Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wetboek van Strafrecht (Sr)

 

REGELING  STRAFONDERBREKING  JEUGDIGEN

Tekst zoals deze geldt op 25 juli 2014

 

 

 

 
     De Minister van Justitie;
     Gelet op artikel 77j, tweede lid, Wetboek van Strafrecht;
     Gelet op het advies van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming van 3 mei 2001, kenmerk 5095686/01/TH/rb;

     Besluit:

 

 

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. relatie: persoon met wie de jeugdige aantoonbaar een pedagogisch betekenisvolle relatie heeft;

b. strafonderbreking: onderbreking van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf als bedoeld in artikel 77j, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2

1. Strafonderbreking wordt door de jeugdige schriftelijk aangevraagd bij de directeur.

2. De Minister van Veiligheid en Justitie beslist over het verzoek tot strafonderbreking.

Artikel 3

1. Na ontvangst van het verzoek tot strafonderbreking wint de directeur alle benodigde inlichtingen en adviezen in. Inlichtingen van niet aan de inrichting verbonden artsen, psychiaters en psychologen kunnen slechts worden ingewonnen na schriftelijke toestemming van de jeugdige.

2. Betreft het een verzoek van een jeugdige ten aanzien van wie en voor zolang het openbaar ministerie een executie-indicator heeft geplaatst, dan vraagt de directeur het openbaar ministerie om advies.

3. De directeur adviseert de Minister van Veiligheid en Justitie omtrent de toekenning van strafonderbreking.

4. Alvorens aan de Minister van Veiligheid en Justitie advies uit te brengen hoort de directeur de jeugdige. Van het horen wordt aantekening gehouden.

Artikel 4

1. Aan de jeugdige kan strafonderbreking worden verleend voor onverwachte gebeurtenissen of omstandigheden in de persoonlijke levenssfeer van de jeugdige, waarbij zijn aanwezigheid noodzakelijk is en het tijdelijk verlaten van de inrichting op grond van artikel 32 van het Reglement justitiŽle jeugdinrichtingen onvoldoende mogelijkheden biedt.

2. Gebeurtenissen of omstandigheden als bedoeld in het eerste lid zijn onder andere:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Sr | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x