Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Drinkwaterwet

 

DRINKWATERREGELING

Tekst zoals deze geldt op 23 juli 2014

 

 

 

 
REGELING van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 14 juni 2011, nr. BJZ2011046947, houdende nadere regels met betrekking tot enige onderwerpen inzake de voorziening van drinkwater, warm tapwater en huishoudwater (Drinkwaterregeling)

     De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu;
     Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
     Gelet op Richtlijn nr. 98/83/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PbEG L 330), de artikelen 5, eerste lid, 39, eerste lid, 48, eerste lid, 62 en 64 van de Drinkwaterwet, de artikelen 1, 3, eerste lid, 6, tweede lid, 8, vierde lid, 8a, derde lid, 14, 26, 27, tweede lid, 30, eerste, vierde en vijfde lid, 55, 57, eerste lid, onderdeel a, en 59 van het Drinkwaterbesluit en artikel 14, derde lid, van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

     Besluit:

 

 

Artikel 1. Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

besluit: Drinkwaterbesluit;

eigen winning: collectieve watervoorziening waarbij de eigenaar van de voorziening voor de winning of behandeling van water, dat als drinkwater ter beschikking wordt gesteld, gebruik maakt van grondwater, oppervlaktewater, zeewater of een overeenkomstige grondstof of halffabrikaat, niet zijnde een voorziening voor de productie of distributie van water op een binnen het Nederlandse territoir of het Nederlandse deel van het continentale plat gelegen mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van de Mijnbouwwet;

Minister: Minister van Infrastructuur en Milieu;

wet: Drinkwaterwet;

wijkwarmtapwatervoorziening: collectieve watervoorziening voor de productie of distributie van warm tapwater, waarbij het distributienet in de bodem ligt.

 

Artikel 2. Versies van normerende documenten

1. Als tijdstip als bedoeld in artikel 1 van het besluit, geldt telkens: 1 juli 2011.

2. Als aanvullingen en correctiebladen als bedoeld in artikel 1 van het besluit worden aangewezen:

a. NEN 3650-1: NEN 3650-1: 2003;

b. NEN 3650-2: NEN 3650-2: 2003;

c. NEN 3650-3: NEN 3650-3: 2003;

d. NEN 3650-4: NEN 3650-4: 2003;

e. NEN 3650-5: NEN 3650-5: 2003;

f. NEN 3651: NEN 3651: 2003;

g. NEN 7171-1: NEN 7171-1: 2009;

h. NPR 7171-2: NPR 7171-2: 2009;

i. NEN-EN-ISO 9001: NEN-EN-ISO 9001:2008/C1:2009.

 

Artikel 3. Huishoudwater

1. De voorziening voor productie en distributie van huishoudwater voldoet aan de daaraan gestelde bepalingen in de onderdelen 4.7.2. en 4.7.3 van NEN 1006:2002/A3:2011.

2. De eigenaar van de voorziening voor productie en distributie van huishoudwater:

a. beschikt over actuele tekeningen en beschrijvingen van de installatie,

b. voert de beheersmaatregelen uit die zijn opgenomen in de gebruikershandleiding die door de leverancier van de installatie is verstrekt, en

c. houdt van de uitvoering van de beheersmaatregelen aantekening in een logboek, dat ter plaatste van de voorziening aanwezig is.

3. Het is de eigenaar van een drinkwaterbedrijf niet toegestaan om zonder daartoe door de Minister verleende ontheffing huishoudwater te produceren voor consumenten of andere afnemers of aan hen huishoudwater te leveren.

 

Artikel 4. Aanduiding distributiegebieden

Als distributiegebied van een drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 5 van de wet geldt het voor dat bedrijf in bijlage 1 bij deze regeling omschreven distributiegebied.

 

Artikel 5. Berekening gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet

Ten behoeve van de berekening van de gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet, overeenkomstig bijlage C van het besluit, hanteert de Minister de volgende uitgangspunten:

a. De risicovrije rente wordt gebaseerd op een nominale Nederlandse staatsobligatie met een looptijd van tien jaar, aan de hand van het gemiddelde gerealiseerde rendement over de voorafgaande twee jaren en de voorafgaande vijf jaren;

b. de renteopslag wordt gebaseerd op:

1°. de historische renteopslag van een geschikte groep van ondernemingen met activiteiten die vergelijkbaar zijn met die van de drinkwaterbedrijven en met een vergelijkbare kredietwaardigheid,

2°. de gemiddelde historische renteopslag op een index van obligaties van ondernemingen met een vergelijkbare kredietwaardigheid;

c. bovenop de renteopslag worden transactiekosten berekend;

d. de marktrisicopremie wordt gebaseerd op zowel historisch gerealiseerde rendementen als op verwachtingen over toekomstige rendementen;

e. de equity bčta wordt bepaald op basis van beursgenoteerde ondernemingen met vergelijkbare activiteiten en een vergelijkbaar risicoprofiel;

f. het aandeel eigen vermogen ten behoeve van de bepaling van de gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet wordt gebaseerd op gegevens over het aandeel eigen vermogen van ondernemingen die vergelijkbaar zijn met drinkwaterbedrijven, met een gezonde financiële positie.

 

Artikel 6. Berekening vermogenskosten

1. De maximaal toegestane vermogenskosten die de eigenaar van een drinkwaterbedrijf mag doorberekenen in het drinkwatertarief worden berekend als het product van de op grond van artikel 10, vierde lid, van het besluit vastgestelde vermogenskostenvergoeding en de activawaarde, bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de wet.

2. De activawaarde, bedoeld in het eerste lid, is het gemiddelde van het begrote totaal van de activa per 1 januari en 31 december van het jaar waarvoor de toegestane vermogenskosten worden berekend. Liquide middelen worden niet gerekend tot de activawaarde.

 

Artikel 7. Omstandigheden waaronder advies gevraagd wordt aan Autoriteit Consument en Markt

1. De Minister vraagt advies aan de Autoriteit Consument en Markt voorafgaande aan:

a. het afwijken, bedoeld in artikel 10, tweede lid, tweede volzin, van de wet,

b. de vaststelling van de gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet, bedoeld in artikel 10, derde lid, van de wet,

c. de beoordeling van een verzoek tot fusie als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, voor zover het de doelmatige drinkwatervoorziening, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet, in relatie tot de voorgenomen fusie betreft,

d. de vaststelling van de nadere regels, bedoeld in de artikelen 6, tweede lid, en 8, vierde lid, van het besluit,

e. de vaststelling van het maximaal toegestane aandeel eigen vermogen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het besluit.

2. De inspecteur vraagt bij de uitoefening van het toezicht op de naleving van artikel 12, derde lid, van de wet en van paragraaf 2.1 van het besluit advies aan de Autoriteit Consument en Markt.

 

Artikel 8. Fusieverzoek in relatie tot prestatievergelijking

(gereserveerd)

 

Artikel 9. Eisen aan degene die monstername en analyse doet

1. Het nemen en analyseren van

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Drinkwaterwet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x