Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet luchtvaart (Wlv)

 

REGELING  VEILIG  GEBRUIK  LUCHTHAVENS  EN  ANDERE  TERREINEN

Tekst zoals deze geldt op 25 juli 2014

 

 

 

 
REGELING van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 oktober 2009, nr. CEND/HDJZ-2009/1166 sector LUV, houdende regels in verband met de aanleg, de inrichting, de uitrusting en het veilig gebruik van luchthavens en andere terreinen met het oog op de orde en de veiligheid op die luchthavens en terreinen (Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen)

     De Minister van Verkeer en Waterstaat;
     Gelet op bijlage 14 bij het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109), de artikelen 8a.1, 8a.3, en 8a.51 van de Wet luchtvaart en artikel 51 van het Mijnbouwbesluit;

     Besluit:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

 

Artikel 1

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

– baan: een al dan niet verhard gedeelte van de luchthaven, uitsluitend bestemd voor het opstijgen of landen van luchtvaartuigen;

– beweging: een start of een landing met een luchtvaartuig;

– CTR: CTR als bedoeld in artikel 1 van de Regeling luchtverkeersdienstverlening;

– gemotoriseerd schermvliegtuig: schermvliegtuig als bedoeld in artikel 1 van het Luchtverkeersreglement uitgerust met een motor;

– gyroplane: helikopter als bedoeld in artikel 1 van het Luchtverkeersreglement waarvan de rotorbladen niet door de motor worden aangedreven;

– helikopter: helikopter als bedoeld in artikel 1 van het Luchtverkeersreglement, niet zijnde een gyroplane;

– helikopterluchthaven: burgerluchthaven die uitsluitend wordt gebruikt door helikopters;

– houder van een ontheffing: houder van een ontheffing als bedoeld in artikel 8a.51 van de Wet luchtvaart;

– landbouwluchtvaartuig: een voor het uitvoeren van landbouwwerkzaamheden toegelaten luchtvaartuig;

– luchtvaartvertoning: luchtvaartvertoning als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel h, van de Regeling luchtvaartvertoningen;

– minister: Minister van Verkeer en Waterstaat;

– mla: MLA als bedoeld in artikel 1 van het Besluit luchtvaartuigen 2008;

– obstakel: een roerende of onroerende zaak, zowel tijdelijk als permanent, of een deel daarvan, die een belemmering vormt voor een luchtvaartuig, in een gebied bestemd voor bewegingen van een luchtvaartuig op de grond dan wel uitsteekt boven een omschreven vlak ter bescherming van een luchtvaartuig in zijn vlucht;

– onbemand luchtvaartuig tot 150 kilogram: onbemand luchtvaartuig tot 150 kilogram, niet zijnde een modelluchtvaartuig waarvan de totale massa ten hoogste 25 kilogram bedraagt;

– schermzweeftoestel: schermzweeftoestel als bedoeld in artikel 1 van het Luchtverkeersreglement;

– soaren: met een zeilvliegtuig of schermzweeftoestel vliegen op de hellingstijgwind aan de loefzijde van daarvoor geschikte kustverdedigingswerken;

– strook: gedeelte van een luchthaven waarin een baan is gelegen;

– terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik: terrein als bedoeld in artikel 8a.51 van de Wet luchtvaart;

– TMG: Touring Motor Glider als bedoeld in artikel 1 van het Luchtverkeersreglement;

– verdrag: het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109);

– verhoogde helikopterluchthaven: een helikopterluchthaven op een bouwwerk of constructie van meer dan 3 meter hoogte ten opzichte van het omgevingsvlak;

– vliegtuig: vliegtuig als bedoeld in artikel 1 van het Luchtverkeersreglement;

– vrije ballon: vrije ballon als bedoeld in artikel 1 van het Luchtverkeersreglement;

– waterluchthaven: burgerluchthaven, zijnde een watergebied, ingericht voor het gebruik door watervliegtuigen;

– watervliegtuig: vliegtuig dat zich te water als schip kan verplaatsen;

– zeemijl: de afstand van 1852 meter;

– zeilvliegtuig: zeilvliegtuig als bedoeld in artikel 1 van het Luchtverkeersreglement;

– zweefvliegtuig: zweefvliegtuig als bedoeld in artikel 1 van het Luchtverkeersreglement.

2. Indien de tekst van de in deze regeling genoemde bijlagen bij het verdrag wijzigt, geldt deze wijziging vanaf het moment dat van deze wijziging mededeling is gedaan in het Tractatenblad.

 

Hoofdstuk 2. Regels veilig gebruik burgerluchthavens met een luchthavenbesluit en benoemde burgerluchthavens

 

Afdeling 1. Reikwijdte

 

Artikel 2

Dit hoofdstuk is van toepassing op:

a. burgerluchthavens die gebruikt worden door vliegtuigen en waarvoor een luchthavenbesluit is vastgesteld;

b. helikopterluchthavens:

1°. waarvoor een luchthavenbesluit is vastgesteld;

2°. die verbonden zijn met een ziekenhuis;

3°. die verhoogd zijn aangelegd, of

4°. die verbonden zijn met een mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 51 van het Mijnbouwbesluit;

c. de volgende luchthavens die gebruikt worden door vliegtuigen: Ameland, Budel, Drachten, Eelde, Hilversum, Hoogeveen, Lelystad, Maastricht, Midden-Zeeland, Oostwold, Rotterdam, Seppe, Schiphol, Teuge en Texel;

d. de volgende helikopterluchthavens: Amsterdam (Amsterdam Heliport), Emmercompascuum (Heli Holland BV), Rotterdam Maasvlakte (ten behoeve van het loodswezen) en Zierikzee (Prince Helicopters).

 

Afdeling 2. Certificering

 

Artikel 3

Deze afdeling is van toepassing op de luchthaven Schiphol en op overige burgerluchthavens, met uitzondering van helikopterluchthavens, waarvoor vaststelling van een luchthavenbesluit is vereist.

 

Artikel 4

De exploitant beschikt over een veiligheidsmanagementsysteem, dat ten minste bevat:

a. veiligheidsbeleid;

b. organisatiestructuur;

c. taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van sleutelfunctionarissen;

d. relevante bedrijfsprocessen;

e. risico-inventarisatie en de daaruit voortvloeiende verbeteringen;

f. bedrijfsmiddelen;

g. opleiding en training;

h. melding van ongevallen en ernstige incidenten;

i. registratie, analyse en afhandeling van ongevallen en incidenten, defecten en gebreken, afwijkingen en tekortkomingen en interne en externe klachten met betrekking tot de veiligheid;

j. documenten- en registratiebeheer;

k. met anderen gemaakte afspraken inzake de veiligheid op en rond de luchthaven;

l. een beschrijving van de wijze waarop de exploitant nagaat of de door hem gestelde voorschriften met betrekking tot de orde en veiligheid door de gebruikers van de luchthaven worden nageleefd en van de maatregelen die hij zo nodig neemt;

m. in geval van een gecontroleerde luchthaven: een samenwerkingsprotocol tussen de exploitant en de plaatselijke luchtverkeersleidingsdienst met betrekking tot het luchthaventerreinverkeer op het landingsterrein, uitgezonderd luchtvaartuigen en met betrekking tot het verkeer van luchtvaartuigen naar, van en op de platformen.

 

Artikel 5

1. De exploitant draagt er zorg voor dat het luchthavenbedrijfshandboek een actuele beschrijving bevat van het veiligheidsmanagementsysteem alsmede van de aanleg, de inrichting, de uitrusting en het veilig gebruik van de luchthaven.

2. De exploitant draagt er zorg voor dat de Inspectie Verkeer en Waterstaat en de op de luchthaven gevestigde bedrijven en organisaties, die hun werkzaamheden op het luchtvaartgebied uitoefenen, beschikken over de actuele versie van de voor hen relevante onderdelen van het luchthavenbedrijfshandboek en stelt hen onverwijld in kennis van wijzigingen daarvan.

 

Artikel 6

1. Als sleutelfunctionaris als bedoeld in artikel 4, onderdeel c, wordt in ieder geval aangemerkt een door de exploitant te benoemen havenmeester.

2. De havenmeester wordt door de exploitant belast met het dagelijkse toezicht op de luchthaven en in het bijzonder met het toezicht op de orde en veiligheid in het luchtvaartgebied.

3. De havenmeester verricht zijn taak onverminderd de verantwoordelijkheid van de exploitant.

4. De functie van havenmeester mag verenigd worden met die van directeur van de luchthaven.

 

Artikel 7

1. De exploitant controleert ten minste één maal per jaar of de werking van het veiligheidsmanagementsysteem doeltreffend en doelmatig is.

2. Bij luchthavens die beschikken over een baan die langer is dan

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Wet luchtvaart | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x