Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden

 

REGLEMENT  VERPLEGING  TERBESCHIKKINGGESTELDEN

Tekst zoals deze geldt op 25 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 22 mei 1997, houdende regels omtrent de tenuitvoerlegging van de maatregel van terbeschikkingstelling en de verpleging van terbeschikkinggestelden en overige verpleegden strafrechtstoepassing (Reglement verpleging terbeschikkinggestelden)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van de Onze Minister van Justitie, van 21 november 1996, nr. 591920/96/6;
     Gelet op artikel 89 van de Grondwet en de artikelen 37c , eerste lid, 38, eerste lid, en 38a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht en voorts de artikelen 5, tweede lid, 6, tweede lid, 8, derde lid, 10, vijfde lid, 15, eerste en tweede lid, 16, tweede lid, 18, vierde lid, 19, tweede lid, 26, derde lid, 40, vierde lid, 45, 51, tweede en vierde lid, 70, derde lid, en 75 van de Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden;
     Gezien het advies van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing van 11 oktober 1996, nr. RA 88/96;
     De Raad van State gehoord (advies van 17 maart 1997, nr. W03.96.0563);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 13 mei 1997, nr. 626752/97/6;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

 

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. de wet: de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden;

b. de reclassering: een reclasseringsinstelling als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Reclasseringsregeling 1995.

 

HOOFDSTUK 2. AANWIJZING VAN PARTICULIERE INRICHTINGEN

 

Artikel 2

1.Een aanvraag tot aanwijzing als particuliere inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden, bedoeld in artikel 37d, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wordt bij Onze Minister ingediend.

2.De aanvraag bevat de volgende bescheiden:

a. de statuten of reglementen van de rechtspersoon die het psychiatrisch ziekenhuis beheert;

b. een schriftelijke verklaring inhoudende dat een voorgenomen wijziging van de situatie met betrekking tot een der onderwerpen genoemd onder a en in het derde lid, ten minste een maand voordat de desbetreffende wijziging wordt doorgevoerd ter kennis van Onze Minister wordt gebracht.

3.De rechtspersoon die het psychiatrisch ziekenhuis beheert legt tevens over:

a. de door Onze Minister verlangde gegevens over de bouwkundige voorzieningen die van belang zijn voor de beoordeling van de veiligheid binnen de inrichting en de maatschappelijke veiligheid daarbuiten;

b. de door Onze Minister verlangde gegevens over de personele en materiŽle toerusting die van belang zijn voor de beoordeling van de geschiktheid van de inrichting voor de verpleging van ter beschikking gestelden.

4.Onze Minister beslist binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid.

 

Artikel 3

1.De aanwijzing als particuliere inrichting wordt door Onze Minister ingetrokken:

a. op verzoek van de rechtspersoon die het psychiatrisch ziekenhuis beheert;

b. indien de beveiliging dan wel de personele of materiŽle toerusting van de inrichting, bedoeld in artikel 2, derde lid, niet meer voldoet aan de eisen die daaraan naar het oordeel van Onze Minister moeten worden gesteld.

2.De aanwijzing als particuliere inrichting kan door Onze Minister worden ingetrokken, indien de rechtspersoon heeft gehandeld in strijd met de toepasselijke regelgeving alsmede hetgeen overeenkomstig artikel 2, tweede lid, onder b, is verklaard.

 

HOOFDSTUK 3. RIJKSINRICHTINGEN

 

Artikel 4

1.Het hoofd van de rijksinrichting brengt jaarlijks vůůr 1 oktober aan Onze Minister een jaarplan voor het volgende jaar uit. Het jaarplan omvat in ieder geval een begroting van de kosten en opbrengsten voor dat jaar.

2.Het hoofd van de rijksinrichting brengt jaarlijks vůůr 1 maart aan Onze Minister verslag over zijn werkzaamheden in het voorgaande jaar uit. Bij dit verslag wordt een jaarrekening gevoegd.

3.Onze Minister kan regels stellen aan de vorm en de inhoud van de in het eerste en tweede lid genoemde stukken.

 

HOOFDSTUK 4. AANTEKENINGEN

 

Artikel 5

1.Omtrent iedere ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde worden door het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden aantekeningen gehouden omtrent diens lichamelijke en geestelijke gesteldheid, bedoeld in artikel 509o, tweede lid, onder 2į, van het Wetboek van Strafvordering.

2.De aantekeningen bevatten in elk geval:

a. zo volledig mogelijke gegevens betreffende de afkomst en het verleden;

b. gegevens omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid bij binnenkomst;

c. gegevens omtrent de ontwikkelingen gedurende de verpleging;

d. gegevens omtrent belangrijke voorvallen gedurende de verpleging.

3.Onze Minister kan een model voor de aantekeningen vaststellen.

 

Artikel 6

1. Het hoofd van de inrichting houdt in een register aantekening van de beslissingen tot beperking van het recht op onaantastbaarheid van het lichaam van de verpleegde, genoemd in de artikelen 16b, onder b, 16c, eerste en vijfde lid, 24 tot en met 28 en 30, alsmede de beslissingen tot afzondering of separatie, genoemd in artikel 34, en van elke strafoplegging, genoemd in artikel 49 van de wet.

2. De aantekening bevat in elk geval:

a. de personalia van de verpleegde;

b. de aard van de genomen beslissing;

c. de omstandigheden die aanleiding gaven tot het nemen van de beslissing;

d. de diagnose, voor zover de beslissing wordt genomen ter afwending van ernstig gevaar dat voortvloeit uit de stoornis van de geestvermogens van de verpleegde;

e. indien de verpleegde zich tegen de beslissing heeft verzet, een mededeling daarvan;

f. voor zover van toepassing, de duur van de beperkende maatregel.

3. Onze Minister kan een model voor het register vaststellen.

 

HOOFDSTUK 5. COMMISSIE VAN TOEZICHT EN BEKLAGCOMMISSIE

 

Artikel 7

1.Bij elke inrichting is een commissie van toezicht waarvan de leden worden benoemd voor de tijd van vijf jaren. Zij kunnen tweemaal voor herbenoeming in aanmerking komen.

2.De commissie bestaat uit ten minste zes en ten hoogste een door Onze Minister vast te stellen aantal leden.

3.De commissie van toezicht is zo breed mogelijk samengesteld. Van elke commissie maken in elk geval deel uit:

a. een met rechtspraak belast lid van de rechterlijke macht;

b. een psychiater;

c. een gedragsdeskundige met kennis van de intramurale zorg voor geestelijk gestoorden;

d. een advocaat.

 

Artikel 8

1.De leden van de commissie van toezicht worden door Onze Minister benoemd. Onze Minister wijst uit de leden een voorzitter aan.

2.Aan de commissie is een secretaris verbonden. Deze is geen lid van de commissie. De secretaris wordt door Onze Minister benoemd en ontslagen. De secretaris van de commissie van toezicht is tevens secretaris van de beklagcommissie.

3.De commissie kan uit haar midden een of meer plaatsvervangende secretarissen aanwijzen om, in overleg met de secretaris, bepaalde secretariaatswerkzaamheden te verrichten en de secretaris bij diens afwezigheid te vervangen. Onze Minister kan aan een commissie van toezicht een of meerdere plaatsvervangende secretarissen toevoegen die geen lid zijn van de commissie.

4.Onze Minister beslist binnen drie maanden op een verzoek tot benoeming.

 

Artikel 9

1.De benoeming van de leden en de secretaris alsmede de aanwijzing van de voorzitter van de commissie van toezicht bij een justitiŽle particuliere inrichting geschiedt op voordracht van het bestuur dan wel de Raad van Toezicht indien die de taken van het bestuur vervult.

2.Een lid van het bestuur of de Raad van Toezicht indien die de taken van het bestuur vervult, kan niet worden benoemd tot lid, secretaris of plaatsvervangend secretaris van de commissie van toezicht.

 

Artikel 10

Voor benoeming als lid, secretaris of plaatsvervangend secretaris komen niet in aanmerking:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | de wet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x