Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet hygiŽne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden

 

BESLUIT  HYGIňNE  EN  VEILIGHEID  BADINRICHTINGEN  EN  ZWEMGELEGENHEDEN

Tekst zoals deze geldt op 25 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 6 oktober 1984 tot uitvoering van de artikelen 3, 4, 10a, derde en vierde lid juncto eerste lid, 11 en 28 van de Wet hygiŽne en veiligheid zwemgelegenheden (Stb. 1982, 494)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 28 maart 1984, nr. MJZ 2834011, Centrale Directie Juridische Zaken;
     Gelet op de artikelen 3, 4, 10a, derde en vierde lid juncto eerste lid, 11 en 28 van de Wet hygiŽne en veiligheid zwemgelegenheden (Stb. 1982, 494) en artikel III van de Wet van 2 juni 1982, houdende wijziging van de Wet hygiŽne en veiligheid zweminrichtingen (Stb. 1982, 493);
     De Raad van State gehoord (advies van 28 augustus 1984, nr. W08.84.0163/12.4.34);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 5 oktober 1984, Centrale Directie Juridische Zaken, nr. MJZ-0504033;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk I. Begripsbepalingen

Artikel 1

1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

* aangewezen locatie:
plaats in oppervlaktewater die is aangewezen op grond van artikel 10b, tweede lid, van de wet;

* abnormale situatie:
gebeurtenis of combinatie van gebeurtenissen die de zwemwaterkwaliteit op de betrokken locatie beÔnvloedt en die zich naar verwachting gemiddeld niet meer dan eens in de vier jaar zal voordoen;

* aŽrosolen:
in lucht gedispergeerde waterdeeltjes met een diameter van 1 tot 10 micrometer;

* bassin met eenmalig gebruik van water:
bassin waarvan het water geheel wordt ververst, na elk gebruik door ťťn persoon;

* beheersmaatregelen:
maatregelen als bedoeld in artikel 2, zevende lid, van de zwemwaterrichtlijn die met betrekking tot aangewezen locaties worden genomen;

* doorstroomd bassin:
bassin waarvan het water voortdurend wordt afgevoerd, waarbij het afgevoerde water niet in het bassin wordt teruggebracht;

* houder:
houder van een badinrichting;

* kortstondige verontreiniging:
microbiologische besmetting als bedoeld in bijlage I, kolom A, van de zwemwaterrichtlijn met duidelijk aantoonbare oorzaken waarvan normaliter niet wordt verwacht dat zij de zwemwaterkwaliteit langer zal aantasten dan 72 uur vanaf het begin van de aantasting en waarvoor het bevoegd bestuursorgaan overeenkomstig bijlage II van de zwemwaterrichtlijn procedures voor de voorspelling en de aanpak heeft vastgesteld;

* proliferatie van cyanobacteriŽn:
ophoping van cyanobacteriŽn in de vorm van bloei, tapijt of drijflaag;

* reeks zwemwaterkwaliteitsgegevens:
gegevens die zijn verzameld overeenkomstig artikel 44d;

* verontreiniging:
aanwezigheid van microbiologische besmetting of van andere organismen of afval die de zwemwaterkwaliteit aantast en een risico voor de gezondheid van de zwemmers inhoudt als bedoeld in de artikelen 44e en 44f en in bijlage I, kolom A, van de zwemwaterrichtlijn;

* water van drinkwaterkwaliteit:
water dat voldoet aan de eisen van het Drinkwaterbesluit;

* wet:
Wet hygiŽne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden.

2. Het bevoegd bestuursorgaan stelt met ingang van 24 maart 2010 overeenkomstig bijlage II van de zwemwaterrichtlijn procedures voor de voorspelling en de aanpak bij een kortstondige verontreiniging vast. Bij ministeriŽle regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot die procedures.

Hoofdstuk IA

Artikel 1a

Als categorieŽn van personen als bedoeld in artikel 1 van de wet worden aangewezen:

a. personen die in een specifieke hoedanigheid anders dan bedoeld in onderdeel b, toegang hebben tot een badinrichting, niet zijnde een voor het publiek toegankelijke badinrichting of een privťbadinrichting;

b. personen die zorg ontvangen in een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet toelating zorginstellingen of een inrichting waarin het beroep van fysiotherapeut klinisch of poliklinisch wordt uitgeoefend.

Hoofdstuk II

ß 1. Algemeen

Artikel 2

1. Ten aanzien van badinrichtingen, ingericht voor het zwemmen of baden anders dan in oppervlaktewater en waarvan tenminste ťťn bassin een wateroppervlakte van 2 m2 of meer heeft en dieper is dan 0,50 meter, gelden de in dit hoofdstuk gegeven voorschriften.

2. De artikelen 4, eerste lid, en 5 tot en met 8, eerste lid, zijn niet van toepassing op bassins met eenmalig gebruik van water en doorstroomde bassins.

3. De artikelen 4, eerste lid, 5, 6, eerste lid, 7, en 8, eerste lid, zijn niet van toepassing op bassins met een wateroppervlakte kleiner dan 15 m2 in badinrichtingen, die uitsluitend of in hoofdzaak toegankelijk zijn voor de in artikel 1a, onder b, bedoelde personen.

4. Artikel 16 is niet van toepassing op badinrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak toegankelijk zijn voor de in artikel 1a bedoelde personen.

5. De artikelen 13 en 20 zijn niet van toepassing op badinrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak toegankelijk zijn voor de in artikel 1a, onder b, bedoelde personen.

ß 1a. Voorschriften ter preventie van legionellabesmetting

Artikel 2a

1. Zwem- of badwater dat op zodanige wijze ter beschikking komt of wordt gebruikt dat daarbij aŽrosolen alsmede daardoor, al dan niet samen met andere micro-organismen, meegevoerde legionellabacteriŽn kunnen vrijkomen in hoeveelheden die, in geval van inademing, nadelige gevolgen kunnen hebben voor de volksgezondheid, bevat minder dan 100 kolonievormende eenheden legionellabacteriŽn per liter.

2. De houder draagt er zorg voor dat voorafgaand aan de ingebruikneming van de badinrichting een analyse wordt uitgevoerd met betrekking tot het risico dat niet wordt voldaan aan het eerste lid.

3. Een risicoanalyse wordt bovendien uitgevoerd binnen drie maanden na iedere met het oog op het in het tweede lid bedoelde risico relevante wijziging van het zwem- of badwatersysteem.

4. De risicoanalyse omvat de volgende onderdelen:

a. het inventariseren van de locaties binnen de badinrichting waar zich aŽrosolvorming kan voordoen;

b. het verzamelen van gegevens betreffende het zwem- of badwatersysteem waarvan de onder a bedoelde locaties onderdeel uitmaken, waaronder in elk geval wordt begrepen:

1į. een of meer tekeningen waarop het zwem- of badwatersysteem is aangegeven;

2į. gegevens over de herkomst, aard en kwaliteit van het water;

3į. gegevens over de gebruikte desinfectiemiddelen;

4į. gegevens over de bedrijfsvoering van de installaties en de apparatuur;

5į. gebruiksgegevens met betrekking tot de installaties en de apparatuur;

6į. bezoekersaantallen;

c. het beoordelen van het risico per onderdeel van het zwem- of badwatersysteem waarvan de onder a bedoelde locaties onderdeel uitmaken;

d. vastlegging van de uitkomsten van de risicoanalyse, waarbij wordt aangegeven op welke punten in het zwem- en badwatersysteem het in het tweede lid bedoelde risico zich voor kan doen.

Indien uit de inventarisatie bedoeld onder a, blijkt dat er geen locaties zijn waar zich aŽrosolvorming kan voordoen, behoeven de onderdelen b en c niet te worden uitgevoerd.

5. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van de risicoanalyse.

6. De houder draagt er zorg voor dat de uitkomsten van de risicoanalyse, met een overzicht van de daarbij gehanteerde gegevens en de eventueel genomen maatregelen, voor gedeputeerde staten ter inzage liggen in de badinrichting en aan hen op hun verzoek worden toegezonden in een door hen aangegeven vorm.

7. Indien gedeputeerde staten van oordeel zijn dat de risicoanalyse onjuist of onvolledig is uitgevoerd, dan wel indien zij zulks in verband met aan het zwem- of badwatersysteem aangebrachte wijzigingen noodzakelijk achten, kunnen zij de houder verplichten tot het wijzigen, aanvullen of opnieuw uitvoeren van de risicoanalyse binnen een daarbij aangegeven termijn.

Artikel 2b

1. Indien uit een analyse, als bedoeld in artikel 2a, blijkt dat er sprake is van het in artikel 2a, tweede lid, bedoelde risico, stelt de houder binnen drie maanden na het gereedkomen van de risicoanalyse een beheersplan op voor het zwem- of badwatersysteem van de badinrichting, dan wel herziet hij binnen drie maanden een bestaand beheersplan, indien de risicoanalyse daartoe aanleiding geeft. Het beheersplan heeft betrekking op de inrichting en het beheer van het zwem- of badwatersysteem en strekt ertoe dat op de in artikel 2a, vierde lid, onder d, bedoelde risicopunten van het zwem- of badwatersyteem geen legionellabacteriŽen voorkomen in concentraties van 100 of meer kolonievormende eenheden per liter.

2. Indien uit de risicoanalyse, bedoeld in artikel 2a, tweede lid, blijkt dat er sprake is van een risico als bedoeld in dat lid, stelt de houder in afwijking van het eerste lid, het beheersplan op voorafgaand aan de ingebruikneming van de badinrichting.

3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing voor zover de houder het in artikel 2a, tweede lid, bedoelde risico binnen drie maanden na het gereedkomen van de risicoanalyse opheft door zodanige wijzigingen in het zwem- of badwatersysteem, dat daardoor niet langer periodieke beheersmaatregelen zijn vereist, en hij deze wijzigingen meldt aan gedeputeerde staten.

4. Het beheersplan omvat in elk geval de volgende onderdelen:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | de wet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x