Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet milieubeheer (Wm)

 

REGELING  BEOORDELING  LUCHTKWALITEIT  2007

Tekst zoals deze geldt op 25 juli 2014

 

 

 

 
REGELING van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 8 november 2007, nr. LMV 2007.109578, houdende regels met betrekking tot het beoordelen van de luchtkwaliteit (Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007)

     De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
     Gelet op Richtlijn nr. 96/62/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 september 1996 inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit (PbEG L 296), Richtlijn nr. 1999/30/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 april 1999, betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht (PbEG L 163), Richtlijn nr. 2000/69/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 november 2000 betreffende grenswaarden voor benzeen en koolmonoxide in de lucht (PbEG L 313), Richtlijn nr. 2002/3/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 februari 2002 betreffende ozon in de lucht (PbEG L 67), Richtlijn nr. 2004/107/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht (PbEG L 23), de artikelen 5.15, tweede lid, 5.17, tweede lid, 5.19, vijfde lid, 5.20, eerste en tweede lid, en 5.22 van de Wet milieubeheer en artikel 6, tweede lid, van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);

     Besluit:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

 

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

depositie: de neerslag van een luchtverontreinigende stof, uitgedrukt als de massa van die stof die neerslaat op een oppervlak van een bepaalde omvang gedurende een bepaalde tijd;

emissiefactor: factor die de uitstoot van een luchtverontreinigende stof per dier per jaar of per voertuigkilometer weergeeft;

grootschalige concentratiegegevens: gegevens met betrekking tot de gemiddelde concentraties op een schaalniveau van één bij één kilometer;

meetmethode: procedure van het bemonsteren van de buitenlucht, het analyseren van aldus verkregen monsters, het kalibreren van daartoe te gebruiken apparatuur, alsmede de verwerking van het signaal tot een concentratie dan wel depositie;

Minister: Minister van Infrastructuur en Milieu;

polycyclische aromatische koolwaterstoffen: organische verbindingen die bestaan uit ten minste twee versmolten aromatische ringen die volledig uit koolstof en waterstof bestaan;

referentiewaarde: in bijlage 4 opgenomen concentratie bepaald met behulp van de in die bijlage omschreven situaties;

ruwheidskaart: kaart, houdende een overzicht van de gemiddelde ruwheidslengte op een schaalniveau van één bij één km;

ruwheidslengte: parameter voor de mechanische wrijving tussen luchtstromen en het landoppervlak;

totaal gasvormig kwik: elementaire kwikdamp (Hg0) en reactief gasvormig kwik, ofwel in water oplosbare kwikverbindingen met een voldoende hoge dampdruk om in de gasfase te bestaan;

totale depositie: depositie van alle luchtverontreinigende stoffen gezamenlijk;

verkeersintensiteit: aantal motorvoertuigen dat gemiddeld gedurende een bepaald tijdvak een waarneempunt bij een weg passeert;

vluchtige organische stoffen: antropogene en biogene organische verbindingen, met uitzondering van methaan, die onder invloed van zonlicht door reactie met stikstofoxiden fotochemische oxidanten kunnen vormen;

wet: Wet milieubeheer.

 

Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen inzake het vaststellen van het kwaliteitsniveau

 

Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2013]

 

Artikel 2a

1.Het vaststellen van het kwaliteitsniveau door middel van meting vindt plaats overeenkomstig hoofdstuk 3.

2.Het vaststellen van het kwaliteitsniveau door middel van berekening vindt plaats overeenkomstig hoofdstuk 4.

 

Artikel 3

1. De Minister stelt door middel van meting op vaste meetpunten in agglomeraties en zones als bedoeld in artikel 5.22 van de wet, de concentraties in de buitenlucht vast van zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10), lood, koolmonoxide, benzeen en ozon en in agglomeraties als bedoeld in artikel 5.22 van de wet, de concentraties in de buitenlucht van benzo(a)pyreen.

2. De Minister stelt door middel van meting op een vast meetpunt de concentraties in de buitenlucht vast van arseen, cadmium en nikkel.

3. De Minister stelt door middel van indicatieve meting op een vast meetpunt de achtergrondconcentraties in de buitenlucht vast van arseen, cadmium, nikkel, benzo(a)pyreen en andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen.

4. De Minister stelt door middel van indicatieve meting op een vast meetpunt de totale depositie vast van arseen, cadmium, kwik, nikkel, benzo(a)pyreen en andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen.

5. Voor zover een ander bestuursorgaan dan de Minister overeenkomstig het bepaalde in deze regeling metingen als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid verricht, is de Minister daartoe niet verplicht.

 

Artikel 4

Burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten stellen de Minister jaarlijks voor 1 mei op een door de Minister te bepalen wijze in kennis van de meest recente, hen ter beschikking staande gegevens die nodig zijn om met behulp van de standaardrekenmethoden, bedoeld in de artikelen 71 en 75, kwaliteitsniveaus vast te kunnen stellen op plaatsen waar de bevolking, ten gevolge van emissies van bronnen die onder het beheer van het desbetreffende bestuursorgaan staan, naar hun redelijke verwachting direct of indirect kan worden blootgesteld aan concentraties in de buitenlucht die hoger zijn dan de toepasselijke in bijlage 2, voorschrift 1.1, 2.1, eerste lid, 2.1a, 4.1, 4.2 en 7.1, onder b, van de wet genoemde grenswaarden, alsmede hoger dan 3600 microgram per m3, als 98-percentiel van acht-uurgemiddelde concentraties voor koolmonoxide.

 

Artikel 5

1. Met gebruikmaking van de krachtens artikel 4 aan hem geleverde gegevens stelt de Minister door middel van berekening met behulp van de standaardrekenmethoden, bedoeld in de artikelen 71 en 75, de concentraties in de buitenlucht vast van stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10).

2. De Minister stelt jaarlijks voor 1 juli bestuursorganen die de in artikel 4 bedoelde gegevens aan hem hebben geleverd in kennis van de met die gegevens vastgestelde kwaliteitsniveaus, bedoeld in het eerste lid.

 

Artikel 6 [Vervallen per 15-08-2009]

 

Artikel 7

1. Het bestuursorgaan dat de metingen, bedoeld in artikel 3 verricht, draagt zorg voor de bekostiging van die metingen.

2. Het bestuursorgaan dat krachtens artikel 4 de Minister in kennis stelt van de in dat artikel bedoelde gegevens draagt zorg voor de bekostiging van die gegevens en de bedoelde inkennisstelling.

3. De Minister draagt zorg voor de bekostiging van de berekeningen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, en van de inkennisstelling, bedoeld in het tweede lid van dat artikel.

 

Artikel 8

Als de agglomeraties, bedoeld in artikel 5.22, eerste lid, van de wet, worden aangewezen:

a. de agglomeratie Amsterdam/Haarlem, omvattend de gemeenten Amsterdam, Aalsmeer, Amstelveen, Uithoorn, Ouder-Amstel, Diemen, Zaanstad, Heemskerk, Beverwijk, Velsen, Haarlem, Bloemendaal, Zandvoort, Heemstede, Haarlemmerliede en Spaarnwoude en Haarlemmermeer;

b. de agglomeratie Den Haag/Leiden, omvattend de gemeenten Den Haag, Westland, Midden-Delfland, Delft, Rijswijk, Leidschendam-Voorburg, Wassenaar, Voorschoten, Leiden, Oegstgeest, Katwijk, en Leiderdorp;

c. de agglomeratie Rotterdam/Dordrecht, omvattend de gemeenten Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen, Maassluis, Spijkenisse, Albrandswaard, Capelle aan de IJssel, Ridderkerk, Barendrecht, Zwijndrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Dordrecht, Papendrecht en Sliedrecht;

d. de agglomeratie Utrecht, omvattend de gemeenten Utrecht, Houten, Nieuwegein en IJsselstein;

e. de agglomeratie Eindhoven, omvattend de gemeenten Eindhoven, Best, Veldhoven, Geldrop-Mierlo, Nuenen c.a. en Helmond;

f. de agglomeratie Heerlen/Kerkrade, omvattend de gemeenten Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Brunssum, Voerendaal en Nuth.

 

Artikel 9

Als de zones, bedoeld in artikel 5.22, eerste lid, van de wet, worden aangewezen:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Wet milieubeheer | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x