Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Gemeentewet (Gemw)

 

RECHTSPOSITIEBESLUIT  BURGEMEESTERS

Tekst zoals deze geldt op 22 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 15 juni 1994, houdende regels inzake de rechtspositie van burgemeesters

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 16 juli 1993, directoraat-generaal Openbaar Bestuur, afdeling Kabinetszaken, nr. BK93/u1098;
     Gelet op de artikelen 66, 73 en 79 van de Gemeentewet en artikel 125 van de Ambtenarenwet 1929;
     Gehoord gedeputeerde staten van de provincies;
     Gehoord de Raad voor de gemeentefinanciën;
     De Raad van State gehoord (advies van 8 februari 1994, nr. W04.93.0486);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 9 juni 1994, nr. BK94/410;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Begripsbepalingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

b. bezoldiging: het bedrag per maand, waarop een burgemeester met inachtneming van de artikelen 5 tot en met 14b en 17 van dit besluit aanspraak kan maken;

c. het aantal inwoners van een gemeente: het aantal inwoners volgens de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers per 1 januari;

d. de commissaris: de commissaris van de Koning in de provincie waarin de gemeente is gelegen;

e. gedeputeerde staten: het college van gedeputeerde staten van de provincie waarin de gemeente is gelegen;

f. waarnemend burgemeester: degene die op grond van artikel 78 van de Gemeentewet door de commissaris is aangewezen om de burgemeester te vervangen;

g. FPU-uitkering: de uitkering op grond van de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het Pensioenreglement van de Stichting pensioenfonds ABP, waarbij onder de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel wordt verstaan de overeenkomst die is aangegaan op grond van artikel 2 van de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel en onder het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt verstaan het reglement van die stichting dat is vastgesteld met inachtneming van de overeenkomst, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet privatisering ABP;

h. Advies- en Arbitragecommissie: de Advies- en Arbitragecommissie, bedoeld in artikel 110g van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.

Artikel 2 [Vervallen per 09-04-1997]

Artikel 3 [Vervallen per 06-09-1996]

Artikel 4 [Vervallen per 06-09-1996]

Bezoldiging

Artikel 5

1. De gemeenten worden ten behoeve van de vaststelling van de bezoldiging van de burgemeester ingedeeld in inwonersklassen overeenkomstig de volgende tabel:

Klasse

Aantal inwoners

1

Tot en met 8.000

2

8.001–14.000

3

14.001–24.000

4

24.001–40.000

5

40.001–60.000

6

60.001–100.000

7

100.001–150.000

8

150.001–375.000

9

375.001 en meer

2. Indien in gemeenten het ambt van burgemeester door dezelfde persoon wordt vervuld, worden deze gemeenten voor de indeling in een inwonersklasse als één gemeente aangemerkt waarbij de inwoners van de gemeenten worden samengeteld.

Artikel 6

1.Een gemeente gaat voor de toepassing van artikel 5 in verband met de toeneming van het aantal inwoners over naar een hogere klasse met ingang van het jaar waarin op 1 januari het aantal inwoners van die gemeente de minimumgrens van de volgende klasse bereikt heeft en blijkt dat zij die grens ook heeft bereikt op:

a. 1 januari van het volgende jaar;

b. de dag voorafgaande aan een wijziging van de gemeentelijke indeling waarbij zij is betrokken.

2.Overgang van een gemeente naar een lagere klasse in verband met de vermindering van het aantal inwoners vindt plaats met ingang van het jaar waarin het aantal inwoners van de gemeente op 1 januari voor de tweede achtereenvolgende maal beneden de minimumgrens van de klasse, waarin de gemeente tot dusver ingedeeld was, gedaald is.

3.Voor gemeenten waarvan het aantal inwoners ten gevolge van grenscorrectie of wijziging van de gemeentelijke indeling wijziging heeft ondergaan, vindt de overgang naar een hogere of lagere klasse plaats met ingang van de datum van de grenscorrectie of wijziging van de gemeentelijke indeling. Hierbij geldt het aantal inwoners, zoals dit voor de eerste maal na die datum met inachtneming van die grenscorrectie of wijziging van de gemeentelijke indeling door het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt openbaar gemaakt.

4.Voor de eerste indeling van nieuwingestelde gemeenten vindt het derde lid overeenkomstige toepassing.

Artikel 7

1.Op grond van bijzondere omstandigheden kunnen gedeputeerde staten, de gemeenteraad gehoord, een gemeente voor de toepassing van artikel 5 voor een bepaald tijdvak in een hogere klasse plaatsen dan die, waartoe zij op grond van haar aantal inwoners behoort.

2.Gedeputeerde staten kunnen na afloop van het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, een nieuw tijdvak vaststellen.

3.Van het tot verhoging strekkende besluit doen gedeputeerde staten onmiddellijk schriftelijk mededeling aan Onze Minister.

Artikel 8

1. De bezoldiging van de burgemeester wordt bepaald overeenkomstig de tabel in bijlage I bij dit besluit.

2. De bezoldiging van de burgemeester van meer dan één gemeente wordt bepaald overeenkomstig de tabel in bijlage I bij dit besluit met dien verstande dat wordt uitgegaan van de bezoldiging behorende bij de eerstvolgende hogere inwonersklasse.

3. Als de bezoldiging van het personeel in de sector Rijk wijziging ondergaat, worden de bedragen genoemd in de bijlage bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd.

4. Indien aan het personeel in de sector Rijk een eenmalige uitkering wordt toegekend, ontvangt de burgemeester een uitkering op gelijke voet.

5. Onze Minister doet het Georganiseerd Overleg burgemeesters mededeling indien het derde of vierde lid van toepassing is.

Artikel 9

De aanspraak op de bezoldiging begint op de dag dat de benoeming ingaat en eindigt met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat of met ingang van de dag volgend op die van het overlijden.

Artikel 10 [Vervallen per 09-04-1997]

Artikel 11

Indien een gemeente door toename van het aantal inwoners of op grond van een besluit als bedoeld in artikel 7 wordt ingedeeld in een hogere inwonersklasse, wordt de bezoldiging van de burgemeester overeenkomstig de tabel in bijlage I aangepast.

Artikel 12

De overgang van een gemeente naar een lagere klasse als bedoeld in artikel 6, tweede lid, is niet van invloed op de bezoldiging van de op dat tijdstip in dienst zijnde burgemeester.

Artikel 13 [Vervallen per 23-12-2009]

Artikel 14

Wanneer dezelfde persoon burgemeester is van meer dan één gemeente komen de bezoldiging en alle overige financiële aanspraken als bedoeld in dit besluit, in verhouding tot het inwonertal naar boven afgerond op een veelvoud van 100, ten laste van elke gemeente.

Artikel 14a

1. Een burgemeester die benoemd wordt tot burgemeester van een andere gemeente, ontvangt indien die andere gemeente in een gelijke inwonersklasse is geplaatst, een toelage op de bezoldiging.

2. De toelage komt ten laste van de gemeente en bedraagt:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Gemeentewet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x