Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet inburgering (Wi)

 

BESLUIT  INBURGERING

Tekst zoals deze geldt op 23 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 5 december 2006 tot uitvoering en vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet inburgering (Besluit inburgering)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 10 juli 2006, Directie Wetgeving, nr. 5430382/06/6;
     Gelet op de artikelen 3, tweede en derde lid, 5, eerste lid, onderdeel c, derde en vierde lid, 6, tweede lid, onderdeel b, 7, tweede lid, 13, vierde lid, 15, vierde, vijfde en zesde lid, 16, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 18, eerste, derde en vierde lid, 19, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, 23, vijfde lid, 28, 31, derde lid, 47, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, 48, tweede lid, onderdeel a en b, en derde lid, 52, derde lid, 64, vierde lid, en 73 van de Wet inburgering en de artikelen 16a, tweede lid, 21, zesde lid, en 34, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, de artikelen 64, negende lid, en 67, derde lid, van de Wet werk en bijstand en artikel 17, derde lid, van de FinanciŽle-verhoudingswet;
     De Raad van State gehoord (advies van 23 oktober 2006, nr. W03.06.0323/I);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 1 december 2006, Directie Wetgeving, nr. 5451387/06/6;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen

Artikel 1.1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. wet: de Wet inburgering;

b. inburgeringsdiploma: het diploma, bedoeld in artikel 7, vierde lid, onderdeel g, van de wet, ten bewijze waarvan het inburgeringsexamen is behaald;

c. Informatiesysteem Inburgering: het informatiesysteem, bedoeld in artikel 47 van de wet;

d. rijksbijdrage: de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 52 van de wet, zoals dat artikel luidde voor de datum van inwerkingtreding van de Wet participatiebudget;

e. lening: de lening, bedoeld in artikel 16 van de wet;

f. Wet inburgering nieuwkomers: Wet inburgering nieuwkomers zoals die luidde op 31 december 2006.

Hoofdstuk 2. Inburgeringsplicht

Afdeling 1. Inburgeringsplicht

Artikel 2.1

1. Het doel van het verblijf in Nederland van de houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 is tijdelijk in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet, indien die verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdend met:

a. uitwisseling, al dan niet in het kader van een verdrag;

b. studie;

c. seizoenarbeid;

d. lerend werken;

e. arbeid in loondienst;

f. grensoverschrijdende dienstverlening;

g. arbeid als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel;

h. arbeid als kennismigrant;

i. verblijf als houder van de Europese blauwe kaart in de zin van richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan (PbEU L 155);

j. wetenschappelijk onderzoek in de zin van richtlijn 2005/71/EG;

k. arbeid als zelfstandige;

l. het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst;

m. verblijf als familie- of gezinslid bij een persoon die voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft;

n. medische behandeling;

o. het afwachten van een verzoek op grond van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap;

p. tijdelijke humanitaire gronden;

q. verblijf als vermogende vreemdeling als bedoeld in artikel 3.29a van het Vreemdelingenbesluit 2000.

2. Het doel van het verblijf van een houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, verleend onder een andere beperking dan bedoeld in het eerste lid, is tijdelijk in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet, indien zulks met toepassing van artikel 3.5, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 is bepaald.

3. Het doel van het verblijf van de houder van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onder b, c en d van de Vreemdelingenwet 2000 is niet tijdelijk in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet.

4. Bij regeling van Onze Minister kunnen de beperkingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, nader worden uitgewerkt.

Artikel 2.2

1. De inburgeringsplicht eindigt niet, indien de vreemdeling direct aansluitend op de periode waarin hij op grond van artikel 3, eerste lid, van de wet inburgeringsplichtig was of op de termijn, bedoeld in artikel 3.82, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet 2000 heeft verkregen. In deze gevallen wordt de inburgeringsplicht tijdens de termijn, bedoeld in artikel 3.82, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, geacht niet te zijn geŽindigd.

2. De inburgeringsplicht wordt geacht niet te zijn geŽindigd, indien de vreemdeling tussen twee tijdvakken waarin hij op grond van artikel 3, eerste lid, van de wet inburgeringsplichtig was, gedurende een tijdvak van maximaal een jaar:

a. geen ingezetene in de zin van de Wet basisregistratie personen was;

b. in Nederland verbleef voor een tijdelijk doel, of

c. zijn werkzaamheden als geestelijke bedienaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de wet heeft onderbroken.

Afdeling 2. Vrijstellingen

Artikel 2.3

1. Niet inburgeringsplichtig is degene die beschikt over:

a. het inburgeringsdiploma;

b. een op wettelijke basis uitgereikt diploma of getuigschrift van afronding van een opleiding van wetenschappelijk onderwijs, hoger beroepsonderwijs, algemeen voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs of leerlingwezen, na onderwijs te hebben gevolgd in de Nederlandse taal;

c. een diploma staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

d. een met een van de in onderdeel b genoemde diplomaís of getuigschriften vergelijkbaar diploma of ander document, behaald in het Nederlandstalig onderwijs in BelgiŽ, mits een voldoende is behaald voor het vak Nederlandse taal;

e. een met een van de in onderdeel b genoemde diplomaís of getuigschriften vergelijkbaar diploma of ander document, behaald in het Nederlandstalig onderwijs in Suriname, mits een voldoende is behaald voor het vak Nederlandse taal;

f. een diploma, certificaat of ander document, behaald in het Nederlandstalig onderwijs in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, of in Aruba, CuraÁao of Sint Maarten, ten bewijze van afronding van een bij regeling van Onze Minister aangewezen opleiding, mits een voldoende behaald is voor het vak Nederlandse taal;

g. het diploma van het Europees baccalaureaat van de Europese school, bedoeld in het Statuut van de Europese school (Trb. 1957, 246), voor zover dat baccalaureaat het vak Nederlands als eerste of tweede taal omvat en voor dat vak een voldoende is behaald;

h. het getuigschrift International Baccalaureate Middle Years Certificate, International General Certificate of Secondary Education of Internationaal Baccalaureaat, indien daartoe een cursus Engels-Nederlandstalig onderwijs of een cursus Internationaal Baccalaureaat met daarin het vak Nederlands is gevolgd en voor dat vak een voldoende is behaald;

i. het certificaat, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Wet inburgering nieuwkomers alsmede de verklaring van het regionaal opleidingencentrum op grond waarvan dat certificaat is afgegeven, indien uit die verklaring blijkt dat ten minste de volgende niveaus zijn behaald:

1į. niveau 2 voor de onderdelen Luisteren, Spreken, Lezen en Schrijven, en

2į. voor het onderdeel Maatschappij OriŽntatie:

Ė het niveau van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van die wet, of

Ė een score van de MO-Profieltoets van ten minste: 85%, indien die toets is afgelegd voor 1 september 2001, respectievelijk 80%, indien die toets is afgelegd na 31 augustus 2001;

j. het certificaat, bedoeld in de Regeling certificaat inburgering oudkomers, indien uit de vermelding daarop blijkt dat ten minste het niveau NT2 2 voor de onderdelen Luisteren, Spreken, Lezen en Schrijven is behaald;

k. het document, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit van 25 september 2012 tot wijziging van het Besluit inburgering en enkele andere besluiten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 432);

l. het inburgeringsdiploma, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Wet inburgering zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Wet inburgering en enkele andere wetten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 430).

2. Bij regeling van Onze Minister kan worden voorzien in vrijstelling van de inburgeringsplicht op grond van andere diplomaís, certificaten of documenten dan genoemd in het eerste lid.

Artikel 2.4

1. Van de verplichting om mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal te verwerven en de betreffende onderdelen van het inburgeringsexamen te behalen, is vrijgesteld de inburgeringsplichtige die beschikt over het certificaat, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Wet inburgering nieuwkomers, alsmede de verklaring van het regionaal opleidingencentrum op grond waarvan dat certificaat is afgegeven, indien uit die verklaring blijkt dat voor het onderdeel Nederlands als tweede taal ten minste niveau 2 van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal is behaald.

2. Van de verplichting om kennis van de Nederlandse samenleving te verwerven en het betreffende onderdeel van het inburgeringsexamen te behalen, is vrijgesteld de inburgeringsplichtige die beschikt over het certificaat, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Wet inburgering nieuwkomers, alsmede de verklaring van het regionaal opleidingencentrum op grond waarvan dat certificaat is afgegeven, indien uit die verklaring blijkt dat voor het onderdeel Maatschappij OriŽntatie is behaald:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Wet inburgering | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x