St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Zeevaartbemanningswet

 

BESLUIT  ZEEVAARTBEMANNING  HANDELSVAART  EN  ZEILVAART

Tekst zoals deze geldt op 25 juli 2013
Volgende actualisering: januari 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 23 augustus 2001, houdende bepalingen omtrent de bemanning van zeeschepen in de handelsvaart en de zeilvaart (Besluit zeevaartbemanning handelsvaart en zeilvaart)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 augustus 2000, kenmerk DGG/J-00/004155, Directoraat-Generaal Goederenvervoer, Stafafdeling Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Zaken;
     Gelet op de artikelen 16, 18, derde, vierde, vijfde en zesde lid, 19, eerste lid, 22, eerste lid, 25, eerste lid, 34, eerste lid, 36, 44, eerste lid, 64 en 71, eerste en vierde lid, van de Zeevaartbemanningswet, de artikelen 5, eerste lid, en 24, eerste lid, onderdeel e, van de Loodsenwet, artikel 10, tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet, het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Internationale verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978 (Trb. 1981, 144), zoals dat is gewijzigd op 7 juli 1995 (Trb. 1996, 249), Hoofdstuk III, voorschrift 10, en voorschrift 24-1.3, Hoofdstuk IV, voorschrift 16, Hoofdstuk V, voorschrift 13, onderdeel (c), en Hoofdstuk X, voorschrift 1, 2 en 3, van het op 1 november 1974 te Londen tot stand gekomen Internationale verdrag tot beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals dat is gewijzigd op 23 mei 1994 (Trb.1996, 18), Richtlijn nr. 94/58/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 november 1994 inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden (PbEG L 319), Richtlijn nr.98/35/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 mei 1998 tot wijziging van Richtlijn 94/58/EG inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden (PbEG L 172), artikel 10, zesde lid, van de Algemene wet erkenning EG-hogeronderwijsdiploma's, artikel 13 van de Algemene wet EG-beroepsopleidingen, Richtlijn nr. 92/29/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen (PbEG L113), het op 27 juni 1946 te Seattle tot stand gekomen Verdrag nr. 69 van de Internationale Arbeidsconferentie inzake het diploma van bekwaamheid als scheepskok, 1946 (Stb. I 328), het op 27 juni 1946 te Seattle tot stand gekomen Verdrag No. 73 van de Internationale Arbeidsconferentie inzake het geneeskundig onderzoek van zeelieden, 1946 (Stb. I 326) en het op 27 juni 1946 te Seattle tot stand gekomen Verdrag nr. 74 van de Internationale Arbeidsconferentie inzake de diplomering van volmatrozen (Stb. I 330);
     De Raad van State gehoord (advies van 3 november 2000, nr. W09.00 0378/V);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 17 augustus 2001, kenmerk DGG/J-01/005164, Directoraat-Generaal Goederenvervoer, Stafafdeling Wetgeving en Juridische Zaken;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk 1. Definities

 

Artikel 1

1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. de wet: de Zeevaartbemanningswet;

b. ervaring: de diensttijd in jaren, in een bepaalde functie aan boord van in de vaart zijnde zeeschepen, gerekend met ingang van de dag van aanmonstering tot en met de dag van afmonstering;

c. voortstuwingsvermogen: het maximale vermogen, uitgedrukt in kiloWatt, dat op het geldige bemanningscertificaat is vermeld;

d. reizen nabij de kust: het gebruik van een schip met een bruto-tonnage van minder dan 500 GT en een voorststuwingsvermogen van minder dan 3000 kW, in een vaargebied dat zich uitstrekt tot dertig zeemijlen uit de kust, met dien verstande dat het schip ten hoogste twaalf uren varen verwijderd is van een op het geldige bemanningscertificaat met name genoemde werkhaven en nooit verder verwijderd is dan zes uren varen vanaf een beschutte haven of rede;

e. reizen nabij de kust zonder beperking in voortstuwingsvermogen:

het gebruik van een schip met een bruto tonnage van minder dan 500 GT en een voortstuwingsvermogen van 3000 kW of meer in een vaargebied dat zich uitstrekt tot dertig zeemijlen uit de kust, met dien verstande dat het schip ten hoogste twaalf uren varen verwijderd is van een op het geldige bemanningscertificaat met name genoemde werkhaven en nooit verder verwijderd is dan zes uren varen vanaf een beschutte haven of rede;

f. tankschip: een schip, gebouwd of aangepast en gebruikt voor het vervoer in bulk van vloeibare producten;

g. olietankschip: een tankschip gebouwd en gebezigd voor het vervoer in bulk van aardolie of aardolieproducten;

h. chemicaliëntankschip: een tankschip gebouwd en gebezigd voor het vervoer in bulk van vloeibare producten die zijn opgenomen in hoofdstuk 17 van de Internationale Code inzake het vervoer van chemicaliën in bulk;

i. gastankschip: een tankschip gebouwd en gebezigd voor het vervoer in bulk van vloeibaar gemaakt gas of ander product dat is opgenomen in hoofdstuk 19 van de Internationale Code inzake het vervoer van vloeibaar gemaakt gas;

j passagiersschip: een schip bestemd of gebezigd voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan twaalf passagiers;

k. ro-ro passagiersschip: een passagiersschip met ruimten voor ro-ro lading of ruimten van bijzondere aard, zoals bedoeld in Hoofdstuk II-2/A van het SOLAS-verdrag;

l. hogesnelheidsvaartuig: een schip dat is staat is zich voort te bewegen met een snelheid in meters per seconde die gelijk of groter is dan 3,7 ▿ 0,1667, waarbij ▿ staat voor de waterverplaatsing in m3 op de ontwerpwaterlijn.

m. zeilschip: een schip dat bestemd is en ingericht is om hoofdzakelijk door middel van zeilen te worden voortbewogen;

n. STCW-Verdrag: het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978 (Trb. 1981, 144);

o. STCW-Code: de Code inzake opleiding, diplomering en wachtdienst van zeevarenden, behorend bij het STCW-Verdrag (Trb. 1996, 249);

p. geneeskundige verklaring: een verklaring als bedoeld in artikel 104;

q. Medisch Adviseur Scheepvaart: de medisch adviseur scheepvaart van Onze Minister of diens plaatsvervanger;

r. kW: kiloWatt;

s. GT: de bruto inhoud van het schip, vastgesteld volgens de bepalingen krachtens de Meetbrievenwet 1981;

t. lengte: de lengte van een zeilschip die gelijk is aan 96 procent van de lengte van de lastlijn op 85 procent van de kleinste holte naar de mal gemeten vanaf de bovenzijde van de kielplaat, dan wel gelijk is aan de lengte van de voorzijde van de voorsteven tot aan de hartlijn van de roerkoning gemeten op deze lastlijn, indien deze laatste lengte groter is.

u. kennisbewijs: het diploma of certificaat afgegeven door een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) dan wel een getuigschrift of verklaring afgegeven door een instelling als bedoeld in de Wet hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) of een certificaat afgeven door een door Onze Minister erkende opleiding waaruit blijkt dat een erkende opleiding met goed gevolg is afgesloten;

v. High-Speed Craft Code: de ingevolge hoofdstuk X van het SOLAS-verdrag toepasselijke High-Speed Craft Code;

w. aannemersmaterieel: schepen gebruikt voor het uitvoeren van bagger-, kust- en oeverwerken, met inbegrip van schepen gebruikt voor de bevoorrading van op zee gelegen mijnbouwinstallaties en sleepboten, mits gebruikt binnen een afstand gelegen binnen 200 zeemijlen vanuit een met name genoemde werkhaven;

x. SOLAS-verdrag: het op 1 november 1974 te Londen totstandgekomen Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157) en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en bijlagen.

2. Een werkhaven als bedoeld in dit besluit beschikt 24 uur per dag over nautische en technische ondersteuning ten behoeve van schepen die in gebruik zijn als aannemersmaterieel.

 

Artikel 2

Dit besluit is niet van toepassing ten aanzien van vissersvaartuigen en zeilvaartuigen met een lengte van minder dan 12 meter.

 

Hoofdstuk 2. Regels voor het geven van een ontheffing

 

Artikel 3

1. Op verzoek van de scheepsbeheerder kan Onze Minister ontheffing verlenen van de verplichting om het schip te bemannen in overeenstemming met het bemanningscertificaat indien blijkt dat:

a. korte tijd voor het vertrek van het schip uit de haven een of meer leden van de bemanning niet beschikbaar zijn;

b. dringende omstandigheden ertoe nopen het vertrek niet langer uit te stellen, en

c. met de aan boord aanwezige bemanning, gelet op de bijzonderheden van de reis, het schip zonder gevaar voor het schip of andere zaken, voor personen, het milieu of de scheepvaart deze reis kan ondernemen.

2. Op verzoek van de scheepsbeheerder kan Onze Minister een ontheffing als bedoeld in artikel 25 van de wet verlenen, indien:

a. er onvoldoende bemanningsleden, in het bezit van de vereiste kwalificaties, voorhanden zijn,

b. de ontheffing verleend wordt aan een bemanningslid dat in het bezit is van het vaarbevoegdheidsbewijs dat vereist is voor de relevante lagere functie, en

c. met de aan boord aanwezige bemanning, gelet op de bijzonderheden van de reis, het schip zonder gevaar voor het schip of andere zaken, voor personen, het milieu of de scheepvaart deze reis kan ondernemen.

3. Een ontheffing als bedoeld in artikel 25 van de wet wordt voor de functie van kapitein of hoofdwerktuigkundige slechts gegeven in zeer bijzondere omstandigheden die niet het gevolg zijn van het handelen of het nalaten te handelen van de zijde van de scheepsbeheerder en indien gedurende korte tijd de vervulling van die functie door een bemanningslid met een lagere bevoegdheid noodzakelijk is voor de voortzetting van de reis, en de veiligheid van het schip en de opvarenden, de veilige vaart ter zee en de bescherming van het mariene milieu gewaarborgd zijn.

 

Hoofdstuk 3. Nadere regels aangaande vaarbevoegdheidsbewijzen

 

§ 1. Algemene bepalingen

 

Artikel 4

1. De vaarbevoegdheden genoemd in dit besluit zijn niet geldig op vissersvaartuigen.

2. De vaarbevoegdheden alle schepen zijn geldig op alle schepen.

3. De vaarbevoegdheden als

1. eerste maritiem officier kleine schepen, en

2. maritiem officier kleine schepen zijn uitsluitend geldig op schepen van minder dan 3000 GT en een voorstuwingsvermogen van minder dan 3000 kW.

4. De vaarbevoegdheden als kapitein tot 3000 GT en eerste stuurman tot 3000 GT zijn uitsluitend geldig op schepen van minder dan 3000 GT.

5. De vaarbevoegdheden als

1. hoofdwerktuigkundige tot 3000 kW, en

2. tweede werktuigkundige tot 3000 kW zijn uitsluitend geldig op schepen met een voortstuwingsvermogen van minder dan 3000 kW.

6. De vaarbevoegdheden zijn alleen geldig aan boord van olietankschepen, chemicaliën-tankschepen, gastankschepen, stoomschepen, zeilschepen of op een andere bij regeling van Onze Minister aan te wijzen categorie van schepen, indien dit uitdrukkelijk op het vaarbevoegdheidsbewijs is aangegeven.

7. Een vaarbevoegdheid is uitgebreid of beperkt tot een bepaalde categorie schepen, een bepaald bruto-tonnage, een bepaald voortstuwingsvermogen respectievelijk een bepaald vaargebied, indien deze uitbreiding respectievelijk beperking uitdrukkelijk op het vaarbevoegdheidsbewijs is opgenomen.

 

Artikel 5

Bij regeling van Onze Minister wordt bepaald op welke wijze de in artikel 4, genoemde aanvullingen dan wel beperkingen op vaarbevoegdheidsbewijzen worden aangebracht.

 

Artikel 6

1.Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald wordt de ervaring of diensttijd uitgedrukt in jaren en behaald in ten minste de functie van wachtstuurman, wachtwerktuigkundige of maritiem officier.

De functie van maritiem officier houdt in het afwisselend verantwoordelijk zijn voor de wacht op de brug dan wel aan dek, of in de machinekamer.

2.Bij regeling van Onze Minister wordt bepaald:

a. aan boord van welke categorieën schepen de ervaring voor een bepaalde vaarbevoegdheid wordt opgedaan;

b. aan boord van welke grootte klasse of het voortstuwingsvermogen van schepen de ervaring moet zijn opgedaan, en

c. welke ervaring, niet opgedaan aan boord van schepen, in aanmerking wordt genomen.

 

Artikel 7

Een vaarbevoegdheidsbewijs, met uitzondering van dat voor gezellen, is geldig tot ten hoogste vijf jaar na de datum van afgifte.

 

Artikel 8

1. Een vaarbevoegdheidsbewijs wordt afgegeven indien de aanvrager aantoont te voldoen aan de ingevolge dit besluit vereiste kennis en ervaring, mits het kennisbewijs ten hoogste vier jaar voor het indienen van de aanvraag is afgegeven.

2. Een vaarbevoegdheidsbewijs of een aanvulling daarop kan vernieuwd worden, indien de houder in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing ten minste één jaar heeft dienstgedaan in een naar het oordeel van Onze Minister relevante functie waarvoor een vaarbevoegdheid is vereist en die door de houder op grond van de aan hem toegekende vaarbevoegdheden mocht worden vervuld, dan wel in een andere, bij regeling van Onze Minister vastgestelde, daarmee vergelijkbare functie.

3. In het geval van vernieuwing als genoemd in het tweede lid, wordt het vaarbevoegdheidsbewijs dat is vernieuwd, ingenomen of zonodig ongeldig gemaakt.

4. Een vaarbevoegdheidsbewijs, dat door verloop van de geldigheidsduur ongeldig is geworden, en dat niet op grond van het tweede lid kan worden vernieuwd, wordt op verzoek vernieuwd indien de aanvrager direct voorafgaand aan de aanvraag:

a. een daartoe door Onze Minister erkende opleiding heeft gevolgd en met succes heeft afgesloten;

b. gedurende drie maanden in een naar het oordeel van Onze Minister relevante functie boven de sterkte heeft gevaren, of

c. op grond van een ontheffing, gedurende ten minste drie maanden in een naar het oordeel van Onze Minister relevante, maar lagere functie heeft gevaren dan waarvoor zijn ongeldig geworden vaarbevoegdheidsbewijs gold.

5. Een vaarbevoegdheidsbewijs dat verloren is gegaan kan worden vervangen door een duplicaat vaarbevoegdheidsbewijs, waarvan de einddatum overeenkomt met de einddatum op het originele document.

6. Indien de aanvrager van een duplicaat aanspraak kan maken op vernieuwing van het vaarbevoegdheidsbewijs, wordt hem desgevraagd met inachtneming van het tweede lid een vaarbevoegdheidsbewijs afgegeven.

7. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing indien de eerste aanvraag van een vaarbevoegdheidsbewijs niet is ingediend binnen vier jaar na de datum waarop het kennisbewijs van de opleiding is afgegeven.

8. De kosten van de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs of een duplicaat-vaarbevoegdheidsbewijs worden bij de aanvraag voldaan.

 

Artikel 9

1.Onze Minister erkent een vaarbevoegdheidsbewijs, diploma of certificaat dat is afgegeven door een bevoegde autoriteit van een staat, niet zijnde een Lid-Staat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de Bondsstaat Zwitserland, indien ten aanzien van dat vaarbevoegdheidsbewijs, diploma of certificaat wordt voldaan aan de criteria, bedoeld in artikel 19, eerste tot en met zesde lid, van richtlijn nr. 2008/106/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 november 2008 inzake het minimum opleidingsniveau van zeevarenden (PbEU L 323).

2.Onze Minister kan tot 1 februari 2002 ten behoeve van zeevarenden die voor 1 augustus 1998 met hun opleiding of dienst aan boord zijn begonnen, andere criteria hanteren dan die genoemd in artikel 9, derde lid van de in het eerste lid genoemde richtlijn voor de erkenning van hun diploma of vaarbevoegdheidsbewijs.

3.Indien een vaarbevoegdheidsbewijs, diploma of certificaat wordt erkend als gelijkwaardig aan een vaarbevoegdheidsbewijs met inachtneming van artikel 4 wordt aan de aanvrager het overeenkomstige Nederlandse vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning afgegeven.

4.Voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs als kapitein, eerste stuurman of hoofdwerktuigkundige legt de aanvrager het certificaat Wetgeving en Openbaar Gezag over.

5.Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op vaarbevoegdheidsbewijzen van gezellen.

 

Artikel 10

Voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs als kapitein, eerste stuurman of hoofdwerktuigkundige op grond van artikel 22a van de wet legt de aanvrager het in artikel 92a genoemde certificaat Wetgeving en Openbaar Gezag over.

 

§ 2. Algemene bepalingen inzake kennisbewijzen en ervaring

 

Artikel 11

1.De kennisbewijzen voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs om daarmee dienst te kunnen doen aan boord van schepen in de functie van kapitein, maritiem officier of stuurman zijn in neerdalende lijn:

a. hoger maritiem officier;

b. middelbaar maritiem officier; baggeraar-stuurman of wachtstuurman;

c. stuurman-werktuigkundige kleine schepen of stuurman tot 3000 GT;

d. schipper-machinist beperkt werkgebied.

2.

a. Met het kennisbewijs middelbaar maritiem officier wordt voor de verkrijging van een vaarbevoegdheidsbewijs gelijkgesteld het diploma als derde stuurman voor de grote handelsvaart tezamen met het diploma A als scheepswerktuigkundige.

b. Met het kennisbewijs wachtstuurman wordt voor de verkrijging van een vaarbevoegdheids-bewijs gelijkgesteld het kennisbewijs stuurman grote zeilvaart tezamen met het kennisbewijs aanvulling stuurman handelsvaart.

3.De diploma's, bedoeld in de Wet op de zeevaartdiploma's voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs om daarmee dienst te kunnen doen aan boord van schepen in de functie van kapitein of stuurman zijn in neerdalende lijn:

a. diploma als eerste stuurman voor de grote handelsvaart;

b. diploma als tweede stuurman voor de grote handelsvaart;

c. diploma als stuurman voor de grote sleepvaart;

d. diploma als derde stuurman voor de grote handelsvaart.

4.Met het diploma als derde stuurman voor de grote handelsvaart wordt voor de verkrijging van een vaarbevoegdheidsbewijs gelijkgesteld het diploma als stuurman voor de kleine handelsvaart tezamen met het aanvullingsdiploma als stuurman voor de kleine handelsvaart.

5.Voor de dienst aan boord van zeilschepen wordt met het kennisbewijs wachtstuurman in combinatie met het certificaat grote zeilvaart, bedoeld in artikel 86 van dit besluit, gelijkgesteld het kennisbewijs grote zeilvaart.

 

Artikel 12

1.De kennisbewijzen voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs om daarmee dienst te kunnen doen aan boord van schepen in de functie van maritiem officier of werktuigkundige zijn in neerdalende lijn:

a. hoger maritiem officier;

b. middelbaar maritiem officier; baggeraar-machinist of wachtwerktuigkundige;

c. stuurman-werktuigkundige kleine schepen of werktuigkundige tot 3000 kW;

d. schipper-machinist beperkt werkgebied.

2.De diploma's, bedoeld in de Wet op de zeevaartdiploma's voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs om daarmee dienst te kunnen doen aan boord van schepen in de functie van werktuigkundige zijn in neerdalende lijn:

a. diploma C als scheepswerktuigkundige;

b. diploma B als scheepswerktuigkundige;

c. diploma A als scheepswerktuigkundige;

d. diploma als motordrijver.

3.Met het diploma als motordrijver worden voor de verkrijging van een vaarbevoegdheidsbewijs gelijkgesteld: het diploma als assistent scheepswerktuigkundige, het voorlopig diploma als scheepswerktuigkundige, alsmede het diploma als motordrijver zeevisvaart en het diploma voor de zeevisvaart W IV-v, uitgereikt krachtens de Wet op de Zeevischvaartdiploma's, Stb. 1935, 455.

 

Artikel 13

1.Het kennisbewijs voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs om daarmee dienst te kunnen doen in de functie van kapitein of eerste stuurman van schepen op reizen nabij de kust, is het kennisbewijs als schipper-machinist beperkt werkgebied en het kennisbewijs als stuurman-werktuigkundige voor de zeevisvaart SW 5.

2.De diploma's voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs om daarmee dienst te kunnen doen in de functie van kapitein of stuurman van schepen op reizen nabij de kust, zijn het diploma als stuurman voor de kleine handelsvaart, het diploma als stuurman voor de kustsleepvaart, het diploma als stuurman voor de beperkte kleine handelsvaart, alsmede het diploma voor de zeevisvaart SW V.

 

§ 3. Kennisbewijzen, ervaring en bevoegdheden

 

Artikel 14

Onverminderd artikel 8, geeft het bezit van het kennisbewijs als hoger maritiem officier of als middelbaar maritiem officier de aanvrager recht op het vaarbevoegdheidsbewijs voor alle schepen als:

1.

a. maritiem officier;

b. wachtstuurman; en

c. eerste stuurman tot 3000 GT, indien hij in het bezit is van

i. het algemeen certificaat voor de maritieme radiocommunicatie, en

ii. de leeftijd heeft bereikt van 18 jaar;

d. wachtwerktuigkundige, indien hij de leeftijd heeft bereikt van 18 jaar;

e. tweede werktuigkundige tot 3000 kW, indien hij de leeftijd heeft bereikt van 18 jaar en een diensttijd heeft van een jaar als werktuigkundige of als assistent-werktuigkundige in het kader van een opleiding tot maritiem officier;

2. eerste stuurman, indien hij naast het genoemde in 1, onderdeel c, onder i, in het bezit is van

i. het certificaat radarnavigator;

ii. het certificaat scheepsmanagement-N, en

iii. een diensttijd heeft van twee jaar als stuurman of maritiem officier;

3. tweede werktuigkundige, indien hij een diensttijd heeft van een jaar als maritiem officier, werktuigkundige of als assistent-werktuigkundige in het kader van een opleiding tot maritiem officier;

4. hoofdwerktuigkundige, indien hij in het bezit is van

i. het certificaat scheepsmanagement-W, en

ii. een diensttijd heeft van vier jaar als werktuigkundige of maritiem officier, waarvan ten minste een jaar als tweede werktuigkundige of eerste maritiem officier;

5. eerste maritiem officier, indien hij naast het genoemde in 1, onderdeel c, onder i, 2, onder i en ii, 4, onder i, een diensttijd heeft van drie jaar als maritiem officier;

6. kapitein, indien hij naast het genoemde in 1, onderdeel c, onder i, 2, onder i en ii, een diensttijd heeft van vier jaar als stuurman of maritiem officier, waarvan ten minste een jaar als eerste stuurman of eerste maritiem officier.

 

Artikel 15

Onverminderd artikel 8, geeft het bezit van het kennisbewijs als baggeraar-stuurman, als wachtstuurman alle schepen dan wel het diploma als derde stuurman voor de grote handelsvaart de aanvrager recht op het vaarbevoegdheidsbewijs voor alle schepen als:

1.

a. wachtstuurman; en

b. eerste stuurman tot 3000 GT, indien hij in het bezit is van

i. het algemeen certificaat voor de maritieme radiocommunicatie, en

ii. de leeftijd heeft bereikt van 18 jaar

2. eerste stuurman, indien hij naast het genoemde in 1, onderdeel b, onder i, in het bezit is van

i. het certificaat radarnavigator;

ii. het certificaat scheepsmanagement-N, en

iii. een diensttijd heeft van een jaar als stuurman;

3. kapitein, indien hij naast het genoemde in 1, onderdeel b, onder i, 2, onder i en ii, een diensttijd heeft van drie jaar als stuurman, dan wel twee jaar als stuurman waarvan ten minste een jaar als eerste stuurman.

 

Artikel 16

Onverminderd artikel 8, geeft het bezit van het kennisbewijs als stuurman-werktuigkundige kleine schepen de aanvrager recht op het vaarbevoegdheidsbewijs als:

a. maritiem officier kleine schepen en maritiem officier op alle aannemersmaterieel;

b. eerste stuurman tot 3000 GT en eerste stuurman op alle aannemersmaterieel, indien hij in het bezit is van het algemeen certificaat voor de maritieme radiocommunicatie en hij de leeftijd heeft bereikt van 18 jaar;

c. tweede werktuigkundige tot 3000 kW en tweede werktuigkundige op alle aannemersmaterieel, indien hij de leeftijd heeft bereikt van 18 jaar en een diensttijd heeft van een jaar als werktuigkundige of als assistent-werktuigkundige in het kader van een opleiding tot maritiem officier kleine schepen;

d. hoofdwerktuigkundige tot 3000 kW en hoofdwerktuigkundige op alle aannemersmaterieel, indien hij een diensttijd heeft van twee jaar als maritiem officier of als werktuigkundige, waarvan ten minste één jaar in het bezit van de bevoegdheid als tweede werktuigkundige;

e. eerste maritiem officier kleine schepen en eerste maritiem officier op alle aannemersmaterieel, indien hij naast het certificaat genoemd in onderdeel b, een diensttijd heeft van twee jaar als maritiem officier;

f. kapitein tot 3000 GT en kapitein op alle aannemersmaterieel, indien hij naast het certificaat genoemd in onderdeel b, in het bezit is van het certificaat radarnavigator, het certificaat scheepsmanagement-N, alsmede een diensttijd heeft van twee jaar als stuurman of maritiem officier, waarvan ten minste één jaar als eerste stuurman of eerste maritiem officier.

 

Artikel 17

Onverminderd artikel 8, geeft het bezit van het kennisbewijs als stuurman tot 3000 GT de aanvrager recht op het vaarbevoegdheidsbewijs als:

a. eerste stuurman tot 3000 GT en eerste stuurman op alle aannemersmaterieel, indien hij in het bezit is van het algemeen certificaat voor de maritieme radiocommunicatie en de leeftijd heeft bereikt van 18 jaar;

b. kapitein tot 3000 GT en kapitein op alle aannemersmaterieel, indien hij naast het certificaat genoemd onder a, in het bezit is van het certificaat radarnavigator, het certificaat scheepsmanagement-N en een diensttijd heeft van drie jaar als stuurman, dan wel twee jaar als stuurman, waarvan ten minste één jaar als eerste stuurman.

 

Artikel 18

Onverminderd artikel 8, geeft het bezit van het kennisbewijs als baggeraar-machinist of als wachtwerktuigkundige alle schepen de aanvrager recht op het vaarbevoegdheidsbewijs voor alle schepen als:

1. wachtwerktuigkundige, indien hij de leeftijd heeft bereikt van 18 jaar;

2. tweede werktuigkundige, indien hij een diensttijd heeft van een jaar als werktuigkundige of als assistent-werktuigkundige in het kader van een opleiding tot werktuigkundige;

3. hoofdwerktuigkundige, indien hij in het bezit is van

i. het certificaat scheepsmanagement-W, en

ii. een diensttijd heeft van drie jaar als werktuigkundige, waarvan ten minste een jaar in het bezit van de bevoegdheid als tweede werktuigkundige.

 

Artikel 19 [Vervallen per 08-10-2010]

 

Artikel 20

Onverminderd artikel 8, geeft het bezit van het kennisbewijs als werktuigkundige tot 3000 kW de aanvrager recht op het vaarbevoegdheidsbewijs als:

a. tweede werktuigkundige tot 3000 kW en tweede werktuigkundige op alle aannemersmaterieel, indien hij de leeftijd heeft bereikt van 18 jaar en een diensttijd heeft van ten minste een jaar als werktuigkundige of als assistent-werktuigkundige in het kader van een opleiding tot werktuigkundige;

b. hoofdwerktuigkundige tot 3000 kW en hoofdwerktuigkundige op alle aannemersmaterieel, mits hij een diensttijd heeft van twee jaar als werktuigkundige, waarvan tenminste één jaar in het bezit van de bevoegdheid als tweede werktuigkundige.

 

Artikel 21

Onverminderd artikel 8, geeft het bezit van het kennisbewijs als schipper-machinist beperkt werkgebied de aanvrager recht op het vaarbevoegdheidsbewijs als

1. eerste stuurman op reizen nabij de kust, indien hij in het bezit is van

i. het beperkt certificaat voor de maritieme radiocommunicatie, en

ii. een leeftijd heeft bereikt van 18 jaar;

2. kapitein op reizen nabij de kust, indien hij, naast het genoemde in 1.i.

i. een leeftijd heeft bereikt van 20 jaar, en hij

ii. een diensttijd heeft van een jaar, zo nodig aangevuld met de eisen die voortvloeien uit een overeenkomst met een andere staat binnen wiens territoir de reizen nabij de kust plaatsvinden;

3. kapitein op reizen nabij de kust zonder beperking in voortstuwingsvermogen, indien hij:

i. in het bezit is van het vaarbevoegdheidsbewijs als kapitein op reizen nabij de kust;

ii. een diensttijd heeft van ten minste zes maanden als kapitein op reizen nabij de kust, en

iii. in het bezit is van het certificaat kapitein beperkt werkgebied zonder beperking in voortstuwingsvermogen.

 

Artikel 22

Voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs als radio-operator is vereist het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie, afgegeven in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens het Frequentiebesluit 2013 en de leeftijd van 18 jaar.

 

Artikel 23

Voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs als radio-operator met de beperking tot het gebruik van VHF/UHF radio-communicatieapparatuur is vereist het beperkt certificaat maritieme radiocommunicatie, afgegeven in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens het Frequentiebesluit 2013 en de leeftijd van 18 jaar.

 

Artikel 24

Voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs als gezel met de beperking tot de dekdienst is ten minste vereist:

1. het kennisbewijs als gezel dekdienst, of

2. een schriftelijke verklaring van de kapitein dat betrokkene met goed gevolg heeft aangetoond te voldoen aan de eisen van bekwaamheid als bedoeld in sectie A-II/4 van de STCW-Code; en

i. een ervaring heeft van ten minste een half jaar als aankomend gezel dekdienst op zeeschepen;

ii. in het bezit is van het certificaat basisveiligheidstraining, en hij

iii. een leeftijd heeft bereikt van 16 jaar.

 

Artikel 25

Voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs als gezel met de beperking tot de machinekamerdienst is ten minste vereist:

1. het kennisbewijs als gezel machinekamerdienst; of

2. een schriftelijke verklaring van de hoofdwerktuigkundige dat betrokkene met goed gevolg heeft aangetoond te voldoen aan de eisen van bekwaamheid als bedoeld in sectie A-III/4 van de STCW-Code;

i. een ervaring heeft van ten minste een half jaar als aankomend gezel machinekamerdienst op zeeschepen;

ii. in het bezit is van het certificaat basisveiligheidstraining, en hij

iii. een leeftijd heeft bereikt van 16 jaar.

 

Artikel 26

Onverminderd de artikelen 14 tot en met 17 is de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs als kapitein, eerste maritiem officier of eerste stuurman alle schepen alsmede als kapitein tot 3000 GT met ingang van 1 februari 2002 in het bezit van het certificaat radarnavigator.

 

Artikel 27

Onverminderd de artikelen 14 tot en met 17 is de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs als kapitein, eerste maritiem officier, maritiem officier, eerste stuurman en wachtstuurman alle schepen, eerste maritiem officier en maritiem officier kleine schepen, alsmede eerste stuurman tot 3000 GT met ingang van 1 februari 2002 in het bezit van het certificaat brandbestrijding voor gevorderden.

 

Artikel 28

Onverminderd de artikelen 14 tot en met 20 is de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs als hoofdwerktuigkundige, tweede werktuigkundige of wachtwerktuigkundige alle schepen, alsmede als hoofdwerktuigkundige en tweede werktuigkundige tot 3000 kW met ingang van 1 februari 2002 in het bezit van het certificaat brandbestrijding voor gevorderden.

 

§ 4. Aanvullende vereisten voor het dienstdoen aan boord van bijzondere typen schepen

 

Eisen voor tankschepen

 

Artikel 29

1. Voor de uitoefening door bemanningsleden van speciale taken en verantwoordelijkheden met betrekking tot de lading en de daarbij behorende uitrusting op tankschepen, is vereist:

a. het bezit van een certificaat brandbestrijding in aanvulling op de opleiding en training die is voorgeschreven in artikel 87;

b. ten minste drie maanden goedgekeurde diensttijd op tankschepen; of

c. een erkende cursus hebben gevolgd om zich vertrouwd te maken met de dienst aan boord van tankschepen, waarin ten minste het programma voor de cursus vervat in sectie AV/1, de paragrafen 2 tot en met 7, van de STCW-Code is behandeld.

2. Onze Minister is bevoegd in plaats van de diensttijd, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, een kortere diensttijd toe te staan, onder voorwaarde dat:

a. de diensttijd niet korter is dan een maand;

b. het tankschip waarop de diensttijd is doorgebracht een bruto tonnage heeft van minder dan 3000;

c. de duur van elke reis van het tankschip gedurende die periode niet langer is dan 72 uur, en

d. de operationele kenmerken van het tankschip, het aantal reizen en het aantal beladingen en lossingen die gedurende deze periode worden gedaan, het mogelijk maken hetzelfde niveau van kennis en ervaring te verkrijgen.

3. Kapiteins, eerste maritiem officieren, eerste stuurlieden, hoofdwerktuigkundigen, tweede werktuigkundigen en voorts iedereen die rechtstreeks verantwoordelijk is voor het laden, lossen en de te nemen voorzorgsmaatregelen tijdens de reis of de behandeling van de lading, voldoen naast het in het eerste lid, onderdelen b of c bepaalde, aan het volgende:

a. zij hebben een ervaring van ten minste een half jaar op het gebied van hun taken op het type tankschip waarop zij varen, en

b. zij zijn in het bezit van een voor het type tankschip bestemd veiligheidstrainingscertificaat, zoals is voorgeschreven in artikel 71, 72 of 73;

4. Onze Minister draagt er zorg voor dat op het vaarbevoegdheidsbewijs van kapiteins en officieren die voldoen aan het eerste, tweede of derde lid, de desbetreffende aantekening wordt gemaakt.

 

Eisen voor passagiersschepen

 

Artikel 30

1. Dit artikel is van toepassing op kapiteins, maritiem officieren, stuurlieden, werktuigkundigen en ander personeel aan boord van passagiersschepen.

2. Alvorens hun taken aan boord van passagiersschepen worden opgedragen is er voor de betrokken zeevarenden een door Onze Minister goedgekeurd schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat zij de opleiding en training, zoals vereist in het vierde tot en met het achtste lid, in overeenstemming met hun hoedanigheid, taken en verantwoordelijkheden, met goed gevolg hebben voltooid.

3. Zeevarenden van wie verlangd wordt dat zij een opleiding hebben gevolgd in overeenstemming met het vierde, zevende en achtste lid, volgen passende herhalingscursussen met tussenpozen van niet meer dan vijf jaar of tonen aan dat zij in de afgelopen vijf jaar tenminste één jaar dienst hebben gedaan aan boord van passagierschepen.

4. Voor personeel aan boord van passagiersschepen, aan wie in de alarmrol de taak wordt opgedragen om passagiers bij te staan in noodsituaties, is er het bewijs dat zij de training in groepsbegeleiding, bedoeld in artikel 74 hebben voltooid.

5. Voor kapiteins, maritiem officieren, stuurlieden, werktuigkundigen en ander personeel aan boord van passagiersschepen dat belast is met bijzondere taken en verantwoordelijkheden, is er het bewijs dat zij de familiarisatie-training voor het betreffende passagiersschip, bedoeld in artikel 75, hebben voltooid.

6. Voor personeel aan boord van passagiersschepen dat in de passagiersruimten direct betrokken is bij de dienstverlening aan passagiers, is er het bewijs dat zij de veiligheidstraining, bedoeld in artikel 76, hebben voltooid.

7. Kapiteins, eerste maritiem officieren, eerste stuurlieden en iedereen die aan boord van passagiersschepen die is belast met de directe verantwoordelijkheid voor het aan en van boord gaan van passagiers, het laden, lossen of vastzetten van de lading, zijn in het bezit van het certificaat passagiersveiligheid, bedoeld in artikel 77.

8. Kapiteins, eerste stuurlieden, eerste maritiem officieren, hoofdwerktuigkundigen, tweede werktuigkundigen en anderen aan boord van passagiersschepen die verantwoordelijkheid dragen voor de veiligheid van passagiers in noodsituaties zijn in het bezit van het certificaat crisisbeheersing en menselijk gedrag, bedoeld in artikel 78.

 

Artikel 31

In plaats van de bewijzen en certificaten, genoemd in artikel 74 tot en met 78, kan de scheepsbeheerder volstaan met het aantekenen van de door de bemanningsleden gevolgde opleiding of training in het krachtens artikel 3, derde lid, van de wet bij te houden overzicht.

 

Eisen voor ro-ro passagiersschepen

 

Artikel 32

1.In afwijking van artikel 30 is dit artikel uitsluitend van toepassing op de bemanningsleden aan boord van ro-ro passagiersschepen.

2.Alvorens hun taken aan boord van ro-ro passagiersschepen worden opgedragen zijn zeevarenden in het bezit van een document waaruit blijkt dat zij de opleiding en training, zoals vereist in het vierde tot en met het achtste lid, in overeenstemming met hun hoedanigheid, taken en verantwoordelijkheden, met goed gevolg hebben voltooid.

3.Zeevarenden van wie verlangd wordt dat zij een opleiding en training hebben gevolgd in overeenstemming met het vierde, het zevende en het achtste lid, volgen passende herhalingscursussen met tussenpozen van niet meer dan vijf jaar of tonen aan dat zij in de voorafgaande vijf jaar tenminste één jaar dienst hebben gedaan aan boord van ro-ro passagierschepen.

4.Kapiteins, maritiem officieren, stuurlieden, werktuigkundigen en ander personeel aan boord van ro-ro passagiersschepen aan wie in de alarmrol de taak wordt opgedragen om passagiers bij te staan in noodsituaties, zijn in bezit van het bewijs groepsbegeleiding, bedoeld in artikel 79.

5.Kapiteins, maritiem officieren, stuurlieden, werktuigkundigen en ander personeel aan boord van ro-ro passagiersschepen dat belast is met bijzondere taken en verantwoordelijkheden, zijn in het bezit van het bewijs familiarisatietraining voor het betreffende ro-ro passagiersschip, bedoeld in artikel 80.

6.Personeel aan boord van ro-ro passagiersschepen dat in de passagiersruimten direct betrokken is bij de dienstverlening aan passagiers, is in het bezit van het bewijs veiligheidstraining, bedoeld in artikel 81.

7.Kapiteins, eerste maritiem officieren, eerste stuurlieden, hoofdwerktuigkundigen, tweede werktuigkundigen en iedereen aan boord van ro-ro passagiersschepen, die belast is met de directe verantwoordelijkheid voor het aan en van boord gaan van passagiers, het laden, lossen of vastzetten van de lading of het sluiten van openingen in de romp zijn in het bezit van het certificaat passagiersveiligheid, ladingveiligheid en integriteit van de romp, bedoeld in artikel 82.

8.Kapiteins, eerste maritiem officieren, eerste stuurlieden, hoofdwerktuigkundigen, tweede werktuigkundigen en iedereen aan boord van ro-ro passagiersschepen die verantwoordelijkheid draagt voor de veiligheid van passagiers in noodsituaties zijn in het bezit van het certificaat crisisbeheersing en menselijk gedrag, bedoeld in artikel 83.

 

Artikel 33

In plaats van de bewijzen en certificaten, genoemd in artikel 79 tot en met 83, kan de scheepsbeheerder volstaan met het aantekenen van de door de bemanningsleden gevolgde opleiding of training in het krachtens artikel 3, derde lid, van de wet bij te houden overzicht.

 

§ 5. Aanvullende vereisten voor het dienstdoen aan boord van bijzonder voortbewogen schepen

 

Eisen voor stoomschepen

 

Artikel 34

1. Werktuigkundigen en maritiem officieren aan boord van schepen voorzien van een stoomvoortstuwingsinstallatie, met een voortstuwingsvermogen van 3000 kW of meer, hebben een erkende opleiding stoomvoortstuwing voltooid, bedoeld in artikel 84.

2. Het eerste lid is niet van toepassing voor houders van het diploma C als scheepswerktuigkundige dan wel het diploma B als scheepswerktuigkundige, uitgereikt voor 1 januari 1989.

3. Aan werktuigkundigen en maritiem officieren die voldoen aan het eerste lid wordt een kennisbewijs uitgereikt.

4. Onze Minister draagt er zorg voor dat op het vaarbevoegdheidsbewijs van werktuigkundigen en maritiem officieren die voldoen aan dit artikel, de betreffende aantekening wordt gemaakt.

 

Eisen voor hogesnelheidsvaartuigen

 

Artikel 35

Kapiteins, maritiem officieren, stuurlieden en werktuigkundigen van hogesnelheidsvaartuigen zijn in het bezit van een type rating certificate, bedoeld in artikel 85 voor het hogesnelheidsvaartuig waarop zij dienstdoen.

 

Eisen voor zeilschepen

 

Artikel 36

1. Kapiteins, stuurlieden en maritiem officieren van zeilschepen met een lengte van 40 meter of meer zijn, naast één der in artikel 11, eerste, tweede of derde lid, genoemde kennisbewijzen of diploma’s in het bezit van het certificaat grote zeilvaart, dan wel in bezit van het in artikel 11, vijfde lid, genoemde kennisbewijs grote zeilvaart.

2. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld met betrekking tot de bemanning van zeilschepen met een lengte van minder dan 40 meter.

3. Onze Minister draagt er zorg voor dat op het vaarbevoegdheidsbewijs van kapiteins, stuurlieden en maritiem officieren die voldoen aan het eerste lid van dit artikel, de betreffende aantekening wordt gemaakt.

 

§ 6. Vaarbevoegdheden Koninklijke Marine

 

Artikel 37

Een vaarbevoegdheidsbewijs als wachtstuurman alle schepen wordt afgegeven aan officieren en oud-officieren van de Zeedienst der Koninklijke Marine, die in het bezit zijn van een getuigschrift van het Koninklijk Instituut voor de Marine en van de Zeewachtstandaard A, zoals vastgesteld door Onze Minister van Defensie, die daarna gedurende ten minste een jaar geplaatst zijn en dienst hebben gedaan als wachtsofficier op operationeel in de vaart zijnde oorlogsschepen, voor zoveel deze ervaring of een deel daarvan niet langer dan vier jaar geleden is opgedaan, en mits zij daarnaast in het bezit zijn van:

a. een kennisbewijs ten aanzien van de Nederlandse en voornaamste internationale wettelijke voorschriften betreffende de zeescheepvaart;

b. een kennisbewijs ten aanzien van het behandelen van lading op het niveau van wachtstuurman alle schepen, en

c. het algemeen certificaat voor de maritieme radiocommunicatie.

 

Artikel 38

1.Een vaarbevoegdheidsbewijs als eerste stuurman alle schepen wordt afgegeven aan

a. officieren en oud-officieren van de Zeedienst der Koninklijke Marine, met de rang van luitenant ter zee tweede klasse oudste categorie of een hogere rang, die

1. in het bezit zijn van een getuigschrift van het Koninklijk Instituut voor de Marine;

2. daarna gedurende ten minste vier jaar zijn geplaatst en dienst hebben gedaan als wachtsofficier op operationeel in de vaart zijnde oorlogsschepen, waarvan ten minste twee jaar in de evengenoemde rang of in een hogere rang, voor zoveel deze ervaring of een deel daarvan niet langer dan vier jaar geleden is opgedaan, en

3. in het bezit zijn van de aantekening navigatieofficier, alsmede van:

i. een kennisbewijs ten aanzien van de Nederlandse en voornaamste internationale wettelijke voorschriften betreffende de zeescheepvaart;

ii. een kennisbewijs ten aanzien van het behandelen van lading op het niveau van wachtstuurman;

iii. het algemeen certificaat voor de maritieme radiocommunicatie;

iv. het certificaat radarnavigator;

v. het certificaat scheepsmanagement-N, en

vi. een diensttijd hebben behaald van ten minste een half jaar op schepen in de handelsvaart met een bruto-tonnage van 3000 of meer;

b. de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs, afgegeven op grond van artikel 37, die in het bezit is van:

i. het certificaat radarnavigator;

ii. het certificaat scheepsmanagement-N, en

iii. in de handelsvaart een diensttijd heeft behaald van één jaar.

2.Een vaarbevoegdheidsbewijs als eerste stuurman op alle zeilschepen wordt afgegeven aan officieren en oud-officieren van de Zeedienst der Koninklijke Marine, met de rang van luitenant ter zee tweede klasse oudste categorie of een hogere rang, die:

a. in het bezit zijn van een getuigschrift van het Koninklijk Instituut voor de Marine;

b. in het bezit van het onder a genoemde getuigschrift gedurende ten minste vier jaar zijn geplaatst en dienst hebben gedaan als wachtsofficier op operationeel in de vaart zijnde oorlogsschepen, voor zoveel deze ervaring of een deel daarvan niet langer dan vier jaar geleden is opgedaan, en

c. in het bezit zijn van de aantekening navigatieofficier, alsmede van:

i. een kennisbewijs ten aanzien van de Nederlandse en voornaamste internationale wettelijke voorschriften betreffende de zeescheepvaart;

ii. het certificaat grote zeilvaart;

iii. het algemeen certificaat voor de maritieme radiocommunicatie, en

iv. het certificaat radarnavigator.

 

Artikel 39

1.Een vaarbevoegdheidsbewijs als kapitein alle schepen wordt afgegeven aan de houder van een bevoegdheid afgegeven op grond van artikel 38, eerste lid, die een diensttijd heeft behaald van een jaar als eerste stuurman.

2.Een vaarbevoegdheidsbewijs als kapitein alle zeilschepen wordt afgegeven aan de houder van een bevoegdheid afgegeven op grond van artikel 38, tweede lid, die een diensttijd heeft behaald van een jaar als eerste stuurman aan boord van zeilschepen.

 

Artikel 40

Een vaarbevoegdheidsbewijs als eerste stuurman tot 3000 GT wordt afgegeven aan

onderofficieren en oud-onderofficieren Operationele Dienst van de Koninklijke Marine, die

1. in het bezit zijn van de Zeewachtstandaard M, zoals vastgesteld door Onze Minister van Defensie;

2. ten minste een jaar geplaatst zijn en zelfstandig dienst hebben gedaan op de brug op operationeel in de vaart zijnde oorlogsschepen, voor zoveel deze ervaring of een deel daarvan niet langer dan vier jaar geleden is opgedaan, en zij daarnaast in het bezit zijn van:

i. een kennisbewijs ten aanzien van de Nederlandse en voornaamste internationale wettelijke voorschriften betreffende de zeescheepvaart;

ii. een kennisbewijs ten aanzien van het behandelen van lading op het niveau van stuurman tot 3000 GT;

iii. het algemeen certificaat voor de maritieme radiocommunicatie;

iv. het certificaat radarnavigator, en

v. een diensttijd hebben behaald van ten minste drie maanden op schepen in de handelsvaart met een bruto tonnage van minder dan 3000.

 

Artikel 41

Een vaarbevoegdheidsbewijs als kapitein tot 3000 GT wordt afgegeven aan de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs, afgegeven op grond van artikel 40, die in het bezit is van

i. het certificaat scheepsmanagement-N, en

ii. een diensttijd heeft behaald van een jaar als eerste stuurman.

 

Artikel 42

Een vaarbevoegdheidsbewijs als tweede werktuigkundige alle schepen wordt afgegeven aan officieren en gewezen officieren van de Technische Dienst van de Koninklijke Marine, die

1. in het bezit zijn van het getuigschrift van het Koninklijk Instituut voor de Marine, en

2. daarna ten minste een jaar dienst hebben gedaan op operationeel in de vaart zijnde oorlogsschepen, voor zoveel deze ervaring of een deel daarvan niet langer dan vier jaar geleden is opgedaan.

 

Artikel 43

Een vaarbevoegdheidsbewijs als hoofdwerktuigkundige alle schepen wordt afgegeven aan:

a. officieren en gewezen officieren van de Technische Dienst, die

1. in het bezit zijn van een getuigschrift van het Koninklijk Instituut voor de Marine, en

2. daarna ten minste vijf jaar dienst hebben gedaan op operationeel in de vaart zijnde oorlogsschepen, voor zoveel deze ervaring of een deel daarvan niet langer dan vier jaar geleden is, en

3. in het bezit zijn van het certificaat scheepsmanagement-W;

b. de houder van een bevoegdheid afgegeven op grond van artikel 42, die een diensttijd heeft behaald van:

1. drie jaar als werktuigkundige, waarvan ten minste een jaar in het bezit van de bevoegdheid als tweede werktuigkundige, en

2. in het bezit is van het certificaat scheepsmanagement-W.

 

Artikel 44

Een vaarbevoegdheidsbewijs als wachtwerktuigkundige alle schepen en tweede werktuigkundige tot 3000 kW wordt afgegeven aan onderofficieren van de Technische Dienst Werktuigtechniek of Systemen en oud-onderofficieren Technische Dienst Werktuigtechniek of Systemen, die

1. de rang van korporaal of hoger hebben bekleed, en

2. ten minste een jaar dienst hebben gedaan op operationeel in de vaart zijnde oorlogsschepen, voor zoveel deze ervaring of een deel daarvan niet langer dan vier jaar geleden is.

 

Artikel 45

Een vaarbevoegdheidsbewijs als hoofdwerktuigkundige tot 3000 kW wordt afgegeven aan de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs afgegeven op grond van artikel 44, die een diensttijd heeft behaald van twee jaar, waarvan ten minste een jaar in het bezit van de bevoegdheid als tweede werktuigkundige.

 

Artikel 46

Op de verkrijging van vaarbevoegdheidsbewijzen door de officieren, oud-officieren, onderofficieren en oud-onderofficieren die in deze paragraaf worden genoemd, is artikel 8, met uitzondering van het eerste en het zevende lid, van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 47

In plaats van de Zeewachtstandaard A of de Zeewachtstandaard M, genoemd in artikel 37, onderscheidenlijk artikel 40, kan de aanvrager van een vaarbevoegdheidsbewijs een ander door Onze Minister van Defensie afgegeven document overleggen, waaruit blijkt dat de betrokkene over een gelijkwaardig niveau van kennis en inzicht beschikt.

 

Artikel 48

Bij regeling van Onze Minister kunnen, na overleg met Onze Minister van Defensie, zo nodig in afwijking van de artikelen 37 tot en met 47, regels worden vastgesteld voor de verkrijging van vaarbevoegdheden door officieren en schepelingen der Koninklijke Marine die dienst doen aan boord van een zeeschip dat met kustwachttaken is belast.

 

§ 7. Overgangsbepalingen vaarbevoegdheden (oude stijl)

 

Artikel 49

1.De houders van een verklaring van geschiktheid en bekwaamheid, afgegeven op grond van artikel 119, Schepenbesluit 1965, zoals dit luidde vóór het van kracht worden van dit besluit en als vermeld in kolom I, hebben aanspraak op de bevoegdheid met de beperkingen als vermeld in kolom II van onderstaande tabel:

Kolom I

Kolom II

Kapitein alle schepen

Kapitein alle schepen

Kapitein schepen < 9000 GT

Kapitein alle schepen

Kapitein schepen < 6000 GT

Kapitein alle schepen

Kapitein schepen < 4000 GT

Kapitein alle schepen

Kapitein schepen < 2000 GT

Kapitein tot 3000 GT

1e stuurman alle schepen

1e stuurman alle schepen

1e stuurman schepen < 9000 GT

1e stuurman alle schepen

1e stuurman schepen < 6000 GT

1e stuurman alle schepen

1e stuurman schepen < 4000 GT

1e stuurman alle schepen

1e stuurman schepen < 2000 GT

1e stuurman tot 3000 GT

2e stuurman alle schepen

wachtstuurman alle schepen

3e stuurman alle schepen

wachtstuurman alle schepen

2e stuurman schepen < 9000 GT

wachtstuurman alle schepen

2e stuurman schepen < 6000 GT

wachtstuurman alle schepen

wachtstuurman schepen< 4000 GT

wachtstuurman alle schepen

Eerste maritiem officier alle schepen

Eerste maritiem officier alle schepen

 

Eerste stuurman alle schepen

 

Tweede werktuigkundige alle schepen

Maritiem officier alle schepen

Maritiem officier alle schepen

 

wachtstuurman alle schepen

 

wachtwerktuigkundige alle schepen

Hoofdwerktuigkundige alle schepen

Hoofdwerktuigkundige alle schepen

Hoofdwerktuigkundige schepen< 8000 kW

Hoofdwerktuigkundige alle schepen

Hoofdwerktuigkundige schepen < 6000 kW

Hoofdwerktuigkundige alle schepen

1e maritiem officier schepen< 2000GT/1500kW

Eerste maritiem officier kleine schepen

 

Eerste stuurman tot 3000 GT

 

Hoofdwerktuigkundige tot 3000 kW

Hoofdwerktuigkundige schepen < 3000 kW

Hoofdwerktuigkundige tot 3000 kW

Hoofdwerktuigkundige schepen < 1500 kW

Hoofdwerktuigkundige tot 3000 kW

2e werktuigkundige alle schepen

2e werktuigkundige alle schepen

2e werktuigkundige schepen < 8000 kW

2e werktuigkundige alle schepen

2e werktuigkundige schepen < 6000 kW

2e werktuigkundige alle schepen

2e werktuigkundige schepen< 3000 kW

2e werktuigkundige tot 3000 kW

2e werktuigkundige schepen < 1500 kW

2e werktuigkundige tot 3000 kW

3e werktuigkundige alle schepen

wachtwerktuigkundige alle schepen

4e werktuigkundige alle schepen

wachtwerktuigkundige alle schepen

schipper-machinist beperkt werkgebied

kapitein kleine schepen, beperkt tot schepen op reizen nabij de kust.

Radio-operator A

Radio-operator Algemeen

Radio-operator B

Radio-operator Beperkt

Scheepstechnicus

Gezel

Gezel

Gezel

2.Voor de verkrijging van een vaarbevoegdheidsbewijs als kapitein, eerste stuurman dan wel hoofdwerktuigkundige alle schepen is het bezit van het certificaat scheepsmanagement N of W niet vereist voor de houder van het diploma als eerste stuurman voor de grote handelsvaart respectievelijk het diploma C als scheepswerktuigkundige dan wel van het bewijs dat de bijscholingscursus 6000–9000 GT met goed gevolg werd afgesloten, alsmede voor degenen die voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit dienst doen als kapitein of hoofdwerktuigkundige.

 

Artikel 50

Een vaarbevoegdheidsbewijs als kapitein tot 3000 GT wordt afgegeven aan: de houder van het diploma als stuurman voor de kleine handelsvaart, afgegeven voor 3 mei 1988, die in het bezit is van:

i. het certificaat radarnavigator, en

ii. het algemeen certificaat voor de maritieme radiocommunicatie.

 

Artikel 51

Een vaarbevoegdheidsbewijs als kapitein op reizen nabij de kust, wordt afgegeven aan:

a. de houder van het diploma als stuurman voor de kustsleepvaart, afgegeven voor de datum van het van kracht worden van dit besluit;

b. de houder van het diploma als stuurman voor de beperkte kleine handelsvaart, afgegeven voor 3 mei 1988;

c. de houder van het diploma als kapitein aannemersmaterieel met aantekening, uitgereikt krachtens artikel 8, derde lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de zeevaartdiploma's in verband met artikel 24 van het Besluit Zeevaartdiploma's;

d. de houder van het kennisbewijs schipper-machinist beperkt werkgebied, afgegeven voor de datum van het van kracht worden van dit besluit, die in het bezit is van:

i. het beperkt certificaat voor de maritiem radiocommunicatie, en

ii. een diensttijd heeft behaald van ten minste twee jaar,

zo nodig aangevuld met de eisen die voortvloeien uit een overeenkomst met een andere staat binnen wiens territoir de reizen nabij de kust plaatsvinden.

 

Artikel 52

Een vaarbevoegdheidsbewijs als eerste stuurman tot 3000 GT wordt afgegeven aan:

a. de houder van het diploma als stuurman voor de kleine handelsvaart, afgegeven voor 3 mei 1988, die in het bezit is van het algemeen certificaat voor de maritieme radiocommunicatie, en

b. de houder van het diploma als stuurman voor de kleine handelsvaart met aantekening, uitgereikt krachtens artikel 8, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de zeevaartdiploma's, in verband met artikel 23, aanhef en onderdeel a, van het Besluit zeevaartdiploma's, die in het bezit is van het algemeen certificaat voor de maritieme radiocommunicatie.

 

Artikel 53

Een vaarbevoegdheidsbewijs als eerste stuurman op reizen nabij de kust, wordt afgegeven aan:

a. de houder van het diploma als stuurman voor de kustsleepvaart dan wel het diploma als stuurman voor de beperkte kleine handelsvaart, afgegeven voor de datum van inwerking treden van dit besluit die in het bezit is van het beperkt certificaat voor de maritieme radiocommunicatie;

b. de houder van het diploma als stuurman/tweede schipper aannemersmaterieel met aantekening, uitgereikt krachtens artikel 8, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de zeevaartdiploma's, in verband met artikel 23, aanhef en onderdeel a, van het Besluit zeevaartdiploma's die in het bezit is van het beperkt certificaat voor de maritieme radiocommunicatie;

c. de houder van het diploma als stuurman/tweede schipper aannemersmaterieel met aantekening, uitgereikt krachtens artikel 8, derde lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de zeevaartdiploma's, in verband met artikel 24, van het Besluit zeevaartdiploma's die in het bezit is van het beperkt certificaat voor de maritieme radiocommunicatie; en

d. de houder van het kennisbewijs schipper-machinist beperkt werkgebied, afgegeven voor de datum van het van kracht worden van dit besluit, die in het bezit is van het beperkt certificaat voor de maritieme radiocommunicatie, zo nodig aangevuld met de eisen die voortvloeien uit een overeenkomst met een andere staat binnen wiens territoir de reizen nabij de kust plaatsvinden.

 

Artikel 54

Een vaarbevoegdheidsbewijs als hoofdwerktuigkundige tot 3000 kW en hoofdwerktuigkundige op alle aannemersmaterieel, wordt afgegeven aan: de houder van het diploma als motordrijver met aantekening, uitgereikt krachtens artikel 8, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de zeevaartdiploma's, in verband met artikel 23, aanhef en onderdeel b, van het Besluit zeevaartdiploma's, die een diensttijd heeft behaald van twee jaar.

 

Artikel 55

Een vaarbevoegdheidsbewijs als tweede werktuigkundige tot 3000 kW en tweede werktuigkundige op alle aannemersmaterieel wordt afgegeven aan:

a. de houder van het diploma als motordrijver met aantekening, uitgereikt krachtens artikel 8, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de zeevaartdiploma's, in verband met artikel 23, aanhef en onderdeel b, van het Besluit zeevaartdiploma's;

b. de houder van het diploma als scheepswerktuigkundige, uitgereikt krachtens artikel 8, derde lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de zeevaartdiploma's, in verband met artikel 24 van het Besluit Zeevaartdiploma's;

c. de houder van het diploma machinist aannemersmaterieel met aantekening, uitgereikt krachtens artikel 8, derde lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de zeevaartdiploma's, in verband met artikel 24 van het Besluit Zeevaartdiploma's;

d. De houder van een vrijstelling van het bezit van een diploma als scheepswerktuigkundige, voor de dienst aan boord van aannemersmaterieel, afgegeven op grond van artikel 11 van de Wet op de zeevaartdiploma’s zoals dit artikel luidde vóór 1 augustus 1988, mits hij op 1 februari 2002 tevens in het bezit was van een verklaring van geschiktheid en bekwaamheid als bedoeld in artikel 119 van het Schepenbesluit 1965 zoals dit luidde vóór 1 februari 2002.

 

Artikel 56

Een vaarbevoegdheidsbewijs als gezel wordt afgegeven aan: de houder van het certificaat scheepstechnicus, uitgereikt door Onze Minister.

 

Hoofdstuk 4. Beroepsvereisten

 

§ 1. Algemeen

 

Artikel 57

1.Een kennisbewijs wordt afgegeven door:

a. een op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) bekostigde of aangewezen hogeschool, waarvan ten aanzien van de onderwijs- en examenregeling voor de nautische beroepen overleg is gevoerd, bedoeld in artikel 5.5 van de WHW;

b. een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, (WEB) die nautische beroepsopleidingen verzorgd waarvoor door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in overeenstemming met Onze Minister eindtermen zijn vastgesteld, zoals bedoeld in artikel 7.2.4 van de WEB; of

c. een door Onze Minister erkende opleiding of exameninstelling.

2.Een certificaat wordt afgegeven door het bevoegd gezag van een door Onze Minister erkende opleiding, training, exameninstelling of een certificerende instelling op het gebied van persoonscertificatie.

 

§ 2. Beroepsvereisten handelsvaart

 

Artikel 58

Voor de afgifte van het kennisbewijs Hoger Maritiem Officier of Middelbaar Maritiem Officier,

a. voldoet de aanvrager aan:

– voorschrift II/1, paragrafen 2.4 en 2.5 van de bijlage bij het STCW-Verdrag;

– voorschrift II/2, paragraaf 2.2 van de bijlage bij het STCW-Verdrag;

– voorschrift III/1, paragrafen 2.2 en 2.3, van de bijlage bij het STCW-Verdrag;

– voorschrift III/2, paragraaf 2.2 van de bijlage bij het STCW-Verdrag;

– voorschrift V/1, paragraaf 1.2, van de bijlage bij het STCW-Verdrag;

b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die ten minste voldoet aan:

– sectie A-II/1, paragraaf 1 tot en met 6, van de STCW-Code;

– sectie A-II/2, paragraaf 1 tot en met 7, van de STCW-Code, met uitzondering van de aspecten coördinatie reddingsacties, opstellen wachtschema's en orders, radarnavigatie, reageren op noodsituaties en personeelsmanagement;

– sectie A-III/1, paragraaf 1 tot en met 8, van de STCW-Code;

– sectie A-III/2, paragraaf 1, 2, 3, 4, 5 en 7 van de STCW-Code, met uitzondering van het aspect personeelsmanagement;

– sectie A-V/1, paragraaf 2 tot en met 7 van de STCW-Code, en

c. heeft de aanvrager: een goedgekeurde stage aan boord vervuld van ten minste een jaar als onderdeel van de onder b bedoelde opleiding, onder bijhouding van een goedgekeurd stageboek, en tijdens deze stage gedurende ten minste een half jaar wachtdienst op de brug gelopen onder toezicht van de kapitein, een bevoegde stuurman of een bevoegd maritiem officier en gedurende ten minste een half jaar dienst gedaan in de machinekamer.

 

Artikel 59

Voor de afgifte van het kennisbewijs Baggeraar-stuurman of wachtstuurman,

a. voldoet de aanvrager aan:

– voorschrift II/1, de paragrafen 2.4.en 2.5 van de bijlage bij het STCW-Verdrag;

– voorschrift II/2, paragraaf 2.2 van de bijlage bij het STCW-Verdrag;

– voorschrift V/1, paragraaf 1.2, van de bijlage bij het STCW-Verdrag;

b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die ten minste voldoet aan:

– sectie A-II/1, de paragrafen 1 tot en met 6 van de STCW-Code

– sectie A-II/2, de paragrafen 1 tot en met 7, van de STCW-Code, met uitzondering van de aspecten coördinatie reddingsacties, opstellen wachtschema's en orders, radarnavigatie, reageren op noodsituaties en personeelsmanagement.

– sectie A-V/1, de paragrafen 2 tot en met 7 van de STCW-Code, en

c. heeft de aanvrager:

een goedgekeurde stage aan boord vervuld van ten minste een jaar als onderdeel van de onder b bedoelde opleiding, onder bijhouding van een goedgekeurd stageboek, en tijdens deze stage gedurende ten minste een half jaar wachtdienst op de brug gelopen onder toezicht van de kapitein, een bevoegde stuurman of een bevoegd maritiem officier.

 

Artikel 60

Voor de afgifte van het kennisbewijs aanvulling stuurman handelsvaart is de aanvrager in het bezit van het kennisbewijs stuurman grote zeilvaart en

a. voldoet hij tevens aan:

– voorschrift II/1, de paragrafen 2.4.en 2.5 van de bijlage bij het STCW-Verdrag;

– voorschrift II/2, paragraaf 2.2 van de bijlage bij het STCW-Verdrag;

– voorschrift V/1, paragraaf 1.2, van de bijlage bij het STCW-Verdrag;

b. heeft hij met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die ten minste voldoet aan:

– sectie A-II/1,de paragrafen 1 tot en met 6 van de STCW-Code in het bijzonder de functie behandeling en stuwen van lading;

– sectie A-II/2, de paragrafen 1 tot en met 7, van de STCW-Code, in het bijzonder de functie behandeling en stuwen van lading en met uitzondering van de aspecten coördinatie reddingsacties, opstellen wachtschema's en orders, radarnavigatie, reageren op noodsituaties en personeelsmanagement; en

– sectie A-V/1, de paragrafen 2 tot en met 7 van de STCW-Code.

 

Artikel 61

Voor de afgifte van een kennisbewijs baggeraar-machinist of wachtwerktuigkundige,

a. voldoet de aanvrager aan

– voorschrift III/1, paragrafen 2.2. en 2.3, van de bijlage bij het STCW-Verdrag;

– voorschrift III/2, paragraaf 2.2 van de bijlage bij het STCW-Verdrag;

– voorschrift V/1, paragraaf 1.2 van de bijlage bij het STCW-Verdrag;

b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die ten minste voldoet aan:

– sectie A-III/1, de paragrafen 1 tot en met 8, van de STCW-Code;

– sectie A-III/2, de paragrafen 1, 2, 3, 4, 5, en 7 van de STCW-Code, met uitzondering van het aspect personeelsmanagement;

– sectie A-V/1, paragraaf 2 tot en met 7 van de STCW-Code, en

c. heeft de aanvrager een goedgekeurde stage aan boord vervuld van ten minste een half jaar dienst in de machinekamer, als onderdeel van de onder b bedoelde opleiding, onder bijhouding van een goedgekeurd stageboek.

 

Artikel 62

Voor de afgifte van het kennisbewijs stuurman-werktuigkundige kleine schepen,

a. voldoet de aanvrager aan:

– voorschrift II/1, paragrafen 2.4 en 2.5 van de bijlage bij het STCW-Verdrag;

– voorschrift II/2, paragraaf 4.3 van de bijlage bij het STCW-Verdrag;

– voorschrift III/1, paragrafen 2.2 en 2.3, van de bijlage bij het STCW Verdrag;

– voorschrift III/3, paragraaf 2.2 van de bijlage van het STCW-Verdrag;

– voorschrift V/1, paragraaf 1.2, van de bijlage bij het STCW-Verdrag;

b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die ten minste voldoet aan:

– sectie A-II/1, paragraaf 1 tot en met 6, van de STCW-Code;

– sectie A-II/2, paragraaf 1 tot en met 7, van de STCW-Code, met uitzondering van de aspecten coördinatie reddingsacties, opstellen wachtschema's en orders, radarnavigatie, reageren op noodsituaties en personeelsmanagement;

– sectie A-III/1, paragraaf 1 tot en met 8, van de STCW-Code; sectie A-III/3, paragraaf 1, 2, 3, 4, 5 en 7 van de STCW-Code, met uitzondering van het aspect personeelsmanagement;

– sectie A-V/1, paragraaf 2 tot en met 7 van de STCW-Code, en

c. heeft de aanvrager

– een goedgekeurde stage aan boord vervuld van ten minste een jaar als onderdeel van de onder b bedoelde opleiding, onder bijhouding van een goedgekeurd stageboek, en tijdens deze stage gedurende ten minste een half jaar buitengaats wachtdienst op de brug gelopen onder toezicht van de kapitein, een bevoegde stuurman of een bevoegd maritiem officier, en gedurende ten minste een half jaar dienst gedaan in de machinekamer.

 

Artikel 63

Voor de afgifte van het kennisbewijs wachtstuurman tot 3000 GT,

a. voldoet de aanvrager aan:

– voorschrift II/1, paragrafen 2.4 en 2.5 van de bijlage bij het STCW-Verdrag;

– voorschrift II/2, paragraaf 4.3 van de bijlage bij het STCW-Verdrag;

– voorschrift V/1, paragraaf 1.2, van de bijlage bij het STCW-Verdrag;

b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die ten minste voldoet aan:

– sectie A-II/1, paragraaf 1 tot en met 6, van de STCW-Code;

– sectie A-II/2, paragraaf 1 tot en met 7, van de STCW-Code, met uitzondering van de aspecten coördinatie reddingsacties, opstellen wachtschema's en orders, radarnavigatie, reageren op noodsituaties en personeelsmanagement;

– sectie A-V/1, paragraaf 2 tot en met 7 van de STCW-Code, en

c. heeft de aanvrager een goedgekeurde stage aan boord vervuld van ten minste een jaar als onderdeel van de onder b bedoelde opleiding, onder bijhouding van een goedgekeurd stageboek, en tijdens deze stage gedurende ten minste een half jaar wachtdienst op de brug gelopen onder toezicht van de kapitein, een bevoegde stuurman of een bevoegd maritiem officier.

 

Artikel 64

Voor de afgifte van het kennisbewijs wachtwerktuigkundige tot 3000 kW,

a. voldoet de aanvrager aan:

– voorschrift III/1, paragrafen 2.2 en 2.3, van de bijlage bij het STCW-Verdrag;

– voorschrift III/3, paragraaf 2.2 van de bijlage van het STCW-Verdrag;

– voorschrift V/1, paragraaf 1.2, van de bijlage bij het STCW-Verdrag;

b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die ten minste voldoet aan:

– sectie A-III/1, paragraaf 1 tot en met 8, van de STCW-Code;

– sectie A-III/3, paragraaf 1, 2, 3, 4, 5 en 7 van de STCW-Code, met uitzondering van het aspect personeelsmanagement;

– sectie A-V/1, paragraaf 2 tot en met 7 van de STCW-Code, en

c. heeft de aanvrager

– een goedgekeurde stage aan boord vervuld van ten minste een half jaar dienst in de machinekamer, als onderdeel van de onder b bedoelde opleiding, onder bijhouding van een goedgekeurd stageboek.

 

Artikel 65

Voor de afgifte van het kennisbewijs schipper-machinist beperkt werkgebied,

a. voldoet de aanvrager aan:

– voorschrift II/3, paragraaf 4.2.1, 4.3, 4.4 en 6.3 van de bijlage bij het STCW-Verdrag;

– voorschrift VI/1 van de bijlage bij het STCW-Verdrag;

b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die ten minste voldoet aan:

– sectie A-II/3, paragraaf 1, 2, 3, 4, 5 en 7 van de STCW-Code waaronder niet begrepen het bij verwijzing bepaalde in de secties A-VI/2, A-VI/3 en A-VI/4 van de STCW-Code;

– sectie A-VI/1, paragraaf 2 van de STCW-Code, en heeft de aanvrager:

– een goedgekeurde stage van ten minste een half jaar aan boord vervuld als onderdeel van de onder b bedoelde opleiding, onder bijhouding van een goedgekeurd stageboek, en tijdens deze stage gedurende ten minste een half jaar wachtdienst op de brug gelopen onder toezicht van de kapitein, van een bevoegde stuurman of een bevoegd maritiem officier.

 

Artikel 66

Voor de afgifte van het kennisbewijs gezel met de beperking tot de dekdienst,

a. voldoet de aanvrager aan:

– voorschrift II/4, de paragrafen 2.2.2 en 2.3 van de bijlage bij het STCW-Verdrag;

b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die ten minste voldoet aan:

– sectie A-II/4, de paragrafen 1, 2 en 3 van de STCW-Code;

c. heeft de aanvrager een goedgekeurde stage als aankomend gezel dekdienst aan boord vervuld van ten minste twee maanden, als onderdeel van de onder b. bedoelde opleiding en onder bijhouding van een praktijkboek.

 

Artikel 67

1.Voor de afgifte van het kennisbewijs gezel met de beperking tot de machinekamerdienst,

a. voldoet de aanvrager aan:

– voorschrift III/4, de paragrafen 2.2.2 en 2.3 van de bijlage bij het STCW-Verdrag;.

b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die ten minste voldoet aan:

– sectie A-III/4, de paragrafen 1, 2 en 3 van de STCW-Code;

c. heeft de aanvrager een goedgekeurde stage als aankomend gezel machinekamerdienst aan boord vervuld van ten minste twee maanden, als onderdeel van de onder b. bedoelde opleiding en onder bijhouding van een praktijkboek.

 

Artikel 68

Voor de afgifte van het certificaat scheepsmanagement-N heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een, door Onze Minister erkende, opleiding die ten minste voldoet aan: sectie A-II/2 van de STCW-Code, met name de aspecten coördinatie reddingsacties, opstellen wachtschema's en orders, bridge resource management, reageren op noodsituaties en personeelsmanagement.

 

Artikel 69

Voor de afgifte van het certificaat scheepsmanagement-W heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een, door Onze Minister erkende, opleiding die ten minste voldoet aan: sectie A-III/2 van de STCW-Code, met name de aspecten opstellen wachtschema's en orders, engine room resource management, reageren op noodsituaties en personeelsmanagement.

 

Artikel 70

Voor de afgifte van het certificaat radarnavigator heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een door Onze Minister erkende opleiding en training die voldoet aan:

– sectie A-II/2 van de STCW-Code, en

– sectie B-1/12, de paragrafen 18 tot en met 35 van de STCW-Code.

 

§ 3. Beroepsvereisten ten aanzien van veiligheidstrainingen voor tankschepen

 

Olietankschepen

 

Artikel 71

Voor de afgifte van het certificaat behandeling en vervoer van aardolie en aardolieproducten in bulk aan boord van olietankschepen,

a. voldoet de aanvrager aan voorschrift V/1, paragraaf 2.2 van de bijlage bij het STCW-Verdrag, en

b. heeft de aanvrager een diensttijd behaald van ten minste een half jaar als wachtdoend stuurman, – werktuigkundige of maritiem officier aan boord van olie- of chemicaliëntankschepen, en

c. heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende opleiding afgerond die voldoet aan sectie A-V/1, paragraaf 8 tot en met 14 van de STCW-Code.

 

Chemicaliëntankschepen

 

Artikel 72

Voor de afgifte van het certificaat behandeling en vervoer van chemicaliën in bulk aan boord van chemicaliëntankschepen,

a. voldoet de aanvrager aan voorschrift V/1, paragraaf 2.2 van de bijlage bij het STCW-Verdrag, en

b. heeft de aanvrager een diensttijd behaald van ten minste een half jaar als wachtdoend stuurman, – werktuigkundige of maritiem officier aan boord van chemicaliëntankschepen, of tankschepen gebouwd en gebruikt voor het vervoer van aardolieproducten in bulk, en

c. heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende opleiding afgerond die voldoet aan sectie A-V/1, paragraaf 15 tot en met 21 van de STCW-Code.

 

Gastankschepen

 

Artikel 73

Voor de afgifte van het certificaat behandeling en vervoer van tot vloeistof verdichte of samengeperste gassen in bulk aan boord van gastankschepen,

a. voldoet de aanvrager aan voorschrift V/1, paragraaf 2.2 van de bijlage bij het STCW-Verdrag, en

b. heeft de aanvrager een diensttijd behaald van ten minste een half jaar als wachtdoend stuurman, – werktuigkundige of maritiem officier aan boord van vloeibaar gastankschepen, en

c. heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende opleiding afgerond die voldoet aan sectie A-V/1, paragraaf 22 tot en met 34, van de STCW-Code.

 

§ 4. Beroepsvereisten ten aanzien van veiligheidstrainingen voor passagiersschepen

 

Artikel 74

Voor de afgifte van het bewijs groepsbegeleiding in noodsituaties aan boord van passagiersschepen heeft de aanvrager met goed gevolg een training afgerond die voldoet aan:

a. voorschrift V/3, paragraaf 4 van de bijlage bij het STCW-Verdrag, en

b. sectie A-V/3, paragraaf 1 van de STCW-Code.

 

Artikel 75

Voor de afgifte van het bewijs familiarisatietraining passagiersschip/schepen heeft de aanvrager met goed gevolg een instructie en training afgerond die voldoet aan:

a. voorschrift V/3, paragraaf 5 van de bijlage bij het STCW-Verdrag, en

b. sectie A-V/3, paragraaf 2 van de STCW-Code.

 

Artikel 76

Voor de afgifte van het bewijs hotelpersoneel passagiersschepen heeft de aanvrager met goed gevolg een veiligheidstraining afgerond die voldoet aan:

a. voorschrift V/3, paragraaf 6 van de bijlage bij het STCW-Verdrag, en

b. sectie A-V/3, paragraaf 3 van de STCW-Code.

 

Artikel 77

Voor de afgifte van het certificaat passagiersveiligheid heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister goedgekeurde opleiding en training afgerond die voldoet aan:

a. voorschrift V/3, paragraaf 7 van de bijlage bij het STCW-Verdrag, en

b. sectie A-V/3, paragraaf 4 van de STCW-Code.

 

Artikel 78

Voor de afgifte van het certificaat crisisbeheersing en menselijk gedrag heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende opleiding en training afgerond die voldoet aan:

a. voorschrift V/3, paragraaf 8 van de bijlage bij het STCW-Verdrag, en

b. sectie A-V/3, paragraaf 5 van de STCW-Code.

 

§ 5. Beroepsvereisten ten aanzien van veiligheidstrainingen voor ro-ro passagiersschepen

 

Artikel 79

Voor de afgifte van het bewijs groepsbegeleiding in noodsituaties aan boord van ro-ro passagiersschepen heeft de aanvrager met goed gevolg een training afgerond die voldoet aan:

a. voorschrift V/2, paragraaf 4 van de bijlage bij het STCW-Verdrag, en

b. sectie A-V/2, paragraaf 1 van de STCW-Code.

 

Artikel 80

Voor de afgifte van het bewijs familiarisatie-training ro-ro passagierschip/schepen heeft de aanvrager met goed gevolg een instructie en training afgerond die voldoet aan:

a. voorschrift V/2, paragraaf 5 van de bijlage bij het STCW-Verdrag, en

b. sectie A-V/2, paragraaf 2 van de STCW-Code.

 

Artikel 81

Voor de afgifte van het bewijs hotelpersoneel ro-ro passagiersschepen heeft de aanvrager met goed gevolg een veiligheidstraining afgerond die voldoet aan

a. voorschrift V/2, paragraaf 6 van de bijlage bij het STCW-Verdrag, en

b. sectie A-V/2, paragraaf 3 van de STCW-Code.

 

Artikel 82

Voor de afgifte van het certificaat passagiersveiligheid, ladingveiligheid en integriteit van de romp ro-ro passagiersschepen, heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister goedgekeurde instructie en training afgerond die voldoet aan:

a. voorschrift V/2, paragraaf 7 van de bijlage bij het STCW-Verdrag, en

b. sectie A-V/2, paragraaf 4 van de STCW-Code.

 

Artikel 83

Voor de afgifte van het certificaat crisisbeheersing en menselijk gedrag, heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende opleiding en training afgerond die voldoet aan:

a. voorschrift V/2, paragraaf 8 van de bijlage bij het STCW-Verdrag, en

b. sectie A-V/2, paragraaf 5 van de STCW-Code.

 

§ 6. Beroepsvereisten ten aanzien van bijzondere typen voortbewogen schepen

 

Stoomschepen

 

Artikel 84

Voor de afgifte van het certificaat stoomvoortstuwing heeft de houder van ten minste het kennisbewijs wachtwerktuigkundige, dan wel van ten minste het diploma A als scheepswerktuigkundige, met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een door Onze Minister erkende opleiding die ten minste voldoet aan sectie A-III/1 en sectie A-III/2 van de STCW-Code voor wat betreft de functie scheepswerktuigkunde, en met name de aspecten stoomketels, stoomturbines en veiligheidsvoorschriften.

 

Hogesnelheidsvaartuigen

 

Artikel 85

1.Voor de afgifte van een type rating certificate voor de dienst aan boord van een hogesnelheidsvaartuig bestemd of gebezigd voor het vervoer van 36 passagiers of meer heeft de houder van tenminste het kennisbewijs wachtstuurman of wachtwerktuigkundige dan wel het diploma als derde stuurman voor de grote handelsvaart of het diploma A als scheepswerktuigkundige, met goed gevolg een door Onze Minister erkende opleiding en training afgerond die voldoet aan voorschrift 18.3.3 van de High Speed Craft Code.

2.Voor de afgifte van een type rating certificate voor de dienst aan boord van een hogesnelheidsvaartuig bestemd of gebezigd voor het vervoer van minder dan 36 passagiers heeft de houder van tenminste het kennisbewijs schipper-machinist beperkt werkgebied met goed gevolg een door Onze Minister erkende opleiding en training afgerond die voldoet aan voorschrift 18.3.3 van de High Speed Craft Code.

3.Een type rating certificate heeft een geldigheidsduur van maximaal twee jaar. Na afloop van de geldigheidsduur kan de geldigheid van het certificaat telkenmale met een periode van maximaal twee jaar worden verlengd mits de betrokkene aantoont dat hij in de afgelopen twee jaar tenminste een half jaar heeft dienst gedaan aan boord van het, in het certificaat genoemde, hogesnelheidsvaartuig.

 

Zeilschepen

 

Artikel 86

1. Voor afgifte van het certificaat grote zeilvaart voor de dienst aan boord van zeilschepen met een lengte van 40 meter of meer heeft de houder van een diploma of kennisbewijs als bedoeld in de artikelen 58, 59, 62 of 63 met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een door Onze Minister erkende opleiding in de aspecten scheepsvormen, materialen en tuigage, behandeling van zeilschepen en dynamische stabiliteit van zeilschepen.

2. Voor de afgifte van het kennisbewijs stuurman grote zeilvaart voldoet de aanvrager aan:

– voorschrift II/1, paragrafen 2.4 en 2.5 van de bijlage bij het STCW-verdrag;

– voorschrift II/2, paragraaf 4.3 van de bijlage bij het STCW-verdrag;

– voorschrift IV/2, paragraaf 2.2 van de bijlage bij het STCW-verdrag; en

– voorschrift VI/1 van de bijlage bij het STCW-verdrag;

en heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die ten minste voldoet aan:

– sectie A-II/1, de paragrafen 1 tot en met 6, van de STCW-Code, met uitzondering van de functie behandeling en stuwen van lading;

– sectie A-II/2, de paragrafen 1 tot en met 7, van de STCW-Code, met uitzondering van de functie behandeling en stuwen van lading, en onder toevoeging van de aspecten materialen en tuigage, scheepsvormen, behandeling van zeilschepen en dynamische stabiliteit van zeilschepen,

en heeft de aanvrager een vaartijd behaald van tenminste een jaar waarvan tenminste één seizoen aan boord van zeilschepen is doorgebracht en heeft hij in deze periode ten minste een half jaar wachtdienst op de brug gelopen onder toezicht van de kapitein, een bevoegde stuurman of een bevoegd maritiem officier.

3. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld met betrekking tot de beroepsvereisten voor de dienst aan boord van zeilschepen met een lengte van minder dan 40 meter.

 

§ 7. Beroepsvereisten overige veiligheidstrainingen

 

Basisveiligheid

 

Artikel 87

Voor de afgifte van het certificaat basisveiligheid heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende opleiding en training afgerond die voldoet aan:

– voorschrift VI/1 van de bijlage bij het STCW-Verdrag, en

– sectie A-VI/1, paragraaf 2 van de STCW-Code.

 

Sloepsgast

 

Artikel 88

Voor de afgifte van het certificaat sloepsgast heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende opleiding en training afgerond die voldoet aan:

– voorschrift VI/2, paragraaf 1 van de bijlage bij het STCW-Verdrag, en

– sectie A-VI/2, paragraaf 1 tot en met 4, van de STCW-Code.

 

Snelle hulpverleningsboten

 

Artikel 89

Voor de afgifte van het certificaat van bekwaamheid in het gebruik van snelle hulpverleningsboten voldoet de aanvrager aan:

– voorschrift VI/2, paragraaf 2 van de bijlage bij het STCW-Verdrag, en

– heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende opleiding en training afgerond die voldoet aan sectie A-VI/2, paragraaf 5 tot en met 8, van de STCW-Code.

 

Brandbestrijding voor gevorderden

 

Artikel 90

Voor de afgifte van het certificaat brandbestrijding voor gevorderden heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende opleiding en training afgerond die voldoet aan:

– voorschrift VI/3, van de bijlage bij het STCW-Verdrag, en

– sectie A-VI/3 van de STCW-Code.

 

§ 8. Beroepsvereisten scheepsgezondheidszorg

 

Artikel 91

1.Voor de afgifte van het certificaat scheepsgezondheidszorg B, heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training en opleiding afgerond die voldoet aan Richtlijn 92/29/EG (Minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen); deze opleiding omvat in elk geval:

a. kennis van de beginselen van de fysiologie, van de ziekteverschijnselen en van de therapie;

b. elementaire kennis op het gebied van de preventieve gezondheidszorg, waaronder begrepen de hygiëne;

c. elementaire kennis van profylactische maatregelen;

d. praktische kennis van elementaire medische handelingen;

e. kennis van de wijze van evacuatie van patiënten;

f. kennis van de wijze waarop de middelen voor medische consultatie op afstand moeten worden gebruikt.

2.Voor de afgifte van een certificaat scheepsgezondheidszorg O voldoet de aanvrager aan het eerste lid, en heeft ter verwerving van praktische kennis van elementaire medische handelingen, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, een praktijk stage vervuld op een afdeling voor spoedeisende hulp in een algemeen ziekenhuis van een bij regeling van Onze Minister vast te stellen duur, dan wel met goed gevolg een vergelijkbare training voltooid die voldoet aan bij regeling van Onze Minister vast te stellen eisen.

3.Voor de afgifte van een verlenging van de geldigheidsduur van het certificaat scheepsgezondheidszorg B heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende bijscholingscursus gevolgd die tenminste de in het eerste lid genoemde onderdelen a tot en met f omvat.

4.Voor de afgifte van een verlenging van de geldigheidsduur van het certificaat scheepsgezondheidszorg O voldoet de aanvrager aan het derde lid en heeft een herhalingsstage vervuld op een afdeling voor spoedeisende hulp in een algemeen ziekenhuis van een bij regeling van Onze Minister vast te stellen duur, dan wel met goed gevolg een vergelijkbare training voltooid die voldoet aan bij regeling van Onze Minister vast te stellen eisen.

 

§ 9. Beroepsvereisten voor scheepskoks

 

Artikel 92

1. Voor de afgifte van het diploma als scheepskok heeft de aanvrager:

a. met goed gevolg een door Onze Minister erkende opleiding en training afgerond die tenminste de volgende aspecten bevat:

– het bereiden van maaltijden;

– het bakken van brood;

– het behandelen van vlees;

– de kennis van de voedingswaarden van voedingsmiddelen;

– het opstellen van goed samengestelde en gevarieerde menu's;

– behandelen en opbergen van levensmiddelen;

– kennis van hygiëne met betrekking tot de kombuis;

– kennis van proviand administratie;

– kennis van buitenlandse maten en gewichten, en

b. een diensttijd behaald van ten minste en half jaar in de kombuis van een zeeschip.

2. In afwijking van lid 1, onder a en b, kan Onze Minister een diploma als scheepskok afgeven aan een aanvrager die aantoont dat hij op 1 augustus 1986 als scheepskok voer of als zodanig bij een rederij in dienst was en gedurende de daaraan voorafgaande periode een dienstverband van tenminste drie jaar als scheepskok heeft gehad met een Nederlandse zeewerkgever, en op die datum 23 jaar of ouder was.

 

§ 10. Beroepsvereisten voor scheepsofficieren

 

Artikel 92a

1.Voor de afgifte van het certificaat »Wetgeving en Openbaar Gezag» heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende opleiding wetgeving en openbaar gezag afgerond.

2.Deze opleiding omvat in elk geval:

a. kennis en inzicht in de Nederlandse wetgeving op de scheepvaart betrekking hebbende;

b. kennis van de bepalingen en handleidingen inzake het uitoefenen van openbaar gezag aan boord, alsmede vaardigheid in de toepassing hiervan, en

c. kennis van de maatregelen te nemen ter beveiliging van het schip en vaardigheid in het optreden in havens en op zee wat betreft veiligheidsaangelegenheden.

 

§ 11. Beroepsvereisten kapitein op reizen nabij de kust zonder beperking in voortstuwingsvermogen

 

Artikel 92b

Voor de afgifte van het certificaat kapitein beperkt werkgebied zonder beperking in voortstuwingsvermogen, heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende opleiding en training kapitein beperkt werkgebied zonder beperking in voortstuwingsvermogen afgerond die ten minste de volgende aspecten omvat:

a. karakteristieken van typen sleepboten;

b. stabiliteit en krachten bij een voortstuwingsvermogen van 3000 kW en meer;

c. technische- en milieutechnische aspecten;

d. veiligheid van gebruikte materialen in relatie tot een voortstuwingsvermogen van 3000 kW en meer.

 

Hoofdstuk 5. Nadere regels aangaande de monsterrol en het monsterboekje

 

§ 1. De monsterrol

 

Artikel 93

1.Bij regeling van Onze Minister wordt het model van de monsterrol vastgesteld.

2.Op de monsterrol worden naast de gegevens, genoemd in artikel 33 van de wet voor ieder bemanningslid aangetekend:

a. de plaats en de dag van aanmonstering en de plaats en de dag van afmonstering;

b. de geboortedatum;

c. het nummer van het monsterboekje;

d. de naam en roepletters van het schip.

3.Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat andere gegevens in de monsterrol worden vermeld.

 

Artikel 94

1. Alvorens een schip voor de eerste maal naar zee vertrekt en vervolgens met tussenpozen van niet meer dan twaalf maanden wordt een monsterrol opgemaakt.

2. Bij elke wijziging in de bemanningssamenstelling wordt een monsterrol opgemaakt.

3. Ter uitvoering van artikel 34, eerste lid, onderdeel d, van de wet zendt de kapitein binnen een week na het opmaken, dan wel in de eerstvolgende haven de monsterrol aan de scheepsbeheerder.

4. De scheepsbeheerder houdt aantekening van de datum van ontvangst van monsterrollen.

5. De monsterrollen worden ten kantore van de scheepsbeheerder in Nederland bewaard en ter beschikking gehouden ten behoeve van het houden van toezicht door de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.

 

Artikel 95

De scheepsbeheerder stelt Onze Minister telkenmale schriftelijk in kennis van het feit dat hij van de kapitein een opgemaakte monsterrol heeft ontvangen.

 

Artikel 96

De scheepsbeheerder bewaart een monsterrol, nadat zij is vervangen of nadat de geldigheidsduur is verstreken, gedurende drie jaar na de vervangingsdatum of geldigheidsdatum.

 

§ 2. Het monsterboekje

 

Artikel 97

1. Onze Minister geeft een monsterboekje af aan degene die bij de aanvraag voldoet aan het tweede lid.

2. Voor de afgifte van een monsterboekje komt uitsluitend in aanmerking:

a. degene die aantoont dat met een scheepsbeheerder of zeewerkgever een arbeidsovereenkomst voor de vaart ter zee is aangegaan of zal worden aangegaan;

b. degene die aantoont een opleiding te volgen voor een beroep waarvoor een vaarbevoegdheidsbewijs vereist is;

c. degene die behoort tot een andere, door Onze Minister aan te wijzen categorie personen, of

d. degene die het monsterboekje naar het oordeel van Onze Minister ten behoeve van zijn beroepsuitoefening nodig heeft.

 

Artikel 98

1. Bij het verzoek om afgifte van een monsterboekje worden de volgende bescheiden overgelegd:

a. een geldig paspoort of ander geldig nationaliteitsbewijs van de houder;

b. twee identieke, recente, goedgelijkende pasfoto's van de aanvrager, zo mogelijk zonder hoofddeksel, van ongeveer 4 cm hoogte en 3 cm breedte, zodanig dat de afbeelding voor ongeveer drievierde de ene gelaatshelft en voor ongeveer één-vierde de andere weergeeft; de pasfoto's vertonen geen beschadigingen en zijn aan de achterzijde voorzien van de naam van de aanvrager;

c. een niet langer dan 6 maanden voor de aanvraag afgegeven, de aanvrager betreffend gewaarmerkt afschrift van de benodigde gegevens uit de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente waar de aanvrager is ingeschreven;

d. de bewijsstukken, waardoor wordt aangetoond dat de aanvrager aan artikel 97 voldoet;

e. zo nodig aanvullende informatie, die nodig is om de gegevens, bedoeld in artikel 99, in het monsterboekje te kunnen opnemen.

2. De aanvraag wordt niet in behandeling genomen dan nadat de kosten voor de afgifte van het monsterboekje zijn voldaan.

3. In plaats van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde documenten kunnen daarvan kopieën worden overgelegd, die door de ambtenaar van de afdeling bevolking van de gemeente waar de aanvrager is ingeschreven zijn gewaarmerkt of door een andere door Onze Minister geaccepteerde autoriteit.

4. In plaats van het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde afschrift kan, indien de aanvrager zijn hoofdverblijf niet in Nederland heeft, worden volstaan met documenten die in het land van herkomst gebruikelijk zijn.

5. Bij ministeriële regeling wordt de wijze van afgifte van het monsterboekje bepaald.

 

Artikel 99

1. Alvorens het monsterboekje af te geven, met uitzondering van het voorlopig monsterboekje als bedoeld in artikel 101, eerste lid, onder a, tekent Onze Minister in elk geval de volgende gegevens erin aan:

a. van de houder:

1°. naam en voornamen;

2°. plaats en datum van geboorte;en

3°. nationaliteit.

b. de plaats en datum van afgifte;

c. de datum, waarop de geldigheid vervalt.

2. Voorts bevat het monsterboekje:

a. een pasfoto als bedoeld in artikel 98, eerste lid, onderdeel b;

b. de handtekening van de houder.

3. Een monsterboekje is slechts geldig indien het de handtekening van de houder bevat.

 

Artikel 100

1.Bij de aanvraag van een monsterboekje wegens verlies van het reeds afgegeven monsterboekje legt de aanvrager behalve de in artikel 98, eerste lid, onderdelen a en b genoemde bescheiden, een verklaring over waaruit blijkt dat de aanvrager van de vermissing van het monsterboekje aangifte heeft gedaan dan wel andere bewijsstukken met betrekking tot het verlies.

2.Bij de aanvraag van een monsterboekje ter vernieuwing van het monsterboekje, respectievelijk het verlopen van de geldigheidsduur of het onbruikbaar worden van het monsterboekje legt de aanvrager het oude, respectievelijk onbruikbaar geworden monsterboekje over, alsmede twee pasfoto's'als bedoeld in artikel 98, eerste lid, onderdeel b.

 

Artikel 101

1. Onverminderd artikel 97, tweede lid, kan in de volgende gevallen een voorlopig monsterboekje worden afgegeven:

a. indien de aanvrager niet tijdig in Nederland een monsterboekje kan aanvragen;

b. op verzoek van de zeevarende die aantoont het monsterboekje niet langer dan drie maanden nodig te hebben voor zijn werkzaamheden aan boord; of

c. indien naar het oordeel van Onze Minister niet zeker is dat de aanvrager een arbeidsovereenkomst met de scheepsbeheerder of de zeewerkgever zal kunnen sluiten.

2. In het geval, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, wordt het monsterboekje ingevuld en afgegeven door de kapitein.

3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid, onderdelen b en c, wordt het monsterboekje ingevuld en afgegeven door Onze Minister.

 

Artikel 102

De artikelen 97, tweede lid, 98 en 99 zijn van overeenkomstige toepassing bij de afgifte van een vervangend monsterboekje of een voorlopig monsterboekje.

 

Artikel 103

1. Bij regeling van Onze Minister wordt bepaald welke personen naast de kapitein bevoegd zijn tot het maken van de daarbij genoemde aanvullende aantekeningen of van wijzigingen in een monsterboekje of een voorlopig monsterboekje.

2. Een monsterboekje of een voorlopig monsterboekje, waarin een ander dan een van de in het eerste lid bedoelde personen de daarbij genoemde aantekeningen of wijzigingen heeft aangebracht, is ongeldig.

3. Degene, die onbevoegd aantekeningen of wijzigingen heeft aangebracht in een monsterboekje, draagt de kosten van de vervanging van dat monsterboekje.

 

Hoofdstuk 6. Nadere regels aangaande de medische geschiktheid van zeevarenden

 

Artikel 104

1.Alle bemanningsleden aan boord van Nederlandse schepen zijn voorzien van een geldige geneeskundige verklaring zeevaart.

2.Een bemanningslid dat aan boord met een wachtfunctie is belast, is bovendien voorzien van een verklaring dat dit lid voldoet aan de medische eisen betreffende het gezichtsorgaan en het gehoor, bedoeld in artikel 106, eerste lid, tweede volzin.

3.Het model voor de verklaringen, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt door Onze Minister vastgesteld.

 

Artikel 105

1.Ten behoeve van de afgifte van een in artikel 104 genoemde geneeskundige verklaring worden de bemanningsleden aan een daarop gericht medisch onderzoek onderworpen door een door Onze Minister daartoe als keuringsarts aangewezen geneeskundige.

2.Indien de keuringsarts twijfels heeft omtrent de medische geschiktheid dan wel wanneer in de medische eisen, bedoeld in artikel 106, eerste lid, een specialistisch rapport is vereist, verwijst deze arts de keurling voor deelonderzoek door naar een specialist.

3.Een geneeskundige verklaring zeevaart wordt afgegeven door een keuringsarts die heeft vastgesteld dat de keurling voldoet aan de voor die verklaring van toepassing zijnde medische eisen, bedoeld in artikel 106, eerste lid.

4.Indien de gekeurde gebruik wenst te maken van zijn recht om opnieuw te worden onderzocht, wordt hij onderzocht door een ingevolge artikel 42, eerste lid, van de wet als scheidsrechter aangewezen geneeskundige.

5.De in dit besluit bedoelde onderzoeken worden verricht door geneeskundigen die niet de behandelend arts of specialist van de keurling zijn.

 

Artikel 106

1.Bij regeling van Onze Minister worden de medische eisen vastgesteld waaraan de keurling moet voldoen om in aanmerking te komen voor de geneeskundige verklaring, bedoeld in artikel 104. Daarbij worden tevens de medische eisen betreffende het gezichtsorgaan en het gehoor vastgesteld voor bemanningsleden die aan boord een wachtfunctie vervullen.

2.Bij regeling van Onze Minister worden de procedures en andere voorschriften vastgesteld die in acht worden genomen bij elk van de onderzoeken, bedoeld in artikel 105.

3.Bij de vaststelling van medische eisen wordt bepaald ten aanzien van welke nieuwe medische eisen een ontheffing als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de wet kan worden verleend.

4.In afwijking van het vereiste in het eerste lid kan de Medisch Adviseur Scheepvaart aan een keurling ontheffing verlenen van één van de medische eisen indien naar zijn mening het niet voldoen aan die medische eis de veiligheid niet nadelig beïnvloedt.

 

Artikel 107

1.De geldigheid van een geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart als bedoeld in artikel 104 vervalt na verloop van ten hoogste twee jaar na de datum van afgifte ervan.

2.Op medische gronden kan de keuringsarts een geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart als genoemd in artikel 104 afgeven voor een kortere duur dan die, genoemd in het eerste lid.

3.De keuringsarts kan voorts een geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart als bedoeld in artikel 104 afgeven voor een beperkt vaargebied.

 

Artikel 108

1.De keuringsarts kan de gekeurde tijdelijk of blijvend ongeschikt voor de zeevaart verklaren.

2.De gekeurde is:

a. tijdelijk ongeschikt, indien op medische gronden wordt verwacht dat hij niet langer dan drie jaren voor de zeevaart ongeschikt zal zijn;

b. blijvend ongeschikt, indien op medische gronden wordt verwacht dat hij langer dan drie jaren voor de zeevaart ongeschikt zal zijn.

 

Artikel 109

De keuringsarts die het onderzoek uitvoert, neemt de in artikel 106, eerste lid, bedoelde medische eisen, de in artikel 106, tweede lid, bedoelde procedures en andere voorschriften, alsook voorzover van toepassing, de artikelen 107 en 108 in acht.

 

Artikel 110

1.Een geneeskundige kan Onze Minister verzoeken hem aan te wijzen als keuringsarts. Bij het verzoek wordt een geldig bewijs van registratie als arts, bedoeld in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, overgelegd.

2.Indien het verzoek is ingediend door een geneeskundige die in het buitenland zijn praktijk houdt, vergewist de Medisch Adviseur Scheepvaart zich van diens vakbekwaamheid.

3.Onze Minister gaat niet over tot aanwijzing van een geneeskundige indien diens onafhankelijkheid ten opzichte van werkgevers, werknemers of hun organisaties niet gewaarborgd is, of ingeval diens professionele kundigheden, praktijkervaring of beroepsuitrusting naar het oordeel van de Medisch Adviseur Scheepvaart, ressorterend onder Onze Minister, ontoereikend zijn.

4.Bij het besluit van Onze Minister over de aanwijzing worden het aantal reeds aangewezen geneeskundigen en de spreiding over het land in relatie tot de regionale of plaatselijke behoefte in aanmerking genomen.

5.De aanwijzing als keurend arts wordt afgegeven voor een periode van ten hoogste vijf jaren. Na afloop van deze periode kan een hernieuwd verzoek om aanwijzing als keurend arts worden ingediend; bij dit hernieuwde verzoek wordt het bewijsstuk vermeld in het eerste lid overgelegd, tenzij het tweede lid van toepassing is.

6.De aangewezen geneeskundige is verplicht de door Onze Minister, op aanbeveling van de Medisch Adviseur Scheepvaart, aangewezen nascholingscursussen te volgen. De kosten van deelname komen voor rekening van de betrokken geneeskundige.

 

Artikel 111

Onze Minister trekt, op advies van de Medisch Adviseur Scheepvaart, een aanwijzing in indien is gebleken dat de keuringsarts of scheidsrechter:

a. de algemeen geldende medische of ethische normen niet in acht neemt;

b. zich bij herhaling niet houdt aan het gestelde in de artikelen 105 tot en met 109 of zijn beroepsuitrusting niet toereikend is voor zijn taak als keuringsarts;

c. valse of vervalste verklaringen heeft afgegeven;

d. niet meer in het betrokken register vermeld is als arts;

e. onder curatele is gesteld wegens geestelijke stoornis;

f. anderszins niet meer gerechtigd is de geneeskunst uit te oefenen;

g. een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend;

h. diens onafhankelijkheid ten opzichte van werkgevers, werknemers of hun organisaties niet langer gewaarborgd is;

i. een te gering aantal keuringen heeft verricht om door praktische ervaring zijn bekwaamheid als keuringsarts op peil te houden, of

j. heeft verzuimd een voor hem aangewezen nascholingscursus te volgen.

 

Artikel 112

1.De kosten van een geneeskundig onderzoek, heronderzoek of specialistisch deelonderzoek als bedoeld in de artikelen 40 en 42 van de wet komen voor rekening van de scheepsbeheerder of werkgever.

2.Voor zover er geen scheepsbeheerder of werkgever is aan te wijzen worden de kosten, bedoeld in het eerste lid, gedragen door degene die opdracht heeft gegeven voor het onderzoek.

3.De kosten van een geneeskundig onderzoek of specialistisch deelonderzoek als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet worden door het Rijk gedragen.

4.De kosten van een heronderzoek of een aanvullend specialistisch deelonderzoek, bedoeld in de artikelen 40 en 42 van de wet worden gedragen door het Rijk, voor zover zij naar het oordeel van Onze Minister redelijkerwijs niet voor rekening van de gekeurde behoren te komen.

 

Artikel 113

1.De Medisch Adviseur Scheepvaart kan geneeskundige verklaringen, afgegeven op grond van medische eisen die naar zijn oordeel ten minste gelijkwaardig zijn aan het geheel van de medische eisen die krachtens dit besluit worden gesteld, gelijkstellen met een of meer krachtens dit besluit afgegeven geneeskundige verklaringen van geschiktheid voor de zeevaart.

2.Een geneeskundige verklaring als bedoeld in het eerste lid die niet op grond van dit besluit is afgegeven, mag niet langer dan twee jaren vóór de beoordeling zijn afgegeven.

3.Bij toepassing van het eerste lid geeft de Medisch Adviseur Scheepvaart een geneeskundige verklaring af als genoemd in artikel 104 van dit besluit.

 

Artikel 114 [Vervallen per 01-01-2005]

 

Artikel 115 [Vervallen per 01-01-2005]

 

Hoofdstuk 7. Bijzondere bepalingen voor de bemanning van zeeschepen

 

Artikel 116

1.Bemanningsleden aan wie in de alarmrol van het schip een veiligheidstaak wordt opgedragen dan wel die een taak ten aanzien van het voorkomen van verontreiniging van de zee hebben, zijn in het bezit van een certificaat waaruit blijkt dat zij met goed gevolg een door Onze Minister erkende training en opleiding «basis veiligheid» als bedoeld in artikel 87 hebben gevolgd, tenzij zij aan de hand van een monsterboekje of van een soortgelijk document kunnen aantonen dat zij reeds voor 1 augustus 1998 aan boord van zeeschepen werkzaam waren.

2.Voor bemanningsleden met de functie van ten minste wachtstuurman, wachtwerktuigkundige of maritiem officier geldt het geldige vaarbevoegdheidsbewijs als het certificaat, bedoeld in het eerste lid.

3.Overige bemanningsleden, die niet behoren tot de categorieën genoemd in het eerste of het tweede lid, krijgen voordat zij hun taken aan boord beginnen voldoende informatie en instructie ten einde:

a. met de overige opvarenden over elementaire veiligheidszaken te kunnen spreken, begrip te hebben van de veiligheidssymbolen en de alarmseinen te kennen;

b. te weten wat te doen indien: iemand over boord valt; vuur of rook wordt ontdekt; het sein «brandalarm» of «schip verlaten» wordt gegeven;

c. te weten waar de reddingsgordels zich bevinden en hoe deze om te doen;

d. alarm te slaan en bekend te zijn met het gebruik van handbrandblussers;

e. te weten wat te doen bij een ongeluk voordat hulp wordt ingeroepen;

f. de brand- en waterdichte deuren, met uitzondering van die ter afsluiting van openingen in de romp, te kunnen sluiten en openen.

 

Artikel 117

1.De kapitein van elk schip draagt er zorg voor dat voor het ondernemen van een reis en gedurende de reis overeenkomstig Hoofdstuk III/10 van het SOLAS-verdrag voldoende sloepsgasten aan boord zijn die in het bezit zijn van het certificaat, bedoeld in artikel 88.

2.Voor de toepassing van het eerste lid worden kapiteins, stuurlieden en maritieme officieren geacht in het bezit te zijn van het certificaat als sloepsgast.

3.De kapitein van elk schip dat is uitgerust met snelle hulpverleningsboten draagt er zorg voor dat voor het ondernemen van een reis en gedurende de reis voor iedere snelle hulpverleningsboot tenminste twee bemanningsleden beschikbaar zijn in het bezit van het certificaat van bekwaamheid in het gebruik van snelle hulpverleningsboten als bedoeld in artikel 89.

 

Artikel 118

1.De kapitein en het bemanningslid aan wie, onder de verantwoordelijkheid van de kapitein, de zorg voor het gebruik en het beheer van de medische uitrusting is overgedragen zijn in het bezit van het certificaat scheepsgezondheidszorg-O (onbeperkt), bedoeld in artikel 91, tweede lid, of, wanneer aan het schip een veiligheidscertificaat voor vrachtschepen dan wel veiligheidscertificaat voor passagierschepen voor beperkt vaargebied is afgegeven in die zin dat het schip uitsluitend reizen onderneemt in zeegebied A2, zoals omschreven in Hoofdstuk IV van het SOLAS-verdrag, van het certificaat scheepsgezondheidszorg-B (beperkt), bedoeld in artikel 91, eerste lid.

2.Voor de toepassing van het eerste lid worden bezitters van het kennisbewijs maritiem officier, middelbaar maritiem officier, stuurman werktuigkundige kleine schepen, baggeraarstuurman, wachtstuurman, stuurman grote zeilvaart en stuurman kleine zeilvaart en het diploma als derde stuurman voor de grote handelsvaart geacht in het bezit te zijn van het certificaat scheepsgezondheiszorg B.

3.De in het eerste lid bedoelde personen volgen ten minste eenmaal in de vijf jaar een bijscholingscursus als bedoeld in artikel 91, derde lid, die voor personen aan boord van vaartuigen met een veiligheidscertificaat voor vrachtschepen dan wel veiligheidscertificaat voor passagierschepen voor onbeperkt vaargebied mede een herhalingsstage, bedoeld in artikel 91, vierde lid, omvat.

4.Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit artikel.

 

Artikel 119

1.Op een schip dat op een internationaal traject van meer dan drie dagen vaart, met een bemanning en overig personeel van honderd personen of meer die, in welke hoedanigheid ook, aan boord ten behoeve van het schip in dienst of tewerkgesteld zijn, inclusief stagiairs en leerlingen alsmede personen die werkzaam zijn als loods, is een arts aanwezig.

2.Indien aan het eerste lid is voldaan, kan in afwijking van artikel 118, eerste lid, voor de kapitein worden volstaan met het bezit van het certificaat scheepsgezondheidszorg B, bedoeld in artikel 91, eerste lid.

3.Bij regeling van Onze Minister kunnen, met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens artikel 21 van de wet, nadere eisen worden gesteld ten aanzien van de bekwaamheid van de in het eerste lid genoemde arts.

 

Artikel 120

1. Aan boord van een schip waarvan de voorgeschreven bemanning uit meer dan 9 personen bestaat, moet daarboven een gediplomeerde scheepskok belast zijn met de bereiding van de voeding.

2. Onder een gediplomeerde scheepskok wordt verstaan een persoon van 18 jaar of ouder in het bezit van een door de Minister erkend diploma als scheepskok als bedoeld in artikel 92.

3. Onze Minister kan diploma's, door bevoegde autoriteiten in andere landen afgegeven op grond van het Verdrag betreffende het diploma van bekwaamheid als scheepskok, 1946, als gelijkwaardig aan Nederlandse diploma's erkennen.

4. Onze Minister kan op een daartoe strekkend verzoek van de scheepsbeheerder voor een bepaalde tijd ontheffing verlenen van het eerste lid met betrekking tot het gediplomeerd zijn van de scheepskok, indien er naar zijn redelijk oordeel een onvoldoende aantal gediplomeerde scheepskoks ter beschikking staat.

5. Aan een in het vierde lid bedoelde ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Indien de voorschriften niet worden nageleefd kan Onze Minister een verleende ontheffing tussentijds intrekken.

 

Artikel 120a [Treedt in werking per 20-08-2013]

Aan boord van een schip waarvan de voorgeschreven bemanning uit minder dan tien personen bestaat, heeft eenieder die in de kombuis levensmiddelen verwerkt een opleiding genoten of instructie gekregen op het gebied van voeding, persoonlijke hygiëne en de behandeling en opslag van levensmiddelen aan boord van schepen.

 

Artikel 121

1. Aan boord van een schip dat reizen onderneemt buiten het zeegebied A1, zoals omschreven in Hoofdstuk IV van het SOLAS-verdrag, is ten minste één persoon die als chef van de wacht, bedoeld in Sectie A-VIII/2, part 1, van de STCW-Code, kan optreden in het bezit van een algemeen certificaat maritieme radio-communicatie, afgegeven in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens het Frequentiebesluit 2013; een van deze personen is door de kapitein aangewezen als de verantwoordelijke persoon voor de afhandeling van radioberichtgeving tijdens noodgevallen. Alle andere personen die als chef van de wacht kunnen optreden zijn in het bezit zijn van het beperkte certificaat maritieme radiocommunicatie

2. Aan boord van een schip dat uitsluitend reizen onderneemt in zeegebied A1, is ten minste één der personen die als chef van de wacht kunnen optreden in het bezit van het beperkt certificaat maritieme radiocommunicatie, afgegeven in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens het Frequentiebesluit 2013.

 

Artikel 122

De scheepsbeheerder draagt er zorg voor dat:

a. tussen alle bemanningsleden een doelmatige communicatie over veiligheidsaspecten kan plaatsvinden. Voorts dient hij zeker te stellen dat er op adequate wijze communicatie kan plaatsvinden tussen het schip en de autoriteiten te land, in een gemeenschappelijke taal of in de taal van de autoriteiten;

b. aan boord van passagiersschepen een werktaal wordt vastgesteld die in het journaal wordt aangetekend;

c. aan boord van passagiersschepen de bemanningsleden, die op de alarmrol zijn aangewezen om de passagiers in kritieke situaties te helpen, beschikken over voor dat doel toereikende communicatieve vaardigheden en duidelijk herkenbaar zijn en,

d. onverminderd het bepaalde onder a, op olietankschepen, chemicaliëntankschepen en gastankschepen, de bemanningsleden in staat zijn met elkaar te communiceren in een of meer gemeenschappelijke werktalen.

 

Artikel 123

1. De scheepsbeheerder legt aan Onze Minister een verklaring in drievoud over, waarin hij voor ieder onderdeel van artikel 122, voor zover het desbetreffende onderdeel betrekking heeft op zijn schip, nauwkeurig vermeldt op welke wijze hij ten aanzien van zijn schip uitvoering heeft gegeven aan zijn verplichtingen ingevolge dat artikel.

2. Onze Minister registreert de overgelegde verklaring, bedoeld in het eerste lid, en zendt de eigenaar twee door hem ten teken van registratie gewaarmerkte afschriften van de verklaring.

3. De eigenaar verschaft de kapitein een van de twee exemplaren van de geregistreerde verklaring, bedoeld in het tweede lid.

4. De verklaring, bedoeld in het eerste lid, heeft een geldigheidsduur van vijf jaar.

5. In afwijking van het vierde lid heeft de verklaring, bedoeld in het eerste lid, voor passagiersschepen een geldigheidsduur van één jaar.

6. De verklaring bedoeld in het derde lid wordt door de kapitein in een voor iedereen toegankelijke plaats opgehangen.

 

Artikel 124

Bij regeling van Onze Minister kunnen, ter uitvoering van Verdragen of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in dit besluit geregelde onderwerpen.

 

Artikel 124a

Bij regeling van Onze Minister kunnen ter uitvoering van de Verordening (EG) nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van zeeschepen en havenfaciliteiten (PbEG L 129) nadere regels worden gesteld omtrent de opleiding van de voorgeschreven scheepsbeveiligingsofficier.

 

Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen

 

Artikel 125

De op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet ten behoeve van de medische of scheidsrechterlijke keuring van zeevarenden aangewezen artsen en medisch specialisten blijven aangewezen tot het tijdstip dat de aanwijzing met inachtneming van dit besluit wordt ingetrokken.

 

Artikel 126

Het koninklijk besluit van 8 oktober 1937, tot vaststelling van een Algemeenen Maatregel van Bestuur ter uitvoering van artikel 2, derde lid, van de Wet op de Zeevaartdiploma’s 1935 (Staatsblad n°. 456), Stb. 579B wordt ingetrokken.

 

Artikel 127

[Wijzigt het Schepelingenbesluit.]

 

Artikel 128

[Wijzigt het Keuringsbesluit vaarbewijzen binnenvaart]

 

Artikel 129

[Wijzigt het Besluit certificaatloodsen]

 

Artikel 130

[Wijzigt het Loodsenregisterbesluit]

 

Artikel 131

[Wijzigt het Besluit verklaringhouders Scheepvaartverkeerswet]

 

Artikel 132

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Hoofdstukken 2 en 4 van de Zeevaartbemanningswet in werking treden.

 

Artikel 130*

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit zeevaartbemanning handelsvaart en zeilvaart.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

's-Gravenhage, 23 augustus 2001

 

BEATRIX

 

De Minister van Verkeer en Waterstaat,
T. Netelenbos

 

Uitgegeven de vierentwintigste januari 2002
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals

 

 

 

 

    
 

x

   

home | de wet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x