Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet inzake de luchtverontreiniging (Wet LUVO of WLV)

 

BESLUIT  EMISSIE-EISEN  STOOKINSTALLATIES  MILIEUBEHEER  A

Tekst zoals deze geldt op 25 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 10 april 1987, houdende emissie-eisen stookinstallaties Wet inzake de luchtverontreiniging

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 22 januari 1986, MJZ 22 16 025, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving en het Directoraat-Generaal voor de Milieuhygiëne, directie Lucht, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken;
     Overwegende dat het, gelet op de problematiek van de verzuring van het milieu en met het oog op de kwaliteit van de buitenlucht, wenselijk is ter beperking van de luchtverontreiniging door zwaveloxiden, stikstofoxiden en stof, eisen te stellen aan de emissie van die stoffen door stookinstallaties, behorende tot vergunningplichtige inrichtingen;
     Gelet op de artikelen 13, 20a , 88, eerste, derde en vierde lid, van de Wet inzake de luchtverontreiniging (Stb. 1981, 411);
     Gehoord de Centrale raad voor de milieuhygiëne (advies van 11 september 1985);
     De Raad van State gehoord (advies van 23 december 1986, nr. W086.0059);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 8 april 1987, nr. MJZ 0847004, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving en het Directoraat-Generaal voor de Milieuhygiëne, directie Lucht, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

 

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. wet: Wet milieubeheer;

b. inrichting: een inrichting die behoort tot een of meer van de categorieën van inrichtingen, die zijn genoemd in bijlage I, onder C, bij het Besluit omgevingsrecht, onder:

1.3, onder b,

2.6, onder a,

4.3,

5.3,

6.2,

8.1, onder e,

8.2, onder a,

9.3, onder g of j,

11.3, onder a, b, c, 1°, 4°, 6°, f, h, voor zover het betreft een inrichting met een capaciteit van 100.106 kg per jaar of meer, of k, 2°,

12.2, onder a, h of i,

13.3, onder c,

24.2, of

28.4, onder e, voor zover het betreft een inrichting met een capaciteit van 1,5.103 kg per uur of meer.

c. vergunning: een omgevingsvergunning voor een inrichting voor zover deze betrekking heeft op een stookinstallatie;

d. kolen: steenkool of uit steenkool vervaardigde vaste brandstoffen, bruinkool en geperste bruinkool;

e. zware stookolie: zware stookolie in de zin van de Wet op de accijns (Stb. 1991, 561) alsmede aardolie en produkten van aardolie waarvan het vloeipunt boven 40°C ligt;

f. gasolie: gasolie in de zin van de Wet op de accijns;

g. vloeibare brandstoffen: zware stookolie alsmede andere brandstoffen die bij een temperatuur van 293 Kelvin en een druk van 101,3 kiloPascal in vloeibare toestand verkeren, daaronder begrepen minerale oliën in de zin van de Wet op de accijns, welke bij genoemde temperatuur en druk niet vloeibaar zijn;

h. gasvormige brandstoffen: brandstoffen die bij een temperatuur van 293 Kelvin en een druk van 101,3 kiloPascal in gasvormige toestand verkeren;

i. LPG: vloeibaar gemaakt petroleumgas als bedoeld in artikel 26 van de Wet op de accijns;

j. aardgas van standaardkwaliteit: aardgas, waarvan de onderste verbrandingswaarde 38 MJ/kg is;

k. rookgas: het mengsel van gassen met de vaste of vloeibare stoffen die zich daarin bevinden, dat bij het verbruik van brandstoffen vrijkomt en dat naar de buitenlucht wordt afgevoerd;

l. stookinstallatie: technische eenheid, met inbegrip van de bij de eenheid behorende voorzieningen voor de reiniging van het rookgas, waarin brandstof wordt verstookt met als doel de warmte-inhoud ervan te benutten;

m. bestaande stookinstallatie: een stookinstallatie met betrekking waartoe voor 29 mei 1987 vergunning is verleend tenzij na dat tijdstip de stookinstallatie geheel is vervangen dan wel, anders dan ter voldoening aan dit besluit, de combinatie van brander- en vuurhaard door een andere is vervangen of aan die combinatie wijzigingen zijn aangebracht die met nieuwbouw overeenkomen;

n. gasturbine-installatie: een stookinstallatie, bestaande uit een of meer gasturbines, waarin een vloeibare of een gasvormige brandstof wordt gestookt, met een of meer bijbehorende ketels waar de verbrandingsgassen van de gasturbine dan wel gasturbines doorheen worden gevoerd teneinde warmte over te dragen aan een medium dat niet in contact treedt met die gassen en waarin al of niet een brandstof wordt gestookt en waarbij geen danwel nagenoeg geen extra lucht voor de verbranding wordt toegevoerd;

o. zuigermotor: een stookinstallatie, bestaande uit een toestel waarin een door verbranding verkregen gasmengsel een zuiger in beweging brengt voor de aandrijving van een werktuig;

p. warmte-inhoud van een hoeveelheid brandstof: de op de onderste verbrandingswaarde betrokken hoeveelheid energie die bij verbranding van die hoeveelheid brandstof vrijkomt;

q. thermisch vermogen: de warmte-inhoud van de maximale hoeveelheid brandstof die per tijdseenheid kan worden toegevoerd aan een stookinstallatie;

r. belasting: het deel van het thermische vermogen, waarbij de stookinstallatie daadwerkelijk wordt bedreven;

s. ISO-luchtcondities: een temperatuur van 288 Kelvin, een druk van 101,3 kiloPascal en een relatieve vochtigheid van 60 procent;

t. motorrendement: het procentuele aandeel van de warmte-inhoud van de toegevoerde brandstoffen, dat bij de hoogste belasting waarbij de zuigermotor continu kan worden bedreven, bij ISO-luchtcondities in arbeid wordt omgezet;

u. gasturbinerendement: het procentuele aandeel van de warmte-inhoud van de toegevoerde brandstoffen, dat bij de hoogste belasting waarbij de gasturbine continu kan worden bedreven, bij ISO-luchtcondities in netto-arbeid wordt omgezet;

v. ontzwavelingspercentage: de verhouding, uitgedrukt in procenten, van enerzijds het verschil tussen de met de brandstof toegevoerde massahoeveelheid zwavelverbindingen en de met het rookgas uitgeworpen massahoeveelheid zwavelverbindingen, berekend als zwavel, en anderzijds de met de brandstof toegevoerde massahoeveelheid zwavelverbindingen, eveneens berekend als zwavel;

w. elektriciteits-produktiebedrijf: houder van een vergunning als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1989 (Stb. 1989, 535);

x. raffinaderij: een inrichting voor de raffinage van aardolie;

y. vaste brandstoffen: brandstoffen die niet gasvormig of vloeibaar zijn in de zin van dit besluit;

z. procesfornuis: een stookinstallatie die in hoofdzaak gebruikt wordt voor andere doeleinden dan het verhitten van water of stoom, het opwekken van kracht, dan wel van een combinatie daarvan;

aa. rookgasdebiet: de volumehoeveelheid rookgas per tijdseenheid, uitgedrukt in m3 per uur;

bb. brandstof: een brandstof in de zin van de Wet inzake de luchtverontreiniging;

cc. bevoegd gezag: het bestuursorgaan dat bevoegd is een omgevingsvergunning voor de betrokken inrichting te verlenen;

dd. biomassa: producten die uitsluitend bestaan uit plantaardig landbouw- of bosbouwmateriaal dat gebruikt kan worden als brandstof om de warmte-inhoud ervan te benutten, alsmede de volgende als brandstof gebruikte afvalstoffen:

1°. plantaardige afvalstoffen die ontstaan zijn bij de uitoefening van land- of bosbouw;

2°. plantaardige afvalstoffen die afkomstig zijn van de levensmiddelenindustrie indien de als gevolg van de thermische behandeling van zodanige afvalstoffen opgewekte warmte wordt teruggewonnen;

3°. vezelachtige afvalstoffen die ontstaan zijn bij de vervaardiging van ruwe pulp of de vervaardiging van papier uit pulp, indien zodanige afvalstoffen op de plaats waar zij zijn ontstaan, thermisch worden behandeld en de als gevolg daarvan opgewekte warmte wordt teruggewonnen;

4°. afvalstoffen bestaande uit hout dat niet als gevolg van een behandeling met houtbeschermingsmiddelen of het aanbrengen van een beschermingslaag gehalogeneerde organische verbindingen dan wel zware metalen kan bevatten;

5°. afvalstoffen bestaande uit kurk;

ee. ketelinstallatie: stookinstallatie, ontworpen om in hoofdzaak water of stoom te verhitten;

ff. gasturbine: krachtwerktuig waarin een continu toegevoerd gecomprimeerd gasvormig mengsel van brandstof en lucht tot ontbranding wordt gebracht waarna dit axiaal expandeert langs een rotor;

gg. accreditatie-instantie: nationale accreditatie-instantie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PbEU L 218).

 

Artikel 2

1. Dit besluit is van toepassing op:

a. zuigermotoren waarin gasolie of gasvormige brandstoffen met uitzondering van LPG, dan wel mengsels daarvan, worden gestookt, gebruikt voor de aandrijving van:

1°. een electrische generator of gascompressor in een installatie voor warmtekrachtkoppeling onderscheidenlijk in een warmtepompinstallatie, of

2°. een pomp of een compressor die continu wordt gebruikt voor het bedrijven van een installatie, welke blijkens de vergunning ontworpen is voor een jaarlijkse bedrijfstijd van tenminste 5000 uur,

met uitzondering van bestaande zuigermotoren waarin het aandeel gasvormige brandstoffen in de warmte-inhoud van de toegevoerde brandstoffen minder dan 50% bedraagt en zuigermotoren die blijkens de daarvoor geldende vergunning bestemd zijn voor het onderzoeken, beproeven of demonstreren van experimentele verbrandingstechnieken of technieken ter bestrijding van de uitworp van zwaveldioxide, stikstofoxiden en stof;

b. andere stookinstallaties dan zuigermotoren, waarin brandstoffen worden gebruikt, met uitzondering van:

1°. stookinstallaties die bestemd zijn voor het drogen of behandelen van voorwerpen of materialen door middel van rechtstreeks kontakt met verbrandingsgas;

2°. cokesovens;

3°. stookinstallaties voor vloeibare of gasvormige brandstoffen met een thermisch vermogen van 0,9 MW of minder;

4°. stookinstallaties die blijkens de daarvoor geldende vergunning bestemd zijn voor het onderzoeken, beproeven of demonstreren van experimentele verbrandingstechnieken of technieken ter bestrijding van de uitworp van zwaveldioxide, stikstofoxiden en stof;

5°. gasturbines en gasturbine-installaties, waarvoor voor 27 november 2002 vergunning is verleend, waarvan het jaarlijks aantal bedrijfsuren niet meer bedraagt dan 500, gasturbines en gasturbine-installaties, waarvoor op of na 27 november 2002 vergunning is verleend, met een thermisch vermogen van minder dan 50 MW waarvan het jaarlijks aantal bedrijfsuren niet meer bedraagt dan 500 en gasturbines en gasturbine-installaties met een netto-asvermogen van niet meer dan 1 MW;

6°. stookinstallaties waarvoor emissie-eisen zijn gesteld in paragraaf 5.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

7°. bestaande stookinstallaties met een thermisch vermogen van minder dan 50 megawatt die blijkens de daarvoor geldende vergunning bestemd zijn voor tijdelijk bedrijf van niet meer dan 500 uren per jaar;

8°. installaties voor de vergassing van kolen of olie;

9°. installaties die op offshoreplatforms worden gebruikt;

10°. technische voorzieningen voor de zuivering van rookgassen door verbranding die niet als autonome stookinstallatie worden geëxploiteerd.

2. Dit besluit is niet van toepassing op een stookinstallatie waarop van toepassing is:

a. paragraaf 5.1 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, of

b. paragraaf 3.2.1 van het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer .

 

Artikel 3

Degene die een inrichting drijft waarin zich een stookinstallatie bevindt waarop dit besluit van toepassing is, draagt er zorg voor dat de voorschriften, bij of krachtens dit besluit gesteld, worden nageleefd.

 

Artikel 4

1. Voor de berekening van de uitworp van een stookinstallatie wordt de massaconcentratie aan zwaveldioxide, stifstofoxiden of stof in het rookgas herleid op rookgas met een volumegehalte aan zuurstof van:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Wet LUVO | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x