Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wetboek van Strafvordering (Sv)

 

BESLUIT  DNA-ONDERZOEK  IN  STRAFZAKEN

Tekst zoals deze geldt op 25 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 27 augustus 2001, houdende nadere regels over het DNA-onderzoek in strafzaken (Besluit DNA-onderzoek in strafzaken)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 7 mei 2001, nr. 5096282/01/6;
     Gelet op de artikelen 151a, eerste, vierde, vijfde, zesde en negende lid, 151b, vijfde lid, 195a, eerste, vierde en vijfde lid, 195b, eerste en tweede lid, en 195d, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering;
     De Raad van State gehoord (advies van 16 juli 2001, nr. W03.01.0218/I);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 20 augustus 2001, nr. 5113447/01/6;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

ß 1. Algemeen

Artikel 1

1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. de wet: het Wetboek van Strafvordering;

b. een DNA-onderzoek: een onderzoek als bedoeld in artikel 151a, eerste lid, eerste volzin, of zesde lid, eerste volzin, 151b, eerste lid, eerste volzin, 151d, eerste lid, eerste volzin, 151da, eerste lid, eerste volzin, 195a, eerste lid, eerste volzin, 195b, eerste lid, eerste volzin, 195d, eerste lid, eerste volzin, 195f, eerste lid, eerste volzin, of 195g, eerste lid, eerste volzin, van de wet dan wel artikel 2, vierde lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden;

c. de DNA-databank: de DNA-databank voor strafzaken, bedoeld in artikel 14, eerste lid;

d. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie;

e. opsporingsambtenaar: een ambtenaar van politie als bedoeld in artikel 2, onder a, van de Politiewet 2012, een ambtenaar van politie als bedoeld in artikel 2, onder b, van die wet, voorzover deze is aangesteld voor de uitvoering van taken op het terrein van de technische recherche, of een militair van de Koninklijke marechaussee als bedoeld in artikel 141, onder c, van het Wetboek van Strafvordering;

f. veroordeelde: een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, of tweede lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden;

g. onbekende verdachte: de verdachte, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de wet van wie in het kader van het strafbare feit celmateriaal in beslag genomen is of veilig gesteld is;

h. het instituut: het Nederlands Forensisch Instituut;

i. NEN-EN ISO/IEC 17025: Algemene eisen voor de bekwaamheid van beproevings- en kalibratielaboratoria, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidde in januari 2007.

2. Met een veroordeling die in kracht van gewijsde is gegaan wordt voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld een strafbeschikking die onherroepelijk is geworden.

Artikel 1a

Als misdrijven als bedoeld in artikel 151a, derde lid, van de wet, ten aanzien waarvan de hulpofficier van justitie de bevoegdheid heeft een DNA-onderzoek op basis van celmateriaal van een onbekende verdachte te verrichten, worden aangewezen de misdrijven, bedoeld in de artikelen 310 en 311, eerste lid, onderdelen 1į, 4į en 5į, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 1b

Als uiterlijk waarneembare persoonskenmerken van een onbekende verdachte of een onbekend slachtoffer waarop een DNA-onderzoek als bedoeld in artikel 151d, eerste lid, eerste volzin, of artikel 195f, eerste lid, eerste volzin, van de wet gericht kan zijn, worden aangewezen:

a. het geslacht;

b. het ras;

c. de oogkleur.

ß 2. Wijze van afnemen van celmateriaal en waarborgen voor een zorgvuldige behandeling en registratie van afgenomen en inbeslaggenomen celmateriaal

Artikel 2

1.Degene die gevraagd wordt schriftelijk toe te stemmen in het afnemen van celmateriaal ten behoeve van DNA-onderzoek, kan zich bij het nemen van zijn beslissing door een raadsman doen bijstaan. De officier van justitie onderscheidenlijk de rechter-commissaris wijst hem op deze mogelijkheid.

2.Op het formulier voor de schriftelijke toestemming, bedoeld in het eerste lid, wordt melding gemaakt van de gevolgen van de medewerking aan een DNA-onderzoek.

3.Degene die vrijwillig medewerking verleent aan een DNA-onderzoek, kan ten behoeve van dat onderzoek wangslijmvlies, bloed of haarwortels laten afnemen.

4.Het afnemen van wangslijmvlies geschiedt door van de binnenzijde van iedere wang twee monsters te nemen.

5.Het afnemen van bloed geschiedt door middel van een vingerprik.

6.Het afnemen van haarwortels geschiedt door het uittrekken van ten minste tien haren uit de hoofdhuid.

7.Het afnemen van wangslijmvlies, bloed of haarwortels geschiedt door een arts of een verpleegkundige. Ingeval de desbetreffende persoon daar afzonderlijk schriftelijk in toestemt, kan het afnemen van wangslijmvlies of haarwortels geschieden door een daartoe door de officier van justitie aangewezen opsporingsambtenaar die voldoet aan bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen.

8.Het afnemen van celmateriaal geschiedt met de hulpmiddelen die bij ministeriŽle regeling zijn voorgeschreven.

9.Indien de arts of de verpleegkundige bij de behandeling van de desbetreffende persoon betrokken is of is geweest, neemt hij bij hem geen celmateriaal af, tenzij de persoon daartoe schriftelijk een verzoek heeft ingediend bij de officier van justitie onderscheidenlijk de rechter-commissaris dan wel de functionaris, bedoeld in artikel 1, onder d, van de Penitentiaire beginselenwet, artikel 1, onder g, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden of artikel 1, onder h, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen.

Artikel 3

1.Het afnemen van wangslijmvlies, bloed of haarwortels ten behoeve van een DNA-onderzoek bij een verdachte ingevolge een bevel als bedoeld in artikel 151b, eerste lid, of artikel 195d, eerste lid, van de wet dan wel een veroordeelde ingevolge een bevel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden geschiedt:

a. op de wijze als omschreven in artikel 2, vierde tot en met zesde lid, en

b. met de hulpmiddelen die bij ministeriŽle regeling zijn voorgeschreven.

2.Het afnemen van wangslijmvlies of haarwortels bij een verdachte ingevolge een bevel als bedoeld in artikel 151b, eerste lid, of artikel 195d, eerste lid, van de wet kan, ingeval de verdachte daar afzonderlijk schriftelijk in toestemt, geschieden door een daartoe door de officier van justitie aangewezen opsporingsambtenaar die voldoet aan bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen.

3.Het afnemen van wangslijmvlies of haarwortels bij een veroordeelde ingevolge een bevel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden kan, ingeval de veroordeelde daartegen geen bezwaar maakt, geschieden door een daartoe door de officier van justitie aangewezen opsporingsambtenaar of een daartoe door de directeur van de inrichting of instelling aangewezen persoon als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Penitentiaire beginselenwet, artikel 1, onder k, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden of artikel 1, onder i, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen die voldoet aan bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen.

4.Artikel 2, negende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4

1.Bij het afnemen van wangslijmvlies, bloed of haarwortels is een opsporingsambtenaar dan wel een persoon als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Penitentiaire beginselenwet, artikel 1, onder k, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden of artikel 1, onder i, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen, voorzover het afnemen van het celmateriaal plaatsvindt bij een veroordeelde en hij in een inrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Penitentiaire beginselenwet, artikel 1, onder d, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden of artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen verblijft of vanuit de inrichting vrijheden geniet, aanwezig die:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Sv | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x