Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet op het financieel toezicht (Wft)

 

BESLUIT  PRUDENTIEEL  TOEZICHT  FINANCIňLE  GROEPEN  WFT

Tekst zoals deze geldt op 25 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 12 oktober 2006, houdende regels met betrekking tot aanvullend prudentieel toezicht op kredietinstellingen, levensverzekeraars, schadeverzekeraars en beleggingsondernemingen die tot een financiŽle groep behoren (Besluit prudentieel toezicht financiŽle groepen Wft)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van FinanciŽn van 27 juni 2006, nr. FM 2006-01503 M;
     Gelet op Richtlijn nr. 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat en tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en 93/22/EEG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2003 L 35), Richtlijn nr. 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PbEG L 126) en Richtlijn nr. 98/78/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 oktober 1998 betreffende het aanvullende toezicht op verzekeringsondernemingen in een verzekeringsgroep (PbEG L 330) en de artikelen 3:270, tweede lid, 3:280, vierde lid, 3:284, derde lid, 3:285, 3:286 en 3:296 tot en met 3:299 van de Wet op het financieel toezicht;
     De Raad van State gehoord (advies van 26 juli 2006, nr. W06.06.0260/IV);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van FinanciŽn van 9 oktober 2006, nr. FM 2006-01859U;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder wet: Wet op het financieel toezicht.

Artikel 2

De in dit besluit bedoelde financiŽle ondernemingen passen de in dit besluit beschreven methoden consistent toe.

Artikel 2a

1. Een onderneming als bedoeld in artikel 3:269a, eerste lid, van de wet, beschikt over:

a. adequate procedures met betrekking tot de kapitaaltoereikendheid om alle bestaande materiŽle risicoís te bepalen en te meten en het eigen vermogen naar behoren af te stemmen op de risicoís;

b. gedegen rapportage- en jaarrekeningsystemen, met het oog op de bepaling, meting, bewaking en beheersing van de intragroepsovereenkomsten en -posities en de risicoconcentratie.

2. De onderneming beschikt tevens met het oog op het risicobeheer, bedoeld in artikel 3:269a, eerste lid, onderdeel a, van de wet, over:

a. een gedegen bestuur en beheer, waarin is voorzien in goedkeuring en periodieke evaluatie van de strategieŽn en het beleid door de passende bestuursorganen op het niveau van het financiŽle conglomeraat met betrekking tot alle risicoís die zij aangaan;

b. een adequaat kapitaaltoereikendheidsbeleid om te anticiperen op de gevolgen van de bedrijfsstrategie van de gereglementeerde entiteiten in het financieel conglomeraat voor het risicoprofiel en de kapitaaltoereikendheid, bedoeld in artikel 3:296 van de wet;

c. adequate procedures om te waarborgen dat de risicobewakingssystemen van de gereglementeerde entiteiten in het financieel conglomeraat goed geÔntegreerd zijn in hun organisatie en dat alle maatregelen zijn genomen om te waarborgen dat de systemen die worden toegepast in alle ondernemingen die onder het aanvullende toezicht vallen met elkaar in overeenstemming zijn, zodat de risicoís op het niveau van het financiŽle conglomeraat kunnen worden gemeten, bewaakt en beheerst.

Hoofdstuk 2. Geconsolideerd toezicht op beleggingsondernemingen en banken

Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 3:270, tweede lid, 3:280, vierde lid, en 3:280b van de wet

Artikel 3

1. Een onderneming is van te verwaarlozen betekenis als bedoeld in artikel 3:270, eerste lid, onderdeel b, van de wet, indien het balanstotaal van die onderneming, tezamen met dat van andere bij het toezicht op de betrokken beleggingsonderneming of bank te betrekken ondernemingen van te verwaarlozen betekenis, lager is dan het laagste van de twee volgende bedragen:

a. Ä 10.000.000; of

b. ťťn procent van het balanstotaal van de moederonderneming of van de onderneming die de deelneming houdt.

2. In dit artikel wordt onder onderneming verstaan een beleggingsonderneming, een financiŽle instelling, een bank of een onderneming die nevendiensten verricht, en die dochteronderneming is van een Nederlandse beleggingsonderneming of Nederlandse bank of waarin een deelneming wordt gehouden door die Nederlandse beleggingsonderneming of Nederlandse bank.

Artikel 4

1. Een beleggingsonderneming of bank als bedoeld in artikel 3:280, eerste lid, van de wet dient de in het derde lid van dat artikel bedoelde rapportage eenmaal per jaar bij de Nederlandsche Bank in, tenzij de Nederlandsche Bank, indien de solvabiliteit door ontwikkelingen bij de beleggingsonderneming of bank in het gedrang is of zou kunnen komen, besluit dat er gerapporteerd wordt met een hogere frequentie.

2. Onder significante intragroepsovereenkomsten of -posities als bedoeld in artikel 3:280, derde lid, van de wet worden verstaan overeenkomsten of posities die een door de Nederlandsche Bank vast te stellen drempel, gerelateerd aan de aanwezige solvabiliteit, te boven gaan. Alvorens de drempel vast te stellen, voert de Nederlandsche Bank overleg met de betrokken Nederlandse beleggingsonderneming of Nederlandse bank. De Nederlandsche Bank stelt geen kwalitatieve of andere kwantitatieve drempels vast.

3. De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de categorieŽn overeenkomsten en posities die in de rapportage worden betrokken en de rapportage.

4. De in het derde lid bedoelde regels hebben uitsluitend betrekking op:

a. het model van de staat;

b. de reikwijdte van toepassing van de staat en de mate van detaillering van de in te vullen gegevens; deze omvatten geen uitbreiding of nadere rubricering van de staat;

c. de waardering van de posten overeenkomstig de waarderingsmethoden die de financiŽle onderneming in haar jaarrekening toepast;

d. de te hanteren valuta en rekeneenheid;

e. de afronding; en

f. de termijn waarbinnen de rapportage wordt verstrekt; met dien verstande dat deze niet korter is dan noodzakelijk voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van hoofdstuk 6 van het Deel Prudentieel toezicht financiŽle ondernemingen van de wet.

Artikel 4a

1. De Nederlandsche Bank kan een ontheffing als bedoeld in artikel 3:280b van de wet verlenen aan een beleggingsonderneming die deel uitmaakt van een groep indien in de desbetreffende groep:

a. elke Nederlandse beleggingsonderneming haar aanwezig toetsingsvermogen berekent ingevolge artikel 90, tweede lid, van het Besluit prudentiŽle regels Wft;

b. elke Nederlandse beleggingsonderneming een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 62a, eerste of tweede lid, van het Besluit prudentiŽle regels Wft is;

c. elke Nederlandse beleggingsonderneming voldoet aan artikel 62a van het Besluit prudentiŽle regels Wft, waarbij de waarde van latente verplichtingen aan beleggingsondernemingen, financiŽle instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten verrichten, die binnen de reikwijdte van de consolidatie zouden vallen, in mindering worden gebracht op dit toetsingsvermogen;

d. elke financiŽle moederholding van een beleggingsonderneming beschikt over een toetsingsvermogen dat wordt gevormd door de posten, bedoeld in de artikelen 91, tweede lid, onderdelen a tot en met j, en 92, tweede en derde lid, van het Besluit prudentiŽle regels Wft, en dat ten minste gelijk is aan de som van de waarde van de aandelen, deelnemingen, achtergestelde leningen en posten als bedoeld in artikel 94, tweede lid, onderdelen a tot en met e, van dat besluit ten aanzien van beleggingsondernemingen, financiŽle instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten verrichten, die binnen de reikwijdte van de consolidatie zouden vallen, en de waarde van de latente verplichtingen van de financiŽle moederholding aan deze ondernemingen;

e. elke Nederlandse beleggingsonderneming beschikt over systemen om de bronnen van de passiva van alle tot de groep behorende financiŽle holdings, beleggingsondernemingen, financiŽle instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten verrichten, te bewaken en te beheersen; en

f. elke beleggingsonderneming met zetel in een andere lidstaat voldoet aan de in die lidstaat geldende regels die overeenkomen met de onderdelen a tot en met c en e.

2. De Nederlandsche Bank kan, op verzoek, besluiten dat een financiŽle Nederlandse moederholding van een beleggingsonderneming, in afwijking van het eerste lid, onderdeel d, beschikt over een toetsingsvermogen dat wordt gevormd door de posten, bedoeld in de artikelen 91, tweede lid, onderdelen a tot en met j, en 92, tweede en derde lid, van het Besluit prudentiŽle regels Wft en dat ten minste gelijk is aan de som van de minimumomvang van het toetsingsvermogen van beleggingsondernemingen, financiŽle instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten verrichten, die binnen de reikwijdte van de consolidatie zouden vallen, berekend volgens het Besluit prudentiŽle regels Wft, en de waarde van de latente verplichtingen van de financiŽle moederholding aan deze ondernemingen.

3. Indien de Nederlandsche Bank een ontheffing als bedoeld in het eerste lid verleent, kan zij verlangen dat de beleggingsonderneming haar in kennis stelt van de door die beleggingsonderneming te lopen relevante risicoís. Indien zij zulks verlangt en indien de financiŽle positie van de beleggingsonderneming onvoldoende beschermd is, neemt de beleggingsonderneming passende maatregelen ter beperking van de relevante risicoís.

4. Indien de Nederlandsche Bank een ontheffing als bedoeld in het eerste lid verleent:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Wft | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x