Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wetboek van Strafrecht (Sr)

 

BESLUIT  TENUITVOERLEGGING  TAAKSTRAFFEN

Tekst zoals deze geldt op 25 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 15 januari 2001, houdende vaststelling van de voorschriften voor de tenuitvoerlegging van taakstraffen (Besluit tenuitvoerlegging taakstraffen)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 19 oktober 2000, nr. 5057030/00/6;
     Gelet op de artikelen 22e, 22k en 77ff, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht;
     De Raad van State gehoord (advies van 22 december 2000, nr. W03.00.0488/I);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 8 januari 2001, nr. 5073409/01/6;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk I. Begripsbepalingen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. wet: het Wetboek van Strafrecht;

b. reclassering: een reclasseringsinstelling als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Reclasseringsregeling 1995;

c. raad: de raad voor de kinderbescherming;

d. uitvoerder taakstraffen: de reclasserings- of raadsmedewerker die onder verantwoordelijkheid van de reclassering of de raad belast is met begeleiding en toezicht in het kader van de tenuitvoerlegging van de taakstraf;

e. contactpersoon: degene die handelt namens de instelling of organisatie, waar de taakstraf wordt verricht;

f. taakgestrafte: degene aan wie een taakstraf is opgelegd;

g. jeugdige taakgestrafte: taakgestrafte op wie titel VIIIA van het Eerste Boek van de wet is toegepast;

h. projectplaats: de plaats bij een instelling of organisatie waar de taakstraf wordt verrricht;

i. Centraal Justitieel Incassobureau: het Centraal Justitieel Incassobureau, genoemd in artikel 1 van het Besluit Instelling Centraal Justitieel Incassobureau;

j. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie.

Hoofdstuk II. De inhoud van de taakstraf

Artikel 2

Onverminderd de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de taakstraf zijn de reclassering en de raad belast met de zorg voor het aanbod van projectplaatsen.

Artikel 3

Projectplaatsen voor het verrichten van een taakstraf voldoen aan de volgende voorwaarden:

a. het te verrichten werk is additioneel; er mag geen sprake zijn van het bezetten van arbeidsplaatsen die anders ter beschikking zouden komen van de reguliere arbeidsmarkt;

b. het werk dient zo veel mogelijk een publiek doel;

c. de werkzaamheden op de projectplaats zijn zinvol en in voldoende mate aanwezig;

d. per projectplaats is een contactpersoon aangewezen die ter plaatse verantwoordelijk is voor de gang van zaken rond het verrichten van de taakstraf;

e. op de projectplaats is voorzien in begeleiding, de veroordeelde mag niet langdurig alleen zijn werkzaamheden uitvoeren;

f. de instelling of organisatie waar de taakstraf wordt verricht houdt zich aan de regelgeving omtrent de arbeidsomstandigheden en andere veiligheidsvoorschriften; werkzaamheden waarvoor bijzondere deskundigheid is vereist of die bijzondere risico's met zich meebrengen die niet aansluiten bij de werkervaring van de taakgestrafte worden niet opgedragen;

g. op de projectplaats wordt terughoudend omgegaan met het plaatsen van taakgestraften op posities waar geldhandelingen worden verricht of de taakgestrafte toegang heeft tot alcohol, drugs of medicijnen;

h. de contactpersoon controleert de taakgestrafte en geeft onregelmatigheden, het aantal gewerkte uren, de getoonde inzet en een afloopbericht op basis van afspraken met de uitvoerder taakstraffen door aan de reclassering of de raad.

Artikel 4

1. Indien de reclassering of de raad de inrichting van een nieuwe projectplaats, voor het verrichten van een taakstraf, overweegt, wordt een voorstel daartoe voorgelegd aan het openbaar ministerie.

2. Van de beoogde projectplaats wordt een omschrijving opgemaakt. Deze bevat ten minste de naam van de instelling of organisatie, het doel van de instelling of organisatie, de aard van de werkzaamheden die kunnen worden verricht, de wijze van begeleiding van de taakgestrafte en een verklaring omtrent de bereidheid van de instelling of organisatie controlerende taken uit te voeren.

3. Binnen een maand na de indiening van een voorstel beslist het openbaar ministerie daarover.

Artikel 5

Projecten voor het verrichten van arbeid tot herstel van de door het strafbare feit aangerichte schade, als bedoeld in artikel 77h, tweede lid, onderdeel a, van de wet, voldoen aan de volgende voorwaarden:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Sr | alle wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x