Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers

 

REGELING  VERSTREKKINGEN  ASIELZOEKERS  EN  ANDERE  CATEGORIEňN  VREEMDELINGEN  2005  (Rva 2005)

Tekst zoals deze geldt op 25 juli 2014

 

 

 

 
     De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie;
     Gelet op artikel 12 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers;

     Besluit:

 

 

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 1

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: de Minister van Veiligheid en Justitie;

b. het COA: het Centraal Orgaan opvang asielzoekers;

c. asielaanvraag: een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000;

d. asielzoeker: een vreemdeling wiens vrijheid niet rechtens is ontnomen, door wie of ten behoeve van wie een asielaanvraag is ingediend;

e. alleenstaande minderjarige vreemdeling: een asielzoeker die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en die zonder begeleiding of verzorging van een ouder of voogd in Nederland verblijft;

f. gezin:

1į. de gehuwden of partners tezamen;

2į. de gehuwden of partners met het tot hun last komende kind of stiefkind jonger dan 18 jaar;

3į. de alleenstaande ouder met het tot zijn last komende kind of stiefkind jonger dan 18 jaar;

g. alleenstaande ouder: de alleenstaande die de volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn last komende (stief)kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad;

h. opvangvoorziening: een accommodatie waarin door of onder verantwoordelijkheid van het COA opvang wordt geboden aan asielzoekers;

i. uitgenodigde vluchtelingen: vreemdelingen die, na een verzoek daartoe van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen (UNHCR) op uitnodiging van de Nederlandse regering in Nederland verblijven;

j. rust- en voorbereidingstermijn: de termijn van tenminste zes dagen waarin de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft na indiening van de asielaanvraag en het onderzoek als bedoeld in artikel 3.110 van het Vreemdelingenbesluit 2000 nog niet is aangevangen.

Hoofdstuk II. Toelating tot de opvang

Artikel 2

1. Deze regeling heeft uitsluitend betrekking op een asielzoeker en de daarmee gelijkgestelde categorieŽn, als bedoeld in artikel 3 derde en vierde lid van deze regeling, die niet beschikt over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, als bedoeld in de Wet Werk en Bijstand.

2. Het COA kan deze regeling tevens van toepassing verklaren op een asielzoeker die beschikt over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, indien dringende redenen daartoe noodzaken.

3. Het COA verstrekt aan de asielzoeker, als bedoeld in artikel 3 van deze regeling, binnen een termijn van ten hoogste 10 dagen na plaatsing in een opvangvoorziening:

a. informatie met betrekking tot de voor de asielzoeker aan de opvang van het COA verbonden rechten en plichten;

b. informatie met betrekking tot rechtsbijstand en met betrekking tot zijn opvangvoorzieningen.

4. Het COA zorgt ervoor dat de in het vorige lid bedoelde informatie schriftelijk in een voor de asielzoeker begrijpelijke taal wordt verstrekt.

5. Er ontstaat geen recht op opvang indien een asielzoeker niet binnen 24 uur na doorverwijzing door het COA naar de opvang in een opvangvoorziening arriveert.

6. Er ontstaat geen recht op opvang indien de asielaanvraag is ingediend door een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie, de Economische Ruimte of Zwitserland.

Artikel 3

1. Het COA draagt zorg voor de centrale opvang van asielzoekers door erin te voorzien dat hen opvang wordt geboden in een opvangvoorziening.

2. Tot de in het eerste lid bedoelde categorieŽn asielzoekers aan wie opvang wordt geboden behoren:

a. de asielzoeker als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d van deze regeling;

b. de asielzoeker als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e van deze regeling.

3. Met de in het vorige lid bedoelde categorieŽn asielzoekers worden gelijkgesteld:

a. de vreemdeling wiens asielaanvraag binnen de procedure op het Aanmeldcentrum is afgewezen en ten aanzien van wie een daartoe strekkend en tijdig ingediend verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening om de behandeling van het beroeps- en hoger beroepsschrift in Nederland te mogen afwachten, is toegewezen;

b. een alleenstaande minderjarige vreemdeling wiens asielaanvraag binnen de procedure op het AC is afgewezen;

c. de vreemdeling aan wie de verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 14 of 28 van de Vreemdelingenwet 2000 is verleend en die, met inachtneming van artikel 12 van deze regeling, reeds in de centrale opvang verblijft in afwachting van het betrekken van woonruimte in een gemeente;

d. de vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 heeft ingediend onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid indien sprake is van gezinshereniging met een asielzoeker aan wie met toepassing van deze regeling opvang wordt geboden;

e. de vreemdeling die niet in een opvangvoorziening verblijft als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder h van deze regeling en die in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd, dan wel in het bezit wordt gesteld van een asielgerelateerde verblijfsvergunning, vanaf het moment van vergunningverlening tot het moment waarop passende huisvesting buiten de opvangvoorziening kan worden gerealiseerd, tenzij de vreemdeling reeds van overheidswege in een opvangvoorziening is gehuisvest;

f. de vreemdeling wiens uitzetting op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 achterwege blijft, met uitzondering van de vreemdeling die in afwachting is van de definitieve beslissing op zijn verzoek om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 en die niet een uitgeprocedeerde asielzoeker is en die evenmin een vreemdeling is die in afwachting is van de uitspraak in hoger beroep in zijn asielprocedure;

g. de vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f of h van de Vreemdelingenwet 2000, en zich, naar het oordeel van Onze Minister, feitelijk in dezelfde situatie bevindt als bedoeld in artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000;

h. de vreemdeling op wie een besluit als bedoeld in artikel 45, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 van toepassing is;

i. de vreemdeling op wie een besluit als bedoeld in artikel 45, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 van toepassing is;

j. de vreemdeling aan wie binnen de AC-procedure een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 wordt verstrekt;

k. de uitgenodigde vluchteling, ook en indien reeds binnen de AC-procedure een verblijfsvergunning is verleend;

l. de vreemdeling wiens asielaanvraag is afgewezen en die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 op grond van een door de president van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens getroffen voorlopige maatregel (Ďinterim measureí) waarin is bepaald dat de vreemdeling vooralsnog niet mag worden uitgezet;

m. de uitgeprocedeerde asielzoeker of de vreemdeling die in afwachting is van de uitspraak in hoger beroep

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | de wet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x