Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet milieubeheer (Wm)

 

STORTBESLUIT  BODEMBESCHERMING

Tekst zoals deze geldt op 25 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 20 januari 1993, houdende regels inzake het storten van afvalstoffen

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 3 april 1991, nr. MJZ03491020, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving;
     Gelet op de Richtlijnen van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1979, nr. 80/68/EEG (PbEG L 20) betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen, en van 19 maart 1987, nr. 87/217/EEG (PbEG L 85) inzake voorkoming en vermindering van verontreiniging van het milieu door asbest, alsmede op de artikelen 8.45 en 21.7 van de Wet milieubeheer en, voor zover het betreft artikel 15, op artikel 43 van de Wet bodembescherming;
     Gezien de adviezen van de Centrale raad voor de milieuhygiŽne en de Technische commissie bodembescherming;
     De Raad van State gehoord (advies van 5 augustus 1992, nr. W08.91.0177);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 15 januari 1993, nr. MJZ 15193037, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk I. Algemeen

 

Artikel 1

1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

asbest: de volgende vezelachtige silicaten: crocidoliet (blauw asbest), actinoliet, anthofylliet, chrysotiel (wit asbest), amosiet (bruin asbest) of tremoliet;

cel: stortvak of een deel daarvan met een bepaalde hoogte;

gemiddeld hoogste grondwaterstand: rekenkundig gemiddelde over ten minste acht achtereenvolgende jaren van de drie hoogste grondwaterstanden per hydrologisch jaar;

gemiddeld laagste grondwaterstand: rekenkundig gemiddelde over ten minste acht achtereenvolgende jaren van de drie laagste grondwaterstanden per hydrologisch jaar;

hydrologisch jaar: periode van 1 april tot en met 31 maart van het daarop volgende kalenderjaar;

inrichting: inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen, die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de wet;

ondergrondse stortplaats: stortplaats waar afvalstoffen in de diepe ondergrond worden gebracht;

percolaat: vloeistof die uit de gestorte afvalstoffen komt of daarmee in contact is geweest;

stortplaats: inrichting waar afvalstoffen worden gestort, dan wel het gedeelte van een inrichting, waar afvalstoffen worden gestort, indien in de inrichting niet uitsluitend afvalstoffen worden gestort;

vergunning: vergunning voor een stortplaats krachtens artikel 2.1, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

wet: Wet milieubeheer.

2. Onder stortplaats wordt mede verstaan een stortplaats waar het storten van afvalstoffen is beŽindigd. Tot de stortplaats wordt mede gerekend het gedeelte van de stortplaats waar het storten van afvalstoffen is beŽindigd.

3. Onder asbest worden mede verstaan produkten waarin asbest is verwerkt, en asbeststof.

4. Onze Minister kan nadere regels stellen, inhoudende de verplichting voor het bevoegd gezag voorschriften aan de vergunning te verbinden, waarvan de inhoud in die regels is aangegeven, met betrekking tot de wijze waarop de gemiddeld hoogste grondwaterstand en de gemiddeld laagste grondwaterstand worden bepaald.

 

Artikel 2

1. Dit besluit is niet van toepassing op het storten van afvalstoffen:

a. voor zover daaromtrent regels gelden, die zijn gesteld bij of krachtens het Activiteitenbesluit milieubeheer;

b. voor zover het betreft het begraven van stoffelijke resten of het op of in de bodem verspreiden van as, afkomstig van de verbranding van stoffelijke resten.

2. Dit besluit is niet van toepassing op stortplaatsen waar uitsluitend baggerspecie wordt gestort.

3. Dit besluit is niet van toepassing op stortplaatsen:

a. waar het storten van afvalstoffen is beŽindigd vůůr 1 maart 1995, of

b. waar op of na 1 maart 1995 uitsluitend afvalstoffen worden gestort ten behoeve van het aanbrengen van een bovenafdichting op die stortplaats, en de gestorte hoeveelheid ten hoogste 0,3 m3 afvalstof per m2 stortoppervlak bedraagt.

 

Hoofdstuk II. Voorschriften op te nemen in de vergunning

 

Artikel 2a

Het bevoegd gezag verbindt aan de vergunning voorschriften ten aanzien van de vakbekwaamheid van degene die de inrichting drijft en ten aanzien van de opleiding van de in de inrichting werkzame personen.

 

Artikel 3

1.Het bevoegd gezag verbindt aan de vergunning voorschriften, inhoudende de verplichting dat het storten van afvalstoffen zodanig plaatsvindt dat de gestorte afvalstoffen - na zetting van de bodem - niet beneden 0,7 meter boven de te verwachten gemiddeld hoogste grondwaterstand kunnen geraken.

2.In afwijking van het eerste lid verbindt het bevoegd gezag in gevallen waarin het ingevolge artikel 4, eerste lid, aan de vergunning voorschriften heeft verbonden, inhoudende de verplichting dat als onderdeel van de onderafdichting een capillair onderbrekende laag van ten minste 0,2 meter wordt aangebracht, aan de vergunning voorschriften, inhoudende de verplichting dat het storten van afvalstoffen zodanig plaatsvindt dat de gestorte afvalstoffen - na zetting van de bodem - niet beneden 0,5 meter boven de te verwachten gemiddeld hoogste grondwaterstand kunnen geraken.

3.Indien het niet meer mogelijk is te voldoen aan voorschriften als opgenomen in het eerste lid onderscheidenlijk het tweede lid, kan het bevoegd gezag in afwijking van het eerste lid onderscheidenlijk het tweede lid aan de vergunning voorschriften verbinden, inhoudende de verplichting dat daarin aangegeven civieltechnische of geohydrologische maatregelen worden getroffen, die eveneens voldoende waarborgen bieden dat het grondwater niet met de gestorte afvalstoffen in contact kan komen.

 

Artikel 4

1.Het bevoegd gezag verbindt aan de vergunning voorschriften, inhoudende de verplichting dat aan de onderkant van de gestorte afvalstoffen een onderafdichting aanwezig is, die tegengaat dat verontreinigende stoffen uit de gestorte afvalstoffen in de bodem kunnen geraken, en betrekt daarbij de bijzonderheden van de stortplaats waarvoor de vergunning wordt verleend, en de aard van de afvalstoffen die op die stortplaats worden gestort.

2.Indien een onderafdichting onvoldoende bijdraagt aan de noodzakelijke bescherming van de bodem omdat, vanwege de stortplaatsspecifieke geohydrologische situatie, geen sprake is van een voldoende geohydrologische barriŤre, verbindt het bevoegd gezag aan de vergunning tevens voorschriften, inhoudende de verplichting dat daarin aangegeven andere civieltechnische of geohydrologische maatregelen worden getroffen, die een adequaat beschermingsniveau opleveren; de kunstmatige geohydrologische barriŤre is in ieder geval niet dunner dan 0,5 meter.

3.Indien een onderafdichting naar het oordeel van het bevoegd gezag niet meer kan worden aangebracht, verbindt het bevoegd gezag aan de vergunning in plaats van voorschriften die verplichten tot het aanbrengen van een onderafdichting, voorschriften, inhoudende de verplichting dat daarin aangegeven civieltechnische of geohydrologische maatregelen worden getroffen, die voldoende tegengaan dat verontreinigende stoffen zich uit de gestorte afvalstoffen in de bodem verspreiden.

4.Het bevoegd gezag verbindt aan de vergunning voorschriften, inhoudende de verplichting dat zo spoedig als technisch mogelijk, maar uiterlijk na een in het voorschrift aangegeven termijn die niet later eindigt dan 30 jaar na het aanbrengen van de onderafdichting of het treffen van de in het tweede of derde lid bedoelde maatregelen, aan de bovenkant van de gestorte afvalstoffen een bovenafdichting wordt aangebracht die tegengaat dat water in de gestorte afvalstoffen infiltreert.

5.Onze Minister kan in het belang van de bescherming van de bodem nadere regels stellen, inhoudende de verplichting voor het bevoegd gezag met betrekking tot de uitvoering van de bovenafdichting dan wel de uitvoering van de in het tweede of derde lid bedoelde maatregelen, aan de vergunning voor een stortplaats de voorschriften te verbinden, waarvan de inhoud in die regels is aangegeven.

 

Artikel 5

Het bevoegd gezag verbindt aan de vergunning voorschriften, inhoudende de verplichting dat percolaat wordt opgevangen, verzameld en gezuiverd of afgevoerd op een zodanige wijze dat geen gevaar bestaat voor verontreiniging van de bodem, en betrekt daarbij de bijzonderheden van de stortplaats waarvoor de vergunning wordt verleend, en de aard van de afvalstoffen die op die stortplaats worden gestort.

 

Artikel 5a

1. Het bevoegd gezag verbindt aan de vergunning voor een ondergrondse stortplaats de verplichting dat:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Wet milieubeheer | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x