Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Mediawet 2008

 

MEDIABESLUIT  2008

Tekst zoals deze geldt op 24 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT
van 29 december 2008, houdende vaststelling van een nieuw Mediabesluit (Mediabesluit 2008)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 18 november 2008, nr. WJZ/75071 (8238), directie Wetgeving en Juridische Zaken;
     Gelet op de artikelen 2.23, tweede lid, 2.35, tweede lid, 2.70, onderdeel b, 2.71, vierde lid, 2.89, tweede lid, 2.93, 2.95, eerste lid, onderdeel a, 2.123, 2.136, eerste lid, 3.25, 5.1, eerste lid, 5.2, 6.24, tweede en derde lid, 6.27 en 8.20 van de Mediawet 2008;
     De Raad van State gehoord (advies van 10 december 2008, nr. W08.003330);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 december 2008, nr. WJZ/88447 (8238), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

wet: Mediawet 2008

Hoofdstuk 2. Publieke mediadiensten

Afdeling 1. Landelijke publieke mediadienst

§ 1. Experimenten

Artikel 1a

1. De NPO maakt voorafgaand aan de start van een experiment betreffende een aanbodkanaal als bedoeld in artikel 2.21a van de wet de uitvoering van dat experiment bekend.

2. De bekendmaking gaat vergezeld van een beschrijving van het experiment die in elk geval bevat:

a. de positie van het experiment binnen de publieke mediaopdracht, bedoeld in artikel 2.1 van de wet, en de relatie met het andere media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst;

b. de doelstellingen van het experiment waaronder het beoogde publieksbereik, de doelgroepen en de behoeften van het publiek, mede in het licht van bestaand marktaanbod; en

c. de duur en wijze van financiering van het experiment en de manier waarop het experiment wordt geėvalueerd.

Artikel 1b

1. In de begroting, bedoeld in artikel 2.147 van de wet, wordt een beschrijving gegeven van:

a. de experimenten die worden uitgevoerd; en

b. de voorgenomen experimenten in het komende kalenderjaar.

2. Artikel 1a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1c

1. Een experiment is in duur beperkt tot een looptijd van maximaal een jaar, gerekend vanaf het tijdstip waarop het desbetreffende aanbodkanaal voor het publiek beschikbaar is.

2. Als binnen de maximale looptijd van een experiment het desbetreffende aanbodkanaal in het concessiebeleidsplan, bedoeld in artikel 2.20 van de wet, of in de begroting, bedoeld in artikel 2.147 van de wet, met het oog op de instemming als bedoeld in artikel 2.21, derde lid onderscheidenlijk vierde lid, van de wet is opgenomen, kan het experiment worden voortgezet, totdat over de instemming is beslist.

3. Een experiment heeft een beperkt publieksbereik, tenzij dit niet mogelijk is vanwege technische omstandigheden of tot onevenredig hoge kosten leidt.

Artikel 1d

1. De totale kosten voor de landelijke publieke mediadienst van experimenten in enig kalenderjaar bedragen niet meer dan 2 procent van het totaal van de budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdelen a tot en met d en f, van de wet.

2. De NPO vermeldt in het verslag, bedoeld in artikel 2.58 van de wet, de uitgevoerde experimenten en de kosten per experiment in het afgelopen kalenderjaar.

§ 2. Media-aanbod Nederlandse Omroep Stichting

Artikel 2

De NOS verzorgt in ieder geval het volgende media-aanbod:

a. de dagelijkse nieuwsvoorziening;

b. de verslaggeving over Nederlandse en Europese parlementaire aangelegenheden;

c. de verslaggeving van nationale feest- en gedenkdagen;

d. de actuele sportverslaggeving, waaronder in ieder geval de competitie- en bekerwedstrijden en internationale evenementen;

e. de verslaglegging van andere nationale en internationale gebeurtenissen van bijzondere aard, waaronder staatsbezoeken;

f. de nieuwsvoorziening ten behoeve van de jeugd;

g. de nieuwsvoorziening ten behoeve van personen met een auditieve beperking; en

h. aanbod van dienstverlenende aard, waaronder informatie ten behoeve van scheepvaart, verkeer, visserij, en land- en tuinbouw.

§ 3. Media-aanbod Stichting NTR

Artikel 3

De NTR verzorgt in ieder geval het volgende media-aanbod:

a. achtergrondinformatie en beschouwingen over politieke en maatschappelijke ontwikkelingen, onder meer op het gebied van economie, wetenschap en techniek;

b. aanbod ten behoeve van maatschappelijke doelgroepen die elders niet of niet voldoende tot hun recht komen;

c. aanbod dat betrekking heeft op etnische en culturele minderheden;

d. aanbod van culturele aard, waaronder kunst;

e. aanbod van educatieve aard ten behoeve van de jeugd; en

f. consumentenvoorlichting.

§ 4. Evaluatiecriteria

Artikel 3a

In deze paragraaf worden onder evaluatie en evaluatiecommissie verstaan de evaluatie onderscheidenlijk de evaluatie, bedoeld in artikel 2.184 van de wet, en de evaluatiecommissie, bedoeld in artikel 2.185 van de wet.

Artikel 3b

1. Bij de evaluatie van elke afzonderlijke landelijke publieke media-instelling betrekt de evaluatiecommissie de wijze waarop deze instelling heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht door het aanbieden van media-aanbod dat:

a. evenwichtig, pluriform, gevarieerd en kwalitatief hoogstaand is en zich tevens kenmerkt door een grote verscheidenheid naar vorm en inhoud;

b. op evenwichtige wijze een beeld van de samenleving geeft en de pluriformiteit van onder de bevolking levende overtuigingen, opvattingen en interesses op maatschappelijk, cultureel en levensbeschouwelijk gebied weerspiegelt;

c. gericht is op en een relevant bereik heeft onder zowel een breed en algemeen publiek als bevolkings- en leeftijdgroepen van verschillende omvang en samenstelling met in het bijzonder aandacht voor kleine doelgroepen;

d. onafhankelijk is van commerciėle invloeden en, behoudens het bepaalde bij of krachtens de wet, van overheidsinvloeden;

e. voldoet aan hoge journalistieke en professionele kwaliteitseisen; en

f. voor iedereen toegankelijk is.

2. Bij de evaluatie van elke afzonderlijke landelijke publieke media-instelling betrekt de evaluatiecommissie voorts de wijze waarop deze instelling heeft bijgedragen aan het volgen en stimuleren van technologische ontwikkelingen en het benutten van de mogelijkheden om media-aanbod aan het publiek aan te bieden via nieuwe media- en verspreidingstechnieken.

3. Bij de evaluatie, bedoeld in het eerste en tweede lid, betrekt de evaluatiecommissie de wijze waarop deze instelling heeft bijgedragen aan realisering van doelstellingen voor het media-aanbod en het publieksbereik van het concessiebeleidsplan, bedoeld in artikel 2.20 van de wet, en van de prestatieovereenkomst, bedoeld in artikel 2.22 van de wet.

Artikel 3c

1. Bij de evaluatie van een afzonderlijke omroeporganisatie die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, van de wet heeft verkregen, betrekt de evaluatiecommissie voorts:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Mediawet 2008 | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x