Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Ambtenarenwet (AW)

 

REGLEMENT  DIENST  BUITENLANDSE  ZAKEN  (RDBZ)

Tekst zoals deze geldt op 22 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 24 november 1986, houdende vaststelling van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 2 juni 1986, nummer HDBZ/SF-140960;
     Overwegende dat het noodzakelijk is dat het ministerie van Buitenlandse Zaken bij de zich sterk wijzigende internationale verhoudingen kan blijven beschikken over die ambtelijke deskundigheid en internationale ervaring die het voor het verwezenlijken van zijn beleidsdoelstellingen behoeft;
     Overwegende dat het gewenst is dat de functies vervuld worden door medewerkers wier loopbaan zich uitstrekt over het ministerie van Buitenlandse Zaken hier te lande en over de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland, tenzij die functies daarvoor naar hun inhoud niet geschikt zijn;
     Overwegende dat het daarom dienstig is te komen tot de integratie van personeel van het ministerie van Buitenlandse Zaken hier te lande en van de Buitenlandse Dienst tot een geïntegreerde Dienst Buitenlandse Zaken;
     Overwegende dat daarbij wordt beoogd de door Onze Minister van Buitenlandse Zaken, Onze Minister zonder Portefeuille en Onze Minister van Economische Zaken getroffen regeling met betrekking tot de economische werkzaamheden van de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland (28 januari 1955, nr. DBD-10296/PE) zonder wijziging voort te zetten;
     Overwegende ten slotte dat het wenselijk is gebleken de organisatie van deze dienst en de rechtspositie van allen die daartoe in binnen- en buitenland behoren in één reglement vast te leggen;
     Gelet op de artikelen 125 en 134 van de Ambtenarenwet 1929 (Stb. 1929, 530);
     De Raad van State gehoord (advies van 6 augustus 1986, nr. W02.86.0284);
     Gezien het nader rapport van voornoemde Minister van 19 november 1986, nummer HDBZ/SF-305425;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk I. Begripsomschrijvingen

Artikel 1

In dit reglement wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Buitenlandse Zaken;

b. DBZ: Dienst Buitenlandse Zaken;

c. Ambtenaar: de in artikel 5, tweede lid, onder a, bedoelde ambtenaar van de DBZ, tenzij anders blijkt;

d. Werknemer: degene die buiten Nederland op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst is genomen voor werkzaamheden bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland;

e. ARAR: Algemeen Rijksambtenarenreglement;

f. BBRA 1984: Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984;

g. Functie: Het samenstel van werkzaamheden, door de ambtenaar of werknemer te verrichten krachtens en overeenkomstig hetgeen door het daartoe bevoegde gezag aan betrokkene is opgedragen;

h. Arbodienst: de door Onze Minister aangewezen arbodienst als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet;

i. Ministeriële regeling: Regeling van Onze Minister;

j. Volledige arbeidsduur: een arbeidsduur welke gemiddeld 36 werkuren per week omvat;

k. Arbeidsduurfactor: een breuk waarvan de teller bestaat uit de voor de ambtenaar vastgestelde arbeidsduur en de noemer bestaat uit het getal 36;

l. deskundige persoon: de door Onze Minister aangewezen deskundige persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet die belast is met de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b of c, van die wet;

m. sector Rijk: de ambtelijke diensten van:

1° elk ministerie, met uitzondering van het Ministerie van Defensie;

2° de Tweede Kamer en de Eerste Kamer der Staten-Generaal;

3° de Raad van State;

4° de Algemene Rekenkamer;

5° de Nationale ombudsman;

6° de Hoge Raad van Adel;

7° het Kabinet van de Koning;

8° de Kanselarij der Nederlandse Orden;

9° het secretariaat van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten;

10° de Raad voor de rechtspraak, de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep, het College van beroep voor het bedrijfsleven, de niet rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak en van de besturen van voornoemde gerechten daaronder begrepen, en de gemeenschappelijke diensten die twee of meer van de in dit onderdeel genoemde organisaties in stand houden;

n. bevoegd gezag: Onze Minister.

Artikel 2

1.Waar in dit reglement sprake is van gezinsleden, worden daaronder verstaan:

a. de huwelijkspartner van betrokkene,

b. de minderjarige kinderen, adoptief- of stiefkinderen van de betrokkene welke ten laste van betrokkene komen,

c. door Onze Minister als gezinslid beschouwde andere minderjarige kinderen, adoptief- of stiefkinderen of pleegkinderen van betrokkene of van diens huwelijkspartner, alsmede

d. door Onze Minister als gezinslid beschouwde meerderjarige studerende of invalide kinderen, adoptief-, stief- of pleegkinderen van betrokkene of van diens huwelijkspartner.

2.In dit reglement wordt onder huwelijkspartner mede verstaan de geregistreerde partner alsmede de levenspartner met wie de niet-gehuwde ambtenaar samenwoont en – met het oogmerk duurzaam samen te leven – een gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding. Onder weduwe en weduwnaar wordt mede begrepen de achtergebleven geregistreerde partner alsmede de achtergebleven levenspartner. Tegelijkertijd kan slechts één persoon als levenspartner dan wel weduwe of weduwnaar worden aangemerkt. Onze Minister kan verlangen dat een schriftelijke verklaring van een notaris wordt overgelegd waaruit blijkt dat een samenlevingscontract als bedoeld in de eerste volzin is gesloten.

3.Bij ministeriële regeling worden regels gesteld op grond waarvan een tijdelijke voorziening kan worden getroffen voor de toepassing van dit reglement, indien de vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland waar de betrokken ambtenaar is geplaatst geen notariële bevoegdheid heeft en niet de mogelijkheid bestaat een samenlevingscontract notarieel in het desbetreffende land te doen opmaken.

Artikel 3

1.Waar in dit reglement sprake is van de formatie, wordt daaronder verstaan de kwantitatieve omvang van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de zich daarbinnen voordoende kwalitatieve structuur. De formatie is samengesteld uit formaties van de binnen het ministerie voorkomende dienstonderdelen en de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland.

2.Onze Minister stelt na advies van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de formatie vast. Onze Minister bepaalt de inrichting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken met inachtneming van de formatie, volgens met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties overeen te komen regels.

Artikel 4

1. Tenzij anders is bepaald, wordt in dit reglement onder salaris, bezoldiging, vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering verstaan: hetgeen daaronder wordt verstaan in het BBRA 1984.

2. In gevallen waarin niet is bepaald wie bevoegd is tot het nemen van besluiten of het doen van voordrachten krachtens dit reglement, is Onze Minister bevoegd.

Hoofdstuk Ia. Elektronische berichtgeving

Artikel 4a

1. Berichten inzake het maandelijkse in geld vastgestelde loon en de jaaropgave aan de ambtenaar behoeven uitsluitend elektronisch te worden verzonden.

2. De in het eerste lid bedoelde berichten worden niet uitsluitend elektronisch verzonden:

a. indien de ambtenaar geen mogelijkheid heeft om kennis te nemen van een elektronische bericht;

b. bij ontslag of overlijden van de ambtenaar;

c. op verzoek van de ambtenaar in het geval deze een zwaarwegend belang heeft bij incidentele verzending op andere wijze.

3. Onze Minister kan, na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, nadere regels stellen over de wijze waarop de elektronische verzending geschiedt.

Hoofdstuk II. Algemene en organisatorische bepalingen

Artikel 5

1.Bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken bestaat een Dienst Buitenlandse Zaken.

2.De Dienst Buitenlandse Zaken bestaat uit:

a. degenen die bij koninklijk besluit, dan wel door Onze Minister, als ambtenaar van de Dienst Buitenlandse Zaken zijn aangesteld;

b. degenen die door Onze Minister als werknemer in dienst zijn genomen;

c. degenen die bij koninklijk besluit, dan wel door Onze Minister, als honoraire consulaire ambtenaren zijn aangesteld, met inachtneming van het tweede lid van artikel 132;

d. degenen die door het hoofd van een der in artikel 7 genoemde vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland bij die vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland als honorair adviseur zijn aangesteld, met inachtneming van het tweede lid van artikel 140.

3.Met betrekking tot hun dienstverrichtingen worden voorts de in het derde, vierde en zesde lid van artikel 8 genoemde gedetacheerden dan wel toegevoegden gelijkgesteld met degenen die tot de Dienst Buitenlandse Zaken behoren.

Artikel 6

1. De Dienst Buitenlandse Zaken heeft tot taak, het beleid ter zake van de door het Koninkrijk met het buitenland onderhouden betrekkingen en de door de regering bevorderde ontwikkeling van de internationale rechtsorde, ambtelijk voor te bereiden, gestalte te geven, te coördineren en tot uitvoering te brengen; hij staat daartoe onder leiding van Onze Minister, met inachtneming van de verantwoordelijkheden van Onze Minister voor Ontwikkelingssamenwerking, alsmede van Onze Minister van Economische Zaken ingevolge het vijfde lid van artikel 12.

2. Met inachtneming van het volkenrecht, in het bijzonder de voor het Koninkrijk, Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten bindende internationale verdragen en andere overeenkomsten alsmede de buitenlandse wetten en gebruiken, omvat de in het eerste lid genoemde taak mede:

a. het vertegenwoordigen van het Koninkrijk buiten zijn grondgebied;

b. het uitdragen en toelichten van het beleid van het Koninkrijk ten aanzien van internationale vraagstukken en ontwikkelingen;

c. het behartigen en beschermen van de belangen van het Koninkrijk, van Nederlanders en van rechtspersonen van Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten buiten het grondgebied van het Koninkrijk;

d. het verzamelen, verwerken en verstrekken van inlichtingen omtrent internationale ontwikkelingen ten behoeve van de overheid van Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, van Nederlanders en van rechtspersonen van Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten;

e. het verrichten van de gerechtelijke, buitengerechtelijke en administratieve handelingen en werkzaamheden welke krachtens internationale overeenkomsten en de wetten en voorschriften van het Koninkrijk aan ambtenaren die in diplomatieke of consulaire functies zijn aangesteld, zijn opgedragen en waartoe zij bevoegd zijn verklaard;

f. andere bij koninklijk besluit, dan wel door de regering, door tussenkomst van Onze Minister, aan vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland op te dragen werkzaamheden welke met het buitenlands beleid dan wel de bevordering van de internationale rechtsorde samenhangen.

Artikel 7

1.Het Ministerie van Buitenlandse Zaken omvat het in Nederland gevestigde deel van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, verder aangeduid met departement, en de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland.

2.De vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland kunnen zijn:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Ambtenarenwet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x