Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Mijnbouwwet

 

BESLUIT  ALGEMENE  REGELS  MILIEU  MIJNBOUW

Tekst zoals deze geldt op 24 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 3 april 2008, houdende regels betreffende het milieu met betrekking tot mobiele installaties en onderzeese installaties (Besluit algemene regels milieu mijnbouw)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 30 oktober 2007, nr. WJZ 7118005, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
     Gelet op artikel 40, tweede lid en negende lid, onderdeel a, van de Mijnbouwwet en de artikelen 8.40, 8.41 en 8.42 van de Wet milieubeheer;
     De Raad van State gehoord (advies van 20 december 2007, nr. W10.07.0408/III);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 28 maart 2008, nr. WJZ 8027133, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken;

b. mobiele installatie: een verplaatsbare installatie voor het aanleggen, testen, onderhouden, repareren of buiten gebruik stellen van een boorgat;

c. onderzeese installatie: een geheel boven en beneden de bodem van een oppervlaktewater gelegen mijnbouwinstallatie die niet boven het oppervlaktewater uitsteekt;

d. uitvoerder: de in artikel 41, vierde lid, van de Mijnbouwwet bedoelde persoon;

e. woning: een gebouw of deel van een gebouw dat voor bewoning wordt gebruikt of daartoe is bestemd;

f. geluidsgevoelige gebouwen: woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting en gebouwen gelegen op een gezoneerd industrieterrein;

g. geluidsgevoelige terreinen: geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting en terreinen op een gezoneerd industrieterrein;

h. ongewoon voorval: voorval als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer;

i. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het geven van een beschikking of het nemen van een ander besluit alsmede het bestuursorgaan dat bevoegd zou zijn een vergunning krachtens artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of artikel 40, tweede lid, van de Mijnbouwwet voor de betrokken inrichting of installatie te verlenen;

j. maatwerkvoorschrift: voorschrift dat nodig is ter bescherming van het milieu, inhoudende:

1į. een beschikking waarbij het bevoegd gezag aanvullende eisen stelt; dan wel

2į. een ontheffing waarbij het bevoegd gezag de daarbij aangewezen bepalingen niet van toepassing verklaart al dan niet onder het stellen van beperkingen of voorwaarden;

k. NRB: Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten, uitgegeven door Infomil;

l. PGS: Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen;

m. motorrendement: het procentuele aandeel van de warmte-inhoud van de toegevoerde brandstoffen, dat bij de hoogste belasting waarbij de zuigermotor continu kan worden bedreven, bij ISO-luchtcondities,in arbeid wordt omgezet;

n. ISO-luchtcondities: een temperatuur van 288į Kelvin, een druk van 101,3 kPa en een relatieve vochtigheid van 60 procent.

Artikel 2

Bij ministeriŽle regeling worden regels gesteld omtrent de bij de toepassing van dit besluit in acht te nemen tekst van:

a. de bij of krachtens dit besluit genoemde niet publiekrechtelijke regelingen of normen;

b. de NRB.

Artikel 3

1. De uitvoerder die weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door het in werking zijn van de mobiele installatie dan wel onderzeese installatie en de in verband met de mobiele installatie dan wel onderzeese installatie verrichte werkzaamheden en activiteiten nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, voorkomt die gevolgen of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.

2. Artikel 2.1, tweede en vierde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 2. Toepassingsgebied en meldingen

Artikel 4

Als categorieŽn van mijnbouwwerken als bedoeld in artikel 40, tweede lid, tweede volzin, van de Mijnbouwwet worden aangewezen:

a. een mobiele installatie op land met bijbehorend terrein met uitzondering van een mobiele installatie die geplaatst is bij een voor winning bestemd mijnbouwwerk;

b. een mobiele installatie in een oppervlaktewater, met uitzondering van een mobiele installatie die geplaatst is bij een voor winning bestemd mijnbouwwerk;

c. een onderzeese installatie die niet is verbonden met een voor winning bestemd mijnbouwwerk.

Artikel 5

1. Dit besluit is van toepassing op de volgende categorieŽn van installaties:

a. de installaties aangewezen in artikel 4;

b. een mobiele installatie op land of in een oppervlaktewater die geplaatst is binnen een voor winning bestemd mijnbouwwerk waarvoor een vergunning verplicht is op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

c. een onderzeese installatie die verbonden is met een voor winning bestemd mijnbouwwerk waarvoor een vergunning verplicht is op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

d. een mobiele installatie op het continentaal plat die geplaatst is bij een voor winning bestemd mijnbouwwerk waarvoor een vergunning nodig is op grond van artikel 40, tweede lid, eerste volzin van de Mijnbouwwet;

e. een onderzeese installatie op het continentaal plat die verbonden is met een voor winning bestemd mijnbouwwerk waarvoor een vergunning nodig is op grond van artikel 40, tweede lid, eerste volzin van de Mijnbouwwet.

2. Dit besluit is niet van toepassing op:

a. werkzaamheden met behulp van een mobiele installatie die plaatsvinden op een locatie die gelegen is in een gevoelig gebied als bedoeld onder a, b (tot 3 zeemijl uit de kust) of d van punt 1 van onderdeel A van de bijlage, behorende bij het Besluit milieueffectrapportage;

b. werkzaamheden met behulp van een mobiele installatie op land indien uit de berekening van het plaatsgebonden risico als bedoeld in artikel 44 van dit besluit blijkt dat er een beperkt kwetsbaar object als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen binnen de 10-6 per jaar veiligheidscontour is gelegen.

Artikel 6

1.Het aanleggen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat met behulp van een mobiele installatie op land als bedoeld in artikel 4, onderdeel a, of artikel 5, eerste lid, onderdeel b, geschiedt in overeenstemming met de voorschriften die zijn opgenomen in Hoofdstuk 3.

2.Het aanleggen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat met behulp van een mobiele installatie in oppervlaktewater als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, of artikel 5, eerste lid, onderdelen b en d, geschiedt in overeenstemming met de voorschriften die zijn opgenomen in hoofdstuk 4.

3.Het aanleggen, testen, onderhouden en repareren van een onderzeese installatie als bedoeld in artikel 4, onderdeel c, of het gebruik van een onderzeese installatie als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen c en e, geschiedt in overeenstemming met de voorschriften die zijn opgenomen in hoofdstuk 5.

4.De uitvoerder draagt er zorg voor dat de voorschriften, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, worden nageleefd.

Artikel 7

1.De uitvoerder die het voornemen heeft om werkzaamheden uit te voeren op land met een mobiele installatie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, meldt ten minste vier weken voor de aanvang van die werkzaamheden schriftelijk of per elektronische post aan Onze Minister:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Mijnbouwwet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x