Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv; Wet Mulder)

 

BESLUIT  ADMINISTRATIEFRECHTELIJKE  HANDHAVING  VERKEERSVOORSCHRIFTEN  1994

Tekst zoals deze geldt op 25 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 29 juli 1994, houdende regels ter uitvoering van de artikelen 3, eerste en derde lid, 22, tweede lid, en 35 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op voordracht van Onze Minister van Justitie van 7 maart 1994, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 429101/94/6, gedaan mede namens Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
     Gelet op de artikelen 3, eerste en derde lid, 22, tweede lid, en 35 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften;
     De Raad van State gehoord (advies van 1 juli 1994, nr. W03.94.018);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 12 juli 1994, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 447531/94/6, uitgebracht mede namens Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

     Hebben goedgevonden en verstaan;

 

 

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

1. In dit besluit wordt verstaan onder:

a. wet: de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften;

b. administratieve sanctie: de administratieve sanctie, bedoeld in artikel 1 van de wet;

c. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie;

d. bevoegde ambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in artikel 2 van dit besluit;

e. hoofdofficier van justitie: de officier van justitie, hoofd van het arrondissementsparket;

f. Centraal Justitieel Incassobureau: het Centraal Justitieel Incassobureau, bedoeld in artikel 1 van het Besluit Instelling Centraal Justitieel Incassobureau.

2. Als korpschef in de zin van dit besluit wordt aangemerkt met betrekking tot:

a. de ambtenaren, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a en b: de korpschef, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012;

b. de ambtenaren, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c:

1. voor de toepassing van artikel 3: de betrokken districtscommandant,

2. voor de toepassing van de overige artikelen: de commandant van de Koninklijke marechaussee;

c. de ambtenaren, bedoeld in artikel 2, tweede lid: het hoofd van de organisatie, waarbij zij werkzaam zijn.

3. In dit besluit wordt verstaan onder «toezichthouder» respectievelijk «direct toezichthouder» hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar.

§ 2. De bevoegde ambtenaren en de bevoegdheid tot het opleggen van de administratieve sanctie

Artikel 2

1. Met het toezicht op de naleving, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet zijn belast:

a. de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering;

b. de ambtenaren die een basisopleiding volgen aan een onderwijsinstelling, ressorterend onder het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie, uitsluitend gedurende hun praktijkstage bij de politie; en

c. de militairen van de Koninklijke marechaussee, bedoeld in artikel 141, aanhef en onderdeel c, van het Wetboek van Strafvordering.

2. Met het toezicht op de naleving, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet zijn mede belast:

a. de buitengewoon opsporingsambtenaren, bedoeld in artikel 142, eerste lid, onder a en b, van het Wetboek van Strafvordering, voor zover deze ambtenaren krachtens de akte of aanwijzing, de bevoegdheid hebben tot het opsporen van alle strafbare feiten, dan wel tot het opsporen van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994, de Provinciewet of de Gemeentewet strafbaar gestelde feiten;

b. de buitengewoon opsporingsambtenaren, bedoeld in artikel 142, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Strafvordering, voor zover die ambtenaren bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994, de Provinciewet of de Gemeentewet worden aangewezen voor de opsporing van de bij of krachtens die wetten strafbaar gestelde feiten, dan wel voor het toezicht op de naleving van de in artikel 2, eerste lid, van de wet bedoelde voorschriften.

Artikel 3

1.De hoofdofficier van justitie kan bepalen dat naar zijn oordeel de taakvervulling van een bevoegde ambtenaar vordert dat

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Wahv | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x