Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wetboek van Strafvordering (Sv)

 

BESLUIT  TECHNISCHE  HULPMIDDELEN  STRAFVORDERING

Tekst zoals deze geldt op 24 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 20 oktober 2006 tot vaststelling van het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 1 mei 2006, nr. 5417624/06/6;
     Gelet op de artikelen 126m, negende lid, en 126ee van het Wetboek van Strafvordering en artikel 3.10 van de Telecommunicatiewet;
     De Raad van State gehoord (advies van 19 juni 2006, nr. W03.06.0141/l );
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 13 oktober 2006, nr. 5446307/06/6;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

 

Artikel 1. Definities

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. technisch hulpmiddel: een technisch hulpmiddel als bedoeld in artikel 126ee, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering;

b. observatie: observatie met een technisch hulpmiddel ter uitvoering van een bevel als bedoeld in artikel 126g, derde lid, artikel 126o, derde lid of artikel 126zd, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering;

c. opnemen van vertrouwelijke communicatie: het opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel, ter uitvoering van een bevel als bedoeld in artikel 126l, eerste lid, artikel 126s, eerste lid of artikel 126zf, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering;

d. opnemen van telecommunicatie: het opnemen van communicatie met een technisch hulpmiddel, ter uitvoering van een bevel als bedoeld in artikel 126m, eerste lid, 126t, eerste lid, en 126zg, eerste lid, voor zover het bevel, bedoeld in artikel 126m, derde of vierde lid, onderscheidenlijk artikel 126t, derde of vierde lid, en artikel 126zg, derde of vierde lid, ten uitvoer wordt gelegd zonder medewerking van de betrokken aanbieder;

e. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie;

f. de korpschef: de korpschef, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012;

g. AIVD: de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002.

 

Artikel 2. Overeenkomstige toepassing werkgever

Hetgeen in dit besluit wordt bepaald over de korpschef is van overeenkomstige toepassing op de werkgever van de ambtenaren bedoeld in artikel 141, onderdeel b en c van het Wetboek van Strafvordering.

 

Artikel 3. Reikwijdte

1.Opsporingsambtenaren als bedoeld in de artikelen 141, onderdelen b tot en met d, en 142 van het Wetboek van Strafvordering kunnen worden belast met de plaatsing, verwijdering en inzet van een technisch hulpmiddel voor observatie.

2.Opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering kunnen worden belast met de plaatsing, verwijdering en inzet van een technisch hulpmiddel voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie en het opnemen van telecommunicatie.

 

Artikel 4. Wederzijdse erkenningsclausules

1.Met technische hulpmiddelen in dit besluit worden gelijkgesteld technische hulpmiddelen die rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig zijn vervaardigd in een staat, niet zijnde een lid van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

2.Met een keuringsrapport als bedoeld in dit besluit wordt gelijkgesteld een verklaring van goedkeuring, afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lid van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, welke verklaring is afgegeven op basis van onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.

 

Hoofdstuk 2. Opslag, verstrekking en plaatsing van technische hulpmiddelen

 

Artikel 5. Opslag technische hulpmiddelen

1. Door of namens de korpschef of Onze Minister van Defensie wordt een plaats aangewezen voor de opslag van technische hulpmiddelen en wordt ervoor zorggedragen dat deze plaats beveiligd is en uitsluitend toegankelijk is voor of onder begeleiding van daartoe geautoriseerd personeel.

2. Door of namens de korpschef of Onze Minister van Defensie worden één of meer terzake deskundige ambtenaren aangewezen, die belast zijn met de opslag van technische hulpmiddelen.

 

Artikel 6. Verstrekking technische hulpmiddelen

1. De ambtenaar, bedoeld in artikel 5, tweede lid, verstrekt, na ontvangst van een kopie van het daarop betrekking hebbende bevel, het voor de uitvoering daarvan benodigde technische hulpmiddel aan de met de uitvoering belaste ambtenaar. Indien het bevel mondeling is gegeven wordt, in afwijking van de eerste volzin, binnen drie dagen een kopie van het schriftelijke bevel overgelegd.

2. De ambtenaar, bedoeld in artikel 5, tweede lid, verstrekt, na ontvangst van een verzoek door of namens de korpschef voor verstrekking van technische hulpmiddelen voor oefendoeleinden het benodigde technische hulpmiddel aan de met de uitvoering belaste ambtenaar.

3. De ambtenaar, bedoeld in artikel 5, tweede lid, registreert de verstrekking van het technische hulpmiddel. De registratie bevat ten minste de aanduiding van het technische hulpmiddel, het tijdstip van de verstrekking en de verwachte duur van de inzet van het hulpmiddel en de naam van de officier van justitie die het bevel heeft gegeven onderscheidenlijk de korpschef die het verzoek heeft ingediend.

4. Het technische hulpmiddel wordt verstrekt voor de periode die nodig is voor de uitvoering van het bevel onderscheidenlijk de duur van de oefening.

 

Artikel 7. Plaatsing technische hulpmiddelen

1. De plaatsing van het technische hulpmiddel geschiedt door een daartoe door of namens de korpschef aangewezen en terzake deskundige opsporingsambtenaar.

2. Opsporingsambtenaren belast met het plaatsen van een technisch hulpmiddel voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie in een woning of andere besloten plaats zijn in het bezit van een door Onze Minister aangewezen document.

3. Opsporingsambtenaren belast met het plaatsen van een technisch hulpmiddel voor het opnemen van telecommunicatie zijn in het bezit van een door Onze Minister aangewezen document.

4. De opsporingsambtenaar maakt van het plaatsen van het technische hulpmiddel proces-verbaal op.

 

Artikel 8. Controle technische hulpmiddelen

Voorafgaand aan en na afloop van de daadwerkelijke inzet van een technisch hulpmiddel controleert de met de uitvoering belaste opsporingsambtenaar of wordt voldaan aan de eisen, gesteld in de artikelen 10 tot en met 14 en legt daarvan verantwoording af in het proces-verbaal als bedoeld in artikel 7, vierde lid. Indien bij de controle een technische afwijking, defect, verwijdering of verandering van de oorspronkelijke beveiliging of enige andere onregelmatigheid wordt geconstateerd, maakt de opsporingsambtenaar daarvan proces-verbaal op dat aan de officier van justitie wordt gezonden.

 

Artikel 9. Verwijdering technische hulpmiddelen

1. De verwijdering van he

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Sv | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x