Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Monumentenwet 1998  (MW)

 

BESLUIT  ARCHEOLOGISCHE  MONUMENTENZORG

Tekst zoals deze geldt op 24 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 9 augustus 2007, houdende regels ter uitvoering van de Wet op de archeologische monumentenzorg en enkele technische wijzigingen van het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (Besluit archeologische monumentenzorg)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 28 februari 2007, nr. WJZ/2007/2608 (8129), directie Wetgeving en Juridische Zaken, in overeenstemming met Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Economische Zaken;
     Gelet op de artikelen 34a, eerste en tweede lid, en 48, eerste en tweede lid, van de Monumentenwet 1988, artikel 40a van de Woningwet en de artikelen 49 en 190 van de Mijnbouwwet;
     De Raad van State gehoord (advies van 12 april 2007, W05.07.0055/I);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 augustus 2007, nr. WJZ/2007/11542 (8129), directie Wetgeving en Juridische Zaken, in overeenstemming met Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Economische Zaken;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk 1. Definitiebepalingen

 

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

aanvraag:

1. voor hoofdstuk 2: aanvraag voor een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 34a, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, of

2. voorhoofdstuk 3: aanvrager van een vergunning als bedoeld in artikel 45 van de Monumentenwet 1988;

drempelbijdrage: deel van de kosten van het doen van opgravingen dat ten laste komt van de gemeente of de provincie;

excessieve kosten: deel van de kosten van het doen van opgravingen dat het bedrag dat wordt gevormd door de som van de drempelbijdrage en het verstoordersdeel te boven gaat;

leidinggevende: degene die binnen de organisatie van de aanvrager, bedoeld in hoofdstuk 3, daadwerkelijk leiding geeft aan het doen van de opgravingen;

specifieke uitkering: specifieke uitkering als bedoeld in artikel 34a, eerste lid, van de Monumentenwet 1988;

vergunning: vergunning als bedoeld in artikel 45 van de Monumentenwet 1988;

verstoordersdeel:

1. deel van de kosten van het doen van opgravingen dat volgens de aanvrager, bedoeld in hoofdstuk 2, ten laste blijft van degene die door de aanvrager tot het doen van opgravingen is verplicht, of

2. bedrag dat Onze minister op grond van artikel 6 heeft vastgesteld;

wet: Monumentenwet 1988.

 

Hoofdstuk 2. Excessieve kosten archeologische opgravingen

 

1. Berekening van de drempelbijdrage

 

Artikel 2

1.De drempelbijdrage bestaat uit het inwoneraantal van de betreffende gemeente of provincie vermenigvuldigd met een door Onze minister vast te stellen bedrag.

2.Voor de berekening van de drempelbijdrage is bepalend het inwoneraantal van de gemeente of provincie op 1 januari van het jaar waarin de aanvraag is ingediend.

 

2. Aanvraag

 

Artikel 3

De aanvraag gaat vergezeld van:

a. het besluit waarbij de verplichting tot het doen van de betreffende opgravingen is opgelegd,

b. het besluit, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, onder a, b of c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of artikel 26 van de Ontgrondingenwet, en het verzoek dat aan dat besluit ten grondslag ligt,

c. een overzicht van de totale kosten van het doen van de betreffende opgravingen, en

d. het programma van eisen met betrekking tot het doen van de betreffende opgravingen.

 

3. Uitkeringsplafond

 

Artikel 4

1.Onze minister stelt jaarlijks vast tot welk bedrag ten hoogste verplichtingen kunnen worden aangegaan voor het verstrekken van specifieke uitkeringen.

2.Onze minister verleent specifieke uitkeringen in de volgorde van ontvangst van de aanvragen.

 

4. Verlening van de specifieke uitkering

 

Artikel 5

Onze minister kan een specifieke uitkering verlenen voor de excessieve kosten.

 

Artikel 6

Onze minister kan het verstoordersdeel anders vaststellen dan de aanvrager, indien hij van oordeel is dat de aanvrager niet in redelijkheid het desbetreffende bedrag heeft kunnen vaststellen.

 

Artikel 7

Het besluit tot verlening vermeldt in ieder geval het bedrag van de te verlenen specifieke uitkering dat ten hoogste zal worden verleend.

 

Artikel 8

Onze minister kan voorschotten verlenen.

 

Artikel 9

Artikel 4:34, eerste, derde en vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

 

5. Weigering van de specifieke uitkering

 

Artikel 10

1. Onze minister kan een specifieke uitkering weigeren geheel of gedeeltelijk te verlenen:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | MW | alle wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x