Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Mijnbouwwet

 

MIJNBOUWBESLUIT

Tekst zoals deze geldt op 24 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 6 december 2002, houdende regels ter uitvoering van de Mijnbouwwet (Mijnbouwbesluit)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 30 augustus 2002, nr. WJZ 02042889;
     Gelet op bijlage 14, deel II, bij het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Stb. 1947, 165), het op 30 november 1990 te Londen tot stand gekomen Internationaal verdrag inzake de voorbereiding op, de bestrijding van en de samenwerking bij olieverontreiniging (Trb. 1992, 1), het op 22 september 1992 te Parijs tot stand gekomen Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (Trb. 1993, 141), het op 2 november 1973 te Londen tot stand gekomen Internationaal verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Trb. 1978, 188), de artikelen 1, onderdeel n en o, 19, 25, 35, derde lid, 39, 41, eerste lid, 43, tweede lid, 49, 52, eerste lid, 123, vijfde lid, 130, 135, vierde lid, onderdeel a, vijfde en zevende lid, 136, eerste lid, 139, tweede lid, 141, tweede lid, 151 en 190 van de Mijnbouwwet, alsmede artikel 99, tweede lid, van de Wet bodembescherming;
     De Raad van State gehoord (advies van 22 oktober 2002, nr. W10.02.0387/II);
     Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 3 december 2002, nr. WJZ 02057343;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemeen

 

§ 1.1. Begripsbepalingen

 

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. wet: Mijnbouwwet;

b. schade: aantasting van de in artikel 49, tweede en derde lid, van de wet bedoelde belangen;

c. mijnbouwactiviteiten: activiteiten waarop artikel 49, eerste en vijfde lid, van de wet van toepassing is;

d. de uitvoerder: de in artikel 41, vierde lid, van de wet bedoelde persoon;

e. veiligheid: veiligheid van personen en bescherming van zaken, voor zover hieromtrent geen regels zijn gesteld bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet;

f. inspecteur-generaal der mijnen: inspecteur-generaal der mijnen als bedoeld in artikel 126, tweede lid, van de wet.

 

Artikel 2

1. Als mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 1, onderdeel n, van de wet worden aangewezen:

a. boorgaten, bestemd voor de opsporing en winning van delfstoffen of aardwarmte of voor de opslag van stoffen, voor zover deze geen onderdeel uitmaken van de werken, genoemd in de onderdelen b tot en met e, en niet geheel buiten gebruik zijn gesteld;

b. werken voor het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte;

c. werken voor het opslaan van stoffen en het terughalen van opgeslagen stoffen met uitzondering van:

1°. water ten behoeve van het opslaan van warmte of koude op een diepte van ten hoogste van 500 meter;

2°. water ten behoeve van drinkwatervoorziening als bedoeld in de Drinkwaterwet;

d. werken voor het bewerken van gewonnen delfstoffen of aardwarmte voor het punt van aflevering aan de afnemer;

e. werken voor het bewerken van stoffen voorafgaande aan de opslag ervan dan wel voor het bewerken van opgeslagen en teruggehaalde stoffen voor het punt van aflevering aan de afnemer;

f. werken voor het meten en registreren van in de onderdelen d en e genoemde stoffen of aardwarmte voor het punt van aflevering aan de afnemer;

g. werken voor het bevorderen van het transport van in de onderdelen d en e genoemde stoffen of aardwarmte voor het punt van aflevering aan de afnemer;

h. werken voor het verblijf van bij mijnbouwactiviteiten betrokken personen die verankerd zijn in of aanwezig zijn boven de bodem van oppervlaktewater.

2. Indien boorgaten of werken als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met h, fysiek met elkaar zijn verbonden, wordt het geheel als een mijnbouwwerk beschouwd.

 

§ 1.2. Overige algemene bepalingen

 

Artikel 3

1.Bij het verrichten van mijnbouwactiviteiten worden maatregelen genomen ter voorkoming van schade.

2.Indien bij het verrichten van mijnbouwactiviteiten ernstige schade dreigt te ontstaan of is ontstaan, wordt hiervan onmiddellijk mededeling gedaan aan de inspecteur-generaal der mijnen.

 

Artikel 4

1.De uitvoerder stelt een werkplan vast waarin alle in een vergunningsgebied uit te voeren mijnbouwactiviteiten staan vermeld.

2.Het werkplan is een jaarlijks voortschrijdend vijfjarenplan. De uitvoerder dient het plan in bij de inspecteur-generaal der mijnen binnen vier weken na verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 6 of 25 van de wet en vervolgens jaarlijks voor 1 november van het jaar, voorafgaand aan het eerste kalenderjaar waarop het plan betrekking heeft.

3.Ingrijpende afwijkingen van de in het eerste kalenderjaar opgenomen mijnbouwactiviteiten waarop het desbetreffende werkplan betrekking heeft, worden tenminste vier weken voor de verrichting van de desbetreffende activiteit ter kennis gebracht van de inspecteur-generaal der mijnen.

4.Bij ministeriėle regeling worden nadere regels gesteld omtrent de inhoud van het werkplan.

 

Artikel 5

De bescheiden en de gegevens, bedoeld bij of krachtens dit besluit, worden door een uitvoerder, een onderzoeker als bedoeld in artikel 9, een beheerder als bedoeld in artikel 92, onderdeel d, en een vergunninghouder als bedoeld in de artikelen 152 en 157 op deugdelijke wijze opgesteld en bijgehouden. Zij worden, voor zover bij of krachtens dit besluit niet anders is bepaald, gedurende ten minste een jaar bewaard.

 

Artikel 6

1.Tot de in artikel 130 van de wet bedoelde gevallen en wijze van vervoer worden gerekend:

a. vervoer dat plaatsvindt tussen 07.00 en 20.00 uur;

b. vervoer met een helikopter, met dien verstande dat ten hoogste aanspraak wordt gemaakt op vier plaatsen.

2.Indien bij het verrichten van mijnbouwactiviteiten ernstige schade dreigt te ontstaan of is ontstaan, kan op aanwijzing van de inspecteur-generaal der mijnen het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde vervoer plaatsvinden tussen 0.00 uur en 24.00 uur.

 

Artikel 7

1.Bij ministeriėle regeling worden regels gesteld omtrent de wijze waarop de aanvraag om een ontheffing of vergunning bij of krachtens de wet geschiedt en omtrent de gegevens en de bescheiden, welke daarbij worden overgelegd.

2.Indien na het verlenen van een ontheffing of vergunning wijzigingen optreden in de gegevens en bescheiden die op grond van de in het eerste lid bedoelde regeling zijn overgelegd, stelt de houder van de ontheffing of vergunning degene aan wie de gegevens en bescheiden moesten worden overgelegd, in kennis van de wijzigingen.

3.Een ontheffing of vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken, indien:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Mijnbouwwet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x