Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet op het financieel toezicht (Wft)

 

BESLUIT  REIKWIJDTEBEPALINGEN  WFT

Tekst zoals deze geldt op 25 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 12 oktober 2006, houdende bepalingen ter uitvoering van de artikelen 1:10, 1:11, 3:5, 3:36 en 3:110 van de Wet op het financieel toezicht (Besluit reikwijdtebepalingen Wft)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van FinanciŽn van 12 juli 2006, nr. FM 2006-01704 M;
     Gelet op de artikelen 1:10, 1:11, 3:5, 3:36 en 3:110 van de Wet op het financieel toezicht;
     De Raad van State gehoord (advies van 17 augustus 2006, nr. W06.06.0333/IV);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van FinanciŽn van 9 oktober 2006, FM 2006-02265 U;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk 1. Definities

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. wet: Wet op het financieel toezicht;

b. Zwitserland: Zwitserse Bondsstaat.

Hoofdstuk 2. Reikwijdte

Afdeling 2.1. Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 1:10, aanhef en onderdeel a, en 3:36, zesde lid, van de wet

ß 2.1.1. Onderlinge waarborgmaatschappijen met zetel in Nederland

Artikel 2

1. Het ingevolge het Algemeen deel, het Deel Markttoegang financiŽle ondernemingen, het Deel Prudentieel toezicht financiŽle ondernemingen en de afdeling 5.4.3 van het Deel Gedragstoezicht financiŽle markten van de wet bepaalde met betrekking tot het uitoefenen van het bedrijf van schadeverzekeraar is, voorzover in dit besluit niet anders is bepaald, niet van toepassing op onderlinge waarborgmaatschappijen van beperkte omvang met zetel in Nederland die het bedrijf van schadeverzekeraar uitoefenen en in het bezit zijn van een door de Nederlandsche Bank ingevolge deze paragraaf verleende verklaring.

2. Bij de aanvraag van een verklaring legt de aanvrager aan de Nederlandsche Bank een gewaarmerkt afschrift van de statuten, een lijst met namen en adressen van zijn bestuurders en een programma van werkzaamheden over, dat bevat:

a. een opgave van de aard van de risicoís die de onderlinge waarborgmaatschappij voornemens is te dekken;

b. een uiteenzetting omtrent de leidende beginselen op het gebied van de herverzekering;

c. een raming van de kosten voor de inrichting van de administratie en van het productienet;

d. bewijsstukken waaruit blijkt dat de onderlinge waarborgmaatschappij beschikt over de financiŽle middelen tot dekking daarvan;

en voorts, voor de eerste drie boekjaren:

e. een raming van de andere dan de in onderdeel c bedoelde kosten van beheer, met name van de algemene kosten en de provisies;

f. een raming van de premies en van de schaden;

g. een raming van de liquiditeitspositie; en

h. een raming van de financiŽle middelen tot dekking van de verplichtingen en, voorzover van toepassing, tot dekking van de solvabiliteitsmarge bedoeld in artikel 4, tweede lid.

3. Indien artikel 4 van toepassing is worden tevens bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat de onderlinge waarborgmaatschappij voldoet aan artikel 4, tweede lid, en is het ingevolge artikel 3:57, eerste tot en met derde lid, van de wet bepaalde van toepassing.

Artikel 3

1. De Nederlandsche Bank verleent een verklaring als bedoeld in artikel 2 aan onderlinge waarborgmaatschappijen waarvan:

a. de statuten bepalen dat de leden tijdens de bedrijfsuitoefening verplicht zijn of kunnen worden volledig bij te dragen in de tekorten of dat de schadevergoedingsplicht naar gelang van de beschikbare middelen kan worden beperkt en dat bij de ontbinding de leden en zij die binnen de in de statuten bepaalde termijn hebben opgehouden leden te zijn, aansprakelijk zijn voor tekorten of dat de schadevergoedingsplicht naargelang de beschikbare middelen kan worden beperkt;

b. de bedrijfsuitoefening is beperkt tot slechts een van de branches, bedoeld in artikel 2:27, tweede lid, van de wet, met uitzondering van de branches Ongevallen, Ziekte, Aansprakelijkheid motorrijtuigen, Aansprakelijkheid wegvervoer, Aansprakelijkheid luchtvaartuigen, Aansprakelijkheid zee- en binnenschepen, Algemene aansprakelijkheid, Krediet, Borgtocht en Hulpverlening;

c. de bij hen verzekerde risicoís op genoegzame wijze zijn herverzekerd, tenzij de Nederlandsche Bank besluit dat geen herverzekering behoeft plaats te vinden;

d. ten minste de helft van het jaarlijkse bruto premie-inkomen afkomstig is van de leden;

e. het aantal verzekeringnemers niet groter is dan drieduizend; en

f. het jaarlijkse bruto premie-inkomen niet meer dan Ä 455.000 beloopt.

2. Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op onderlinge waarborgmaatschappijen waarvan het aantal verzekeringnemers niet groter is dan tweehonderd en het jaarlijkse bruto premie-inkomen niet meer dan Ä 91.000 beloopt.

Artikel 4

1.De Nederlandsche Bank verleent een verklaring als bedoeld in artikel 2 aan onderlinge waarborgmaatschappijen die niet voldoen aan artikel 3 en waarvan:

a. de statuten bepalen dat de leden tijdens de bedrijfsuitoefening verplicht zijn of kunnen worden volledig bij te dragen in de tekorten, of dat de schadevergoedingsplicht naargelang de beschikbare middelen kan worden beperkt en dat bij de ontbinding de leden en zij die binnen de in de statuten bepaalde termijn hebben opgehouden leden te zijn, aansprakelijk zijn voor tekorten, of dat de schadevergoedingsplicht naar gelang van de beschikbare middelen kan worden beperkt;

b. de bedrijfsuitoefening zich niet uitstrekt tot de branches Ongevallen, Ziekte, Aansprakelijkheid motorrijtuigen, Aansprakelijkheid wegvervoer, Aansprakelijkheid luchtvaartuigen, Aansprakelijkheid zee- en binnenschepen, Algemene aansprakelijkheid, Krediet, Borgtocht en Hulpverlening;

c. het jaarlijkse bruto premie-inkomen niet meer dan Ä 5.000.000 beloopt; en

d. tenminste de helft van het jaarlijkse bruto premie-inkomen afkomstig is van de leden.

2.De onderlinge waarborgmaatschappij beschikt over een solvabiliteitsmarge die ten minste Ä 205.000 bedraagt. Ten aanzien van deze solvabiliteitsmarge is het ingevolge artikel 3:57, eerste tot en met derde lid, van de wet bepaalde van toepassing.

Artikel 5

1. Een onderlinge waarborgmaatschappij waaraan op grond van artikel 3 een verklaring is verleend, dient binnen de door artikel 58, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde termijnen de jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens, bedoeld in de artikelen 361, eerste lid, onderscheidenlijk 391, eerste lid, en 392, eerste lid, onderdelen a tot en met h, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, bij de Nederlandsche Bank in.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op onderlinge waarborgmaatschappijen waarvan het aantal verzekeringnemers niet groter is dan tweehonderd en het jaarlijkse bruto premie-inkomen niet meer dan Ä 91.000 beloopt.

Artikel 6

1.Een onderlinge waarborgmaatschappij waaraan op grond van artikel 4 een verklaring is verleend, dient binnen zes maanden na afloop van het boekjaar bij de Nederlandsche Bank een opgave in met betrekking tot de vanuit de vestigingen in Nederland gesloten schadeverzekeringen met betrekking tot in andere lidstaten gelegen risicoís.

2.In de opgave worden per lidstaat en per branchegroep de in dat boekjaar geboekte premies, schaden en provisies vermeld, telkens zonder aftrek van herverzekering. De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de branchegroepen en het model van de opgave.

Artikel 7

1. Ten aanzien van een onderlinge waarborgmaatschappij waaraan op grond van artikel 3 een verklaring is verleend, is het bepaalde ingevolge de artikelen 1:1, 1:6, tweede lid, 1:10, aanhef en onderdeel a, 1:24, 1:25, 1:36, 1:40 tot en met 1:42, 1:51, 1:52, 1:59, 1:65, 1:68, 1:72 tot en met 1:74, 1:75, 1:76, eerste tot en met zevende lid, 1:89 tot en met 1:91, 1:92, 1:93, 1:110, eerste lid, 2:27, tweede lid, 2:28, 3:8 tot en met 3:10, 3:17 eerste en tweede lid, aanhef en onderdelen a en b, en vierde lid, 3:29, derde lid, 3:38, en 3:70 van de wet van toepassing.

2. Met betrekking tot het verzekeren van bijkomende risicoís is het ingevolge artikel 3:36, vierde lid, van de wet bepaalde van toepassing met dien verstande dat de risicoís van de branche Rechtsbijstand uitsluitend als bijkomende risicoís mogen worden gecombineerd met branches waarbij risicoís worden verzekerd die verband houden met het gebruik van zeeschepen. Risicoís die verband houden met aansprakelijkheden ten aanzien waarvan de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen van toepassing is worden evenwel niet als bijkomend risico verzekerd.

Artikel 8

1. Ten aanzien van een onderlinge waarborgmaatschappij waaraan op grond van artikel 4 een verklaring is verleend, is het bepaalde ingevolge de artikelen

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Wft | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x