Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd)

 

VRIJSTELLINGSREGELING  DIERENWELZIJN

Tekst zoals deze geldt op 25 januari 2014

Vervallen m.i.v. 1 juli 2014

 

 

 

 
     De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
     Gelet op artikel 107 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;

     Besluit:

 

 

Hoofdstuk I. Ingrepen

 

Artikel 1

1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

a. jonge moederdieren: moederdieren met een leeftijd van:

1°. maximaal 32 weken wanneer het dieren van vleeskuikenrassen betreft of

2°. maximaal 30 weken wanneer het dieren van legkippenrassen betreft;

b. infraroodmethode: methode waarbij de snavel van een dier wordt verkort door middel van het gebruik van infraroodstraling.

2. Van de verboden ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en artikel 4, eerste lid, van het Ingrepenbesluit wordt, voor zover aan artikel 3 van dat besluit wordt voldaan, vrijstelling verleend tot 1 september 2021 voor het verrichten van de ingrepen:

a. bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen e en f, van het Ingrepenbesluit, voor zover het betreft het verwijderen van een deel van de achterste teen en de sporen bij mannelijke kippen bestemd voor de fokkerij, waarvan de nakomelingen gewoonlijk worden gehouden voor de menselijke consumptie;

b. bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel g, van het Ingrepenbesluit, voor zover het betreft het verkorten van de boven- en ondersnavel bij kippen of kalkoenen die worden gehouden of bestemd zijn om te worden gehouden in een huisvestingssysteem waarin de kippen of kalkoenen zich vrijelijk over de vloer van de stal of op en naar verschillende niveaus binnen de stal kunnen bewegen of in een aangepast kooihuisvestingssysteem;

c. bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van het Ingrepenbesluit, voor zover het betreft het verwijderen van kammen bij mannelijke kippen bestemd voor de fokkerij, waarvan de nakomelingen gewoonlijk worden gehouden voor het leggen van eieren bestemd voor de menselijke consumptie.

3. Bij het verrichten van de ingreep, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt met ingang van 1 oktober 2011 gebruik gemaakt van de infraroodmethode om de snavels te verkorten, met uitzondering van gevallen waarin:

1°. de kuikens zijn geïmporteerd en waarvan in het land van herkomst de snavel niet is verkort;

2°. de kuikens nakomelingen zijn van jonge moederdieren.

4. In afwijking van het tweede lid wordt van de verboden ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en artikel 4, tweede lid, van het Ingrepenbesluit, voor zover aan artikel 3 van dat besluit wordt voldaan en voor zover de ingrepen worden verricht bij dieren die worden gehouden of aantoonbaar bestemd zijn om te worden gehouden in een huisvestingssysteem waarvan de gebruiker kan aantonen dat het op 1 september 2001 reeds bestond en nadien niet is herbouwd of verbouwd, vrijstelling verleend tot 1 september 2021 voor het verrichten van de ingrepen:

a. bedoeld in artikel 2, eerste lid onderdeel g, van het Ingrepenbesluit, waarbij het derde lid van overeenkomstige toepassing is;

b. bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van het Ingrepenbesluit.

5. Van de verboden ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en artikel 4, tweede lid, van het Ingrepenbesluit, die worden gehouden of aantoonbaar bestemd zijn om te worden gehouden in een huisvestingssysteem waarvan de gebruiker kan aantonen dat het op 1 september 2001 reeds bestond en nadien niet is herbouwd of verbouwd, wordt vrijstelling verleend tot 1 september 2021 voor het verrichten van de ingreep, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel s, van het Ingrepenbesluit.

 

Artikel 1a

Van het verbod ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren wordt, voor zover aan artikel 3 van het Ingrepenbesluit wordt voldaan, vrijstelling verleend tot het moment waarop een besluit als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onderdeel b, van de Wet dieren, is vastgesteld en in werking treedt voor zover het betreft het verwijderen van een deel van de staart bij ooien, van de rassen Suffolk, Hampshire Down en Clun Forest, mits:

a. deze ingreep uiterlijk een week na de geboorte plaatsvindt en

b. documenten kunnen worden overgelegd waaruit blijkt dat de ouderdieren van de ooien zijn ingeschreven bij:

1°. een organisatie die het stamboek van genoemde rassen bijhoudt, of

2°. een organisatie die niet zelf het stamboek voor genoemde rassen bijhoudt, maar die aantoont dat zij de beginselen die zijn vastgelegd door de organisatie of vereniging die het oorspronkelijke stamboek voor genoemde rassen bijhoudt, in acht neemt.

 

Artikel 2

Van de verboden ingevolge artikel 40, eerste lid, van de wet en artikel 4, derde lid, van het Ingrepenbesluit wordt, voor zover aan artikel 3 van dat besluit wordt voldaan, vrijstelling verleend:

a. tot 1 juli 2014, voor het verrichten van de ingreep, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van het Ingrepenbesluit voor zover het betreft het aanbrengen van één oormerk in een oor bij zeugen en gelten kennelijk bestemd voor de fokkerij ten behoeve van herkenning van het dier bij het voederen in groepshuisvesting naast de bij of krachtens enig ander wettelijk voorschrift voorgeschreven of toegestane identificatie-ingrepen;

b. tot 1 september 2016 voor de ingreep, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van het Ingrepenbesluit, voor zover het betreft het subcutaan of intramusculair aanbrengen van micro-electronica bij honden en katten, naast de bij of krachtens enig ander wettelijk voorschrift voorgeschreven of toegestane identificatie-ingrepen;

c. tot het moment waarop een besluit als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onderdeel b, van de Wet dieren, is vastgesteld en in werking treedt voor het verrichten van de ingreep, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel l, van het Ingrepenbesluit voor zover het betreft het eenmalig vriesbranden van runderen, naast de bij of krachtens enig ander wettelijk voorschrift voorgeschreven of toegestane identificatie-ingrepen.

 

Artikel 3

Van de verboden ingevolge artikel 41 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren wordt vrijstelling verleend, voor zover het paarden betreft waarbij een deel van de staart is verwijderd mits de ingreep is verricht voor 1 september 2001.

 

Hoofdstuk II. Honden en katten

 

Artikel 4

De beheerder van een bedrijfsinrichting of een asiel is vrijgesteld van de in artikel 20, eerste, tweede en derde lid, van het Honden- en kattenbesluit 1999 bedoelde verplichtingen.

 

Artikel 5

De beheerder van een bedrijfsinrichting of een asiel is vrijgesteld van de in artikel 23, eerste lid, van het Honden- en kattenbesluit 1999 bedoelde verplichting.

 

Hoofdstuk III. Varkens

 

Artikel 6

1. Artikel 4, tweede lid, van het Varkensbesluit, is niet van toepassing op een stal bestemd voor gespeende varkens, gebruiksvarkens en niet in een groep gehouden gelten en zeugen, die na 1 november 1998 in gebruik is genomen of die vóór die datum in gebruik is genomen en na die datum is verbouwd of herbouwd.

2. De voor varkens beschikbare oppervlakte van een stal als bedoeld in het eerste lid bedraagt tenminste per varken met een gemiddeld gewicht:

a. tot 15 kg: 0,20 m²;

b. van 15 tot 30 kg: 0,30 m²;

c. van 30 tot 50 kg: 0,50 m²;

d. van 50 tot 85 kg: 0,65 m²;

e. van 85 tot 110 kg: 0,80 m²;

f. meer dan 110 kg: 1,0 m².

 

Artikel 7

1.Artikel 5, derde lid, van het Varkensbesluit, is niet van toepassing op een stal als bedoeld in artikel 6, eerste lid.

2.Indien de vloer van de in het eerste lid bedoelde stal gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt de oppervlakte van het dichte deel van de voor varkens beschikbare vloer tenminste 40% van de ingevolge artikel 6, tweede lid, minimaal voorgeschreven beschikbare oppervlakte.

 

Artikel 8

1. Artikel 19, tweede lid, van het Varkensbesluit is niet van toepassing op een stal bestemd voor gespeende varkens, gebruiksvarkens en niet in een groep gehouden gelten en zeugen, die voor 1 november 1998 in gebruik is genomen en na die datum niet is verbouwd of herbouwd.

2. De voor varkens beschikbare oppervlakte van een stal als bedoeld in het eerste lid bedraagt tot 1 januari 2013 ten minste per varken met een gemiddeld gewicht:

a. tot 15 kg: 0,20 m2;

b. van 15 tot 30 kg: 0,30 m2;

c. van 30 tot 50 kg: 0,50 m2;

d. van 50 tot 85 kg: 0,60 m2;

e. van 85 tot 110 kg: 0,70 m2;

f. meer dan 110 kg: 1,0 m2.

3. De voor varkens beschikbare oppervlakte van een stal als bedoeld in het eerste lid bedraagt vanaf 1 januari 2013 ten minste per varken met een gemiddeld gewicht:

a. tot 15 kg: 0,20 m2;

b. van 15 tot 30 kg: 0,30 m2;

c. van 30 tot 50 kg: 0,50 m2;

d. van 50 tot 85 kg: 0,65 m2;

e. van 85 tot 110 kg: 0,80 m2;

f. meer dan 110 kg: 1,0 m2.

4. Indien de vloer van de in het eerste lid bedoelde stal gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt de oppervlakte van het dichte deel van de voor varkens beschikbare vloer ten minste 40% van de ingevolge het tweede of derde lid minimaal voorgeschreven beschikbare oppervlakte.

 

Hoofdstuk IV. Ritueel Slachten

 

Artikel 9

1.Artikel 44, vierde tot en met zevende lid en achtste lid, onderdeel b, voor wat betreft de tweede volzin, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is niet van toepassing op een op grond van artikel 4 van verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (pbEG L 226), door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit erkende inrichting die voorafgaand aan het slachten aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit meldt dat in de inrichting dieren volgens de islamitische of israëlitische ritus zullen worden geslacht.

2.De melding, bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan op een daartoe door de Voedsel en Waren Autoriteit beschikbaar gesteld formulier, waarvan een model op www.vwa.nl zal worden geplaatst.

3.Inrichtingen die op grond van de Regeling aanwijzing slachtinrichtingen 2004 zijn aangewezen om dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de islamitische of israëlitische ritus te slachten en inrichtingen die door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn aangewezen om tijdens het islamitisch offerfeest in 2006 dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de islamitische ritus te slachten, hebben een melding als bedoeld in het eerste lid gemaakt.

4.Het eerste lid is niet van toepassing op een inrichting waarin, vanaf de dag waarop is gemeld dat in die inrichting dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de islamitische of israëlitische ritus zullen worden geslacht, dan wel voor wat betreft een inrichting als bedoeld in het derde lid vanaf de dag waarop deze regeling in werking treedt, meer dan een jaar geen dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de islamitische of israëlitische ritus zijn geslacht.

 

Hoofdstuk V. Dierentuinen

 

Artikel 10

Van het verbod van artikel 3 van het Dierentuinenbesluit wordt vrijstelling verleend aan:

a. inrichtingen die voldoen aan elk van de volgende voorwaarden:

1°. er worden naast ten hoogste 10 wilde diersoorten, in hoofdzaak diersoorten, genoemd in de bijlage bij het Besluit aanwijzing productie dieren, gehouden;

2°. de dieren worden niet tijdelijk of langdurig opgevangen ten behoeve van de verzorging of de verpleging.

b. inrichtingen die voldoen aan elk van de volgende voorwaarden:

1°. er worden ten hoogste 10 wilde diersoorten gehouden;

2°. de dieren worden niet tijdelijk of langdurig opgevangen ten behoeve van de verzorging of de verpleging;

3°. het tentoonstellen van de dieren aan het publiek is van ondergeschikt belang voor de inrichting.

c. inrichtingen waar de dieren tijdelijk en ten hoogste 12 maanden worden opgevangen ten behoeve van de verzorging of verpleging van de dieren en waar de dieren na het verstrijken van de periode van 12 maanden weer in vrijheid worden gesteld of elders worden ondergebracht.

 

Hoofdstuk VI. Sledehondensport

 

Artikel 11

1.Van het verbod, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren wordt vrijstelling verleend voor zover het betreft het gebruik van honden als trekkracht, bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder d, in verband met de uitoefening van de sledehondensport, mits bij de honden geen pijn of letsel wordt veroorzaakt en de gezondheid of het welzijn van de honden niet wordt benadeeld.

2.Het eerste lid is slechts van toepassing op het gebruik van honden behorend tot de volgende rassen:

a. Alaskan Malamute;

b. Eskimohond;

c. Groenlandse hond;

d. Samojeed;

e. Siberian husky.

 

Hoofdstuk VII. Viskweek

 

Artikel 12

Van het bepaalde in artikel 34 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren wordt vrijstelling verleend met betrekking tot de volgende diersoorten en dieren:

a. steur (Acipenser spp.);

b. tong (Solea spp.);

c. garnaal (Penaeus vannamei);

d. Beluga steur (Huso huso);

e. Heterobranchus longifilis x Clarias gariepinus;

f. Seriola spp.

 

Hoofdstuk VIIa. Biotechnologie

 

Artikel 12a

Van het verbod, gesteld in artikel 66, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, wordt vrijstelling verleend voor zover de in dat artikel bedoelde wijzigingen of toe te passen biotechnologische technieken onderdeel uitmaken van een dierproef als bedoeld in de Wet op de dierproeven ten behoeve van biomedisch onderzoek ofwel worden verricht ten behoeve van biomedisch onderzoek op ongewervelde dieren of embryo’s van dieren.

 

Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen

 

Artikel 13

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 september 2001.

 

Artikel 14

Deze regeling kan worden aangehaald als: Vrijstellingsregeling dierenwelzijn.

 

 

     Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
L.J. Brinkhorst
.

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Gwwd | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x