Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb)

 

BESLUIT  GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN  EN  BIOCIDEN

Tekst zoals deze geldt op 23 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 5 september 2007, houdende nadere regels omtrent gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van 16 april 2007, nr. Trcjz/2007/1198, Directie Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
     Gelet op de artikelen 3, derde lid, 4, eerste tot en met vierde lid, 10, 13, eerste en tweede lid, 16, eerste en derde tot en met vijfde lid, van Richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 230),
- de artikelen 3, derde lid, onder ii, vijfde en zevende lid, 4, eerste en tweede lid, 5, eerste en tweede lid, 8, eerste tot en met vijfde lid, alsmede zevende tot en met negende lid, 20 van Richtlijn nr. 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PbEG L 123),
- bijlage V van Richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196),
- Richtlijn 86/609/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 november 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PbEG L 358),
- Richtlijn nr. 2004/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 februari 2004 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de toepassing van de beginselen van goede laboratoriumpraktijken en het toezicht op de toepassing ervan voor tests op chemische stoffen (gecodificeerde versie) (PbEU L 50),
- Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG 327),
- Verordening 396/2005/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten en bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EG van de Raad (PbEG L 70),
- artikel 44, eerste lid, van de Grondwet met betrekking tot artikel 74 van dit besluit,
- de artikelen 4, eerste lid, onderdeel e, 23, tweede en derde lid, 25, eerste lid, 28, tweede en derde lid, 29, derde lid, 36, derde lid, 44, tweede en derde lid, 49, tweede lid, 50, derde lid, 56, derde lid, 71, derde lid, 74, tweede lid, 75, 76, derde lid, 78 tot en met 81, eerste lid, 108, derde lid, 123, eerste lid, 124, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden,
- artikel 24, eerste lid en tweede lid, onderdeel b, van de Wet milieugevaarlijke stoffen,
- artikelen 1, onderdeel i, en 7, van de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen, en
- artikel 16, eerste en zevende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;
     De Raad van State gehoord (advies van 12 juli 2007, nr. W11.07.0110/IV);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 29 augustus 2007, nr. Trcjz/2007/2853, Directie Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemene begrippen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. wet: Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

b. verordening 396/2005/EG: Verordening nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EG van de Raad (PbEU L 70);

c. richtlijn 67/548/EEG: richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196);

d. richtlijn 2000/60/EG: richtlijn nr. 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L 327);

e. richtlijn 2004/10/EG: richtlijn nr. 2004/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 februari 2004 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de toepassing van de beginselen van goede laboratoriumpraktijken en het toezicht op de toepassing ervan voor tests op chemische stoffen (gecodificeerde versie) (PbEU L 50);

f. bodem: bodem als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming;

g. gasvormende toestand: toestand van een gewasbeschermingsmiddel of biocide waarin het middel of de biocide na gasvorming zijn werking verkrijgt;

h. maximumresidugehalte (MRL): het hoogste wettelijk toegestane concentratieniveau van een residu van gewasbeschermingsmiddelen of biociden in of op een levensmiddel of diervoeder op basis van goede landbouwpraktijken en de laagste blootstelling van consumenten die noodzakelijk is met het oog op de bescherming van kwetsbare consumenten;

i. richtlijn 1999/45/EG: richtlijn nr. 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG 1999, L 200);

j. uitvoeringsverordening (EU) 545/2011: Verordening (EU) nr. 545/2011 van de Commissie van 10 juni 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de gegevensvereisten voor gewasbeschermingsmiddelen betreft (PbEU 2011, L 155);

k. uitvoeringsverordening (EU) 546/2011: Verordening (EU) nr. 546/2011 van de Commissie van 10 juni 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat uniforme beginselen voor de evaluatie en de toelating van gewasbeschermingsmiddelen betreft (PbEU 2011, L 155).

Artikel 1a

Dit besluit berust mede op artikel 9.2.2.1, eerste en tweede lid, onder b, van de Wet milieubeheer.

Hoofdstuk 2. Taken van het college

Artikel 2. Andere taken van het college

Het college is belast met:

a. de aan Nederland opgedragen werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 6 tot en met 9 van hoofdstuk II van verordening 396/2005/EG alsmede het doen van voorstellen voor het vaststellen van het maximaal toelaatbare residugehalte (MRL) door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Economische Zaken, voor zover deze niet communautair zijn vastgesteld;

b. het vaststellen van het maximaal toelaatbaar risiconiveau van gewasbeschermingsmiddelen voor bodem of waterorganismen op verzoek van de houder van een toelating, bedoeld in artikel 3, onderdeel 24, van verordening (EG) 1107/2009 of op verzoek van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, indien dit risiconiveau niet reeds bij een toelating door het college is vastgesteld;

c. het vaststellen of ambtshalve wijzigen van de wijze waarop op een etiket de voorschriften worden vermeld die bij of krachtens dit besluit zijn vastgesteld voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of biociden.

Hoofdstuk 3 [Vervallen per 01-03-2014]

§ 1 [Vervallen per 01-03-2014]

Artikel 3 [Vervallen per 01-03-2014]

Artikel 4 [Vervallen per 01-03-2014]

Artikel 5 [Vervallen per 01-03-2014]

§ 2 [Vervallen per 01-03-2014]

Artikel 6 [Vervallen per 26-11-2011]

Artikel 7 [Vervallen per 01-03-2014]

Hoofdstuk 4. Beoordeling van aanvragen

§ 1. Beoordeling van aanvragen inzake gewasbeschermingsmiddelen

Artikel 8. Toelating niet-professioneel gebruik

Het college verleent geen toelating voor niet-professioneel gebruik van een gewasbeschermingsmiddel dat overeenkomstig richtlijn 1999/45/EG is ingedeeld als giftig, zeer giftig, kankerverwekkend, mutageen of vergiftig voor de voortplanting.

Artikel 8a. Beoordelingsmethoden

1. Het college hanteert in het kader van de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van verordening (EG) 1107/2009, slechts de in de artikelen 8b tot en met 8g en de in bijlage 1 bedoelde beoordelingsmethoden, voor zover een Europees richtsnoer dat is vastgesteld volgens de procedure, bedoeld in artikel 77 van die verordening, geen beoordelingsmethode over hetzelfde onderwerp bevat.

2. Onze Minister van Economische Zaken doet mededeling in de Staatscourant van de vaststelling of wijziging van een in een Europees richtsnoer opgenomen beoordelingsmethode als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 8b. Blootstelling als gevolg van professioneel gebruik

1. Het college schat de kwantitatieve blootstelling aan het gewasbeschermingsmiddel, bedoeld in uitvoeringsverordening (EU) 545/2011, bijlage, deel A, punt 7.2.1.1, zonder rekening te houden met het effect van persoonlijke beschermingsmaatregelen en met gebruikmaking van de volgende modellen voor blootstellingssituaties:

a. voor het mengen en vullen van apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen met een:

1°. niet-vast gewasbeschermingsmiddel bij tractortoepassingen: model EUROPOEM I, bedoeld in bijlage 1 onder 1;

2°. niet-vast middel bij handmatige toepassing: model EUROPOEM I, bedoeld in bijlage 1 onder 1, voor huidblootstelling en NL model, bedoeld in bijlage 1 onder 4, 5 en 7, voor inhalatoire blootstelling;

3°. poedervormig middel: NL-model bedoeld in bijlage 1 onder 4, 5 en 7;

4°. granulaatvormig middel: NL-model, bedoeld in bijlage 1 onder 4, 5 en 7, rekening houdend met de poederfractie in het middel;

b. voor het toepassen van het gewasbeschermingsmiddel:

1°. buiten opwaarts of neerwaarts met grote spuitapparatuur; model EUROPOEM I, bedoeld in bijlage 1 onder 1;

2°. buiten neerwaarts met handapparatuur: model UK POEM, bedoeld in bijlage 1 onder 9;

3°. buiten opwaarts met handapparatuur: de 90-percentiel waarde volgens het Duitse blootstellingsmodel, bedoeld in bijlage 1 onder 6;

4°. binnen met handapparatuur: NL-kasmodel, bedoeld in bijlage 1 onder 4, 5 en 7;

5°. met spuitbussen: ConsExpo, bedoeld in bijlage 1 onder 8;

c. voor degenen die werkzaamheden uitvoeren in ruimten die behandeld zijn met gewasbeschermingsmiddelen of werkzaamheden uitvoeren met of aan gewassen die behandeld zijn met middelen: model EUROPOEM II, bedoeld in bijlage 1 onder 2, voor dermale blootstelling;

d. voor degenen die werkzaamheden uitvoeren in ruimten die behandeld zijn met middelen of in ruimten werkzaamheden uitvoeren met of aan gewassen die behandeld zijn met middelen: NL model voor inhalatoire blootstelling, bedoeld in bijlage 1 onder 5 en 7;

e. voor degenen (volwassenen en kinderen), die recreëren of sporten op grasvelden die behandeld zijn met gewasbeschermingsmiddelen: het model bedoeld in bijlage 1, onder 10.

2. Het college gaat bij de beoordeling van de voorgestelde beschermende kleding en apparatuur volgens de uniforme beginselen, bedoeld in uitvoeringsverordening (EU) 546/2011, bijlage, deel I, onderdeel B Evaluatie, punt 2.4.1.3., uit van beschermingsfactoren voor deze kleding en apparatuur volgens de tabel, bedoeld in bijlage 2.

Artikel 8c. Blootstelling als gevolg van niet-professioneel gebruik

Het college schat de kwantitatieve blootstelling aan het

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Wgb | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x