proeftijd is voorafgegaan door een andere aanstelling in tijdelijke dienst krachtens het tweede lid, onder b tot en met f, wordt de maximale duur van de proeftijd verminderd met de duur van die andere aanstelling, indien:

a. beide aanstellingen in tijdelijke dienst zijn verleend door Onze Minister;

b. de andere aanstelling in tijdelijke dienst is beindigd binnen een periode van drie maanden direct voorafgaande aan de aanstelling in tijdelijke dienst voor een proeftijd; en

c. het in deze beide aanstellingen in tijdelijke dienst dezelfde werkzaamheden betreft.

4. Vanaf de dag waarop na het verstrijken van de door Onze Minister vastgestelde proeftijd de aanstelling in tijdelijke dienst stilzwijgend wordt voortgezet, geldt dat er een aanstelling in vaste dienst is verleend.

5. De aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het tweede lid, onder b tot en met f, wordt geacht opnieuw voor dezelfde tijd, maar telkens ten hoogste voor een jaar op dezelfde voorwaarden te zijn verleend in geval van stilzwijgende voortzetting na het verstrijken van de tijd, voor welke zij is verleend.

6. De aanstelling in tijdelijke dienst geldt als een aanstelling in vaste dienst vanaf de dag waarop:

a. door Onze Minister verleende aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden;

b. meer dan drie door Onze Minister verleende aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden.

7. Het zesde lid is van overeenkomstige toepassing, indien de ambtenaar voorafgaande aan een door Onze Minister verleende aanstelling in tijdelijke dienst dan wel tussen twee door Onze Minister verleende aanstellingen in tijdelijke dienst binnen zijn gezagsbereik op een andere titel dan een aanstelling dezelfde werkzaamheden heeft verricht.

8. Het zesde lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op een aanstelling, aangegaan voor niet meer dan drie maanden, die onmiddellijk volgt op een aanstelling van 36 maanden of langer.

9. Voorzover de aanstelling betrekking heeft op een functie bij de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet van de Koning, de Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman, de Raad van State of het secretariaat van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten dient in het derde, het vierde, het zesde en het zevende lid voor Onze Minister telkens te worden gelezen: het College van de Algemene Rekenkamer, respectievelijk de voorzitter van de Hoge Raad van Adel, de directeur van het Kabinet van de Koning, de kanselier der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman, de vice-president van de Raad van State of de voorzitter van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

Artikel 6a

1. In zeer bijzondere gevallen kan op verzoek van betrokkene een aanstelling in tijdelijke dienst worden verleend waarin ten aanzien van hem dit besluit gedeeltelijk of andere algemene maatregelen van bestuur als bedoeld in artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet die specifiek betrekking hebben op ambtenaren in de zin van dit besluit, geheel of gedeeltelijk buiten toepassing worden verklaard.

2. Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het eerste lid.

Artikel 6b

1. De aanstelling geschiedt voor een vast aantal uren of voor een variabel aantal uren.

2. Indien de aanstelling geschiedt voor een variabel aantal uren wordt daarbij een aantal garantie-uren bepaald.

Artikel 7

1. De aanstelling van de ambtenaar vindt plaats door Onze Minister. Indien het een ambtenaar betreft als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder b of c, vindt de aanstelling plaats in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

2. Voor zover de aanstelling betrekking heeft op een functie bij de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet van de Koning, de Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman of de Raad van State, wordt in het eerste lid voor Onze Minister respectievelijk gelezen: het College van de Algemene Rekenkamer respectievelijk de voorzitter van de Hoge Raad van Adel, de directeur van het Kabinet van de Koning, de kanselier der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman of de vicepresident van de Raad van State.

3. De aanstelling als lid van de topmanagementgroep, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, vindt plaats bij Koninklijk Besluit op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

4. De ambtenaar die is aangesteld tot lid van de topmanagementgroep wordt door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister voor een periode van maximaal zeven jaar benoemd in een van de volgende functies:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Ambtenarenwet | alle wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x