Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet zeevarenden

 

REGELING  VAARBEVOEGDHEIDSBEWIJZEN  ZEEVAART

Tekst zoals deze geldt op 24 januari 2014

Vervallen m.i.v. 3 mei 2014

 

 

 

 
     De Minister van Verkeer en Waterstaat;
     Gelet op de artikelen 20, tweede lid, 21 en 22, vierde en vijfde lid, van de Zeevaartbemanningswet, alsmede de artikelen 5, 6, tweede lid, en 8, tweede lid, van het Besluit zeevaartbemanning handelsvaart en zeilvaart;

     Besluit:

 

 

§ 1. Begripsbepaling

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. Besluit:

Besluit zeevarenden handelsvaart en zeilvaart;

b. kleine schepen:

schepen met een bruto tonnage van minder dan 3000 GT en een voortstuwingsvermogen van minder dan 3000 kW;

c. vaarbevoegdheidsbewijs van erkennning:

een vaarbevoegdheidsbewijs dat is door de Minister van Infrastructuur en Milieu wordt afgegeven op grond van een erkend buitenlands vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in artikel 22 van de Wet;

d. Wet:

Wet zeevarenden.

§ 2. Eerste afgifte

Artikel 2

1. Ter verkrijging van een vaarbevoegdheidsbewijs legt de aanvrager de volgende bescheiden over aan de Minister van Infrastructuur en Milieu:

a. een door hem ingevuld en ondertekend aanvraagformulier, verkrijgbaar gesteld door de Inspectie Verkeer en Waterstaat;

b. twee gelijke, recente pasfoto's;

c. een afschrift van de originele geldige geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart;

d. een afschrift van de originele geldige geneeskundige verklaring betreffende het gezichtsorgaan en het gehoororgaan, indien het betreft kapiteins, stuurlieden, scheepswerktuigkundigen, maritiem officieren en scheepsgezellen aan wie aan boord het houden van uitkijk kan worden opgedragen of aan wie de wacht op de brug of in de machinekamer kan worden toevertrouwd;

e. de bewijzen van diensttijd;

f. de voor het verlangde vaarbevoegdheidsbewijs vereiste kennisbewijzen of de daarop betrekking hebbende EG-verklaring, bedoeld in artikel 22, derde lid, van de Wet, zoals dat luidde voor 20 oktober 2007, die ten hoogste vier jaren voor het indienen van de aanvraag is of zijn afgegeven, of het bewijs dat met goed gevolg een kennistoets heeft plaatsgevonden bij de Rijks Examencommissie voor de Stuurlieden of voor de Werktuigkundigen in combinatie met een aantoonbaar dienstverband van ten minste zes maanden bij één Nederlandse rederij;

g. een bewijs van nationaliteit van de aanvrager;

h. het bewijs van betaling van de kosten, verbonden aan de afgifte van het vaarbevoegdheidsbewijs;

i. voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs als kapitein of stuurman: het voor de aangevraagde vaarbevoegdheid vereiste certificaat maritieme radiocommunicatie, bedoeld in de artikelen 22 en 23 van het Besluit, dan wel het bewijs dat met goed gevolg een marcomtoets heeft plaatsgevonden door de Divisie Telecom van de Inspectie Verkeer en Waterstaat;

j. voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs als gezel: het certificaat basisveiligheidstraining, bedoeld in artikel 87 van het Besluit;

k. voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs als kapitein of eerste stuurman alle schepen: het certificaat scheepsmanagement-N, bedoeld in artikel 68 van het Besluit;

l. voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs als hoofdwerktuigkundige: het certificaat scheepsmanagement-W, bedoeld in artikel 69 van het Besluit, tenzij:

1º. de aanvrager houder is van het diploma C als scheepswerktuigkundige;

2º. de aanvrager vóór de datum van inwerkingtreding van het Besluit dienst deed als hoofdwerktuigkundige;

m. voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs als eerste maritiem officier: de certificaten scheepsmanagement-N en W;

n. voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs als genoemd in artikel 18, tweede lid, van de Wet, met uitzondering van die, genoemd onder e en f: het certificaat brandbestrijding voor gevorderden, bedoeld in artikel 90 van het Besluit;

o. voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs als kapitein, eerste stuurman alle schepen en eerste maritiem officier alle schepen: het certificaat radarnavigator, bedoeld in artikel 70 van het Besluit, en

p. voor het plaatsen van een aantekening op een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in onderdeel n, dat de betrokken zeevarende bevoegd is dienst te doen aan boord van tankschepen: een erkend tankertrainingscertificaat en het bewijs van zes maanden diensttijd in een officiersfunctie aan boord van tankschepen.

2. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel k, geldt niet indien het vaarbevoegdheidsbewijs wordt aangevraagd met de beperking tot reizen nabij de kust.

Voor het vaarbevoegdheidsbewijs als eerste stuurman geldt deze verplichting bovendien niet indien het vaarbevoegdheidsbewijs wordt aangevraagd met de beperking tot schepen met een brutotonnage van minder dan 3000 GT of in de uitzonderingssituaties, bedoeld in artikel 49, tweede lid, van het Besluit. Tenslotte geldt deze verplichting niet indien het een aanvraag van een vaarbevoegdheidsbewijs betreft als eerste maritiem officier met de beperking tot een brutotonnage van ten hoogste 3000 GT en een motorvermogen van 3000 kW.

3. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel o, geldt niet indien het vaarbevoegdheidsbewijs wordt aangevraagd met de beperking tot reizen nabij de kust.

Voor het vaarbevoegdheidsbewijs als eerste stuurman en eerste maritiem officier geldt deze verplichting bovendien niet indien het vaarbevoegdheidsbewijs wordt aangevraagd met de beperking tot schepen met een brutotonnage van minder dan 3000 GT.

4. Een bewijs van beroepsbekwaamheid als bedoeld in artikel 22a, eerste lid, van de Wet, met betrekking tot de onderwerpen genoemd in het eerste lid, onderdelen c tot en met f, en i tot en met p, wordt met de desbetreffende in die onderdelen bedoelde bescheiden gelijkgesteld.

5. Ter verkrijging van een vaarbevoegdheidsbewijs op grond van een vaarbevoegdheidsbewijs dat is afgegeven door of onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, legt de aanvrager het origineel van dat geldige bewijs alsmede de in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, g en h, bedoelde bescheiden over aan de Minister van Infrastructuur en Milieu.

6. De op een ingevolge artikel 22a, tweede lid, van de Wet afgegeven vaarbevoegdheidsbewijs aangetekende vaarbevoegdheid is beperkt tot de in het oorspronkelijke bewijs omschreven bevoegdheid waarbij het in het Besluit aangegeven onderscheid naar categorie schepen, bruto-tonnage, voortstuwingsvermogen en vaargebied in acht wordt genomen.

7. Een ingevolge artikel 22a, tweede lid, van de Wet afgegeven vaarbevoegdheidsbewijs heeft een geldigheidsduur die gelijk is aan die van het oorspronkelijke bewijs, doch niet langer dan vijf jaar.

§ 3. Vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning

Artikel 3

1. Ter verkrijging van een vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning legt de aanvrager, naast de in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met d, en h genoemde bescheiden, de volgende bescheiden over aan de Minister van Infrastructuur en Milieu:

a. het origineel van het geldige, door een bevoegde autoriteit van de desbetreffende andere staat, naar het oordeel van de Minister van Verkeer en Waterstaat rechtmatig afgegeven vaarbevoegdheidsbewijs, op grond waarvan het vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning wordt verlangd;

b. indien de aanvraag een vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning betreft als:

1º. kapitein, eerste stuurman of hoofdwerktuigkundige;

2º. schipper zeevisvaart of plaatsvervangend schipper zeevisvaart;

het originele kennisbewijs betreffende de opleidingsmodule Nederlandse wetgeving, bedoeld in artikel 9, vierde lid, van het Besluit;

c. een bewijs van nationaliteit van de aanvrager, en

d. indien het een aanvraag voor een vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning als kapitein betreft, het bewijs van schriftelijke toestemming aan de scheepsbeheerder, bedoeld in artikel 30, vijfde lid, van de Wet, tenzij artikel 5 van de Vrijstellingsregeling buitenlandse kapiteins voor de sector koopvaardij of artikel 5 van de Vrijstellingsregeling buitenlandse kapiteins voor de sector zeegaande waterbouw van toepassing is.

2. Een vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning heeft een geldigheidsduur die gelijk is aan die van het door een bevoegde autoriteit afgegeven oorspronkelijke vaarbevoegdheidsbewijs, doch niet langer dan vijf jaar.

§ 4. Vernieuwing

Artikel 4

1. Ter vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs legt de aanvrager de volgende bescheiden over aan de Minister van Infrastructuur en Milieu:

a. een door hem ingevuld en ondertekend aanvraagformulier, verkrijgbaar gesteld door de Inspectie Verkeer en Waterstaat;

b. twee gelijke, recente pasfoto's;

c. het originele vaarbevoegdheidsbewijs waarvan vernieuwing wordt gewenst;

d. een afschrift van de originele geldige geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart;

e. een afschrift van de originele geldige geneeskundige verklaring betreffende het gezichtsorgaan en het gehoororgaan, indien het betreft kapiteins, stuurlieden, scheepswerktuigkundigen, maritiem officieren en scheepsgezellen aan wie aan boord het houden van uitkijk kan worden opgedragen of aan wie de wacht op de brug of in de machinekamer kan worden toevertrouwd;

f. de bewijzen van diensttijd, dan wel het bewijs van dienstdoen in een vergelijkbare functie als bedoeld in artikel 8;

g. een bewijs van nationaliteit van de aanvrager, en

h. het bewijs van betaling van de kosten, verbonden aan de afgifte van het vaarbevoegdheidsbewijs.

2. Ter vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs dat is afgegeven op grond van een vaarbevoegdheidsbewijs dat is afgegeven door of onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, is artikel 2, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5

Ter vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning legt de aanvrager de volgende bescheiden over aan de Minister van Infrastructuur en Milieu:

a. de in artikel 4, eerste lid, onderdelen a tot en met h, genoemde bescheiden;

b. indien het een aanvraag voor vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning als kapitein alle schepen of kleine schepen betreft, het bewijs van schriftelijke toestemming aan de scheepsbeheerder, bedoeld in artikel 30, vijfde lid, van de Wet, tenzij artikel 5 van de Vrijstellingsregeling buitenlandse kapiteins voor de sector koopvaardij of artikel 5 van de Vrijstellingsregeling buitenlandse kapiteins voor de sector zeegaande waterbouw van toepassing is, en

c. het geldige, door een bevoegde autoriteit van de desbetreffende andere staat rechtmatig afgegeven vaarbevoegdheidsbewijs op grond waarvan een vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning wordt verlangd.

Artikel 6

Voor de vernieuwing van de desbetreffende aantekening op het vaarbevoegdheidsbewijs dat tevens geldig is voor het dienstdoen aan boord van een van de volgende categorieën schepen, legt de aanvrager een bewijs over dat hij voldoet aan het bij elke categorie genoemde vereiste:

a. olietankschepen: het in een periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing ten minste één jaar dienst hebben gedaan aan boord van olietankschepen of chemicaliëntankschepen;

b. chemicaliëntankschepen: het in een periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing ten minste één jaar dienst hebben gedaan aan boord van chemicaliëntankschepen of productentankschepen;

c. gastankschepen: het in een periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing ten minste één jaar dienst hebben gedaan aan boord van gastankschepen.

Artikel 7

Waar in deze regeling wordt gesproken over het overleggen van originele bewijsstukken mag aan deze verplichting ook worden voldaan door het overleggen van gewaarmerkte afschriften, in de gevallen en op de wijze te bepalen door de Minister van Infrastructuur en Milieu.

§ 5. Vergelijkbare functies

Artikel 8

1. Als vergelijkbare functie als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het Besluit, komen in aanmerking:

a. voor de functies van kapitein en stuurman:

1º. registerloods;

2º. gecertificeerde Noordzeeloods;

3º. nautisch surveyor van een klassebureau, medewerker van nautische inspecties van rederijen en ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, voorzover daadwerkelijk betrokken bij het toezicht op zeeschepen;

4º. simulatorinstructeur op een full-mission brugsimulator, waarbij de diensttijd in deze functie voor de helft wordt meegerekend;

b. voor de functie van kapitein of stuurman op zeilschepen: officieren van de zeedienst der Koninklijke Marine, voorzover zij daadwerkelijk dienstdoen als navigatieofficier;

c. voor de functie van scheepswerktuigkundige:

1º. technisch surveyor van een klassebureau, medewerker van technische inspecties van rederijen en ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, voorzover daadwerkelijk betrokken bij het toezicht op zeeschepen;

2º. werktuigkundige werkzaam bij, op of in:

-

de binnenvaart;

-

centrales, gemalen en de procesindustrie;

-

zeeschepen zonder eigen voortstuwing en installaties in de offshore-industrie;

-

de zeevisserij,

mits het geïnstalleerd vermogen naar het oordeel van de Minister van Infrastructuur en Milieu in overeenstemming is met de bevoegdheid die behoort bij het vernieuwde vaarbevoegdheidsbewijs;

3º. simulatorinstructeur op een full-mission machinekamer simulator, waarbij de diensttijd in deze functie voor de helft wordt meegerekend;

d. voor de functie van maritiem officier:

1º. nautisch/technisch surveyor van een klassebureau in het bezit van ten minste het kennisbewijs middelbaar maritiem officier;

2º. ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, voorzover daadwerkelijk betrokken bij het toezicht aan boord van zeeschepen en in het bezit van ten minste het kennisbewijs middelbaar maritiem officier;

e. voor de functie van radio-operator:

1º. radio-operator werkzaam in de operationele dienst van de kustwacht;

2º. bedrijfspersoneel betrokken bij de bediening, installatie of reparatie van radiocommunicatie- en radionavigatieapparatuur;

3º. toezichthoudend ambtenaar van de Rijksdienst Radiocommunicatie (RDR);

4º. leraar radiokunde verbonden aan een door de Rijksdienst Radiocommunicatie erkende opleiding Maritieme Radiocommunicatie A of B.

2. In bijzondere gevallen kan de Minister van Infrastructuur en Milieu andere functies als vergelijkbaar aanmerken.

Artikel 9

1. De tijd waarin de aanvrager een vergelijkbare functie als bedoeld in artikel 8 heeft vervuld wordt volledig of gedeeltelijk meegeteld voor de berekening van de diensttijd, zulks ter beoordeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu.

2. De bevoegdheden waarvoor het vernieuwde vaarbevoegdheidsbewijs geldig is, zijn niet ruimer dan die, welke bij aanvang van de vergelijkbare functie bestonden.

§ 6. Slotbepalingen

Artikel 10

Deze regeling berust op de artikelen 20, tweede lid, 21, 22, vierde en vijfde lid, en 22a, vierde lid, van de Wet zeevarenden en de artikelen 5, 6, tweede lid, en 8, tweede lid, van het Besluit zeevarenden handelsvaart en zeilvaart.

Artikel 11

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaarbevoegdheidsbewijzen zeevaart.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

De Minister van Verkeer en Waterstaat,
T. Netelenbos
.

 

 

 

 

    
 

x

   

home | de wet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x