Geschiedenis van deze beleidsregels:

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Bekendmaking regeling Bekendmaking inwerkingtreding
31-07-2018   Intrekking Stcrt. 2018, 42709 Stcrt. 2018, 42709
09-06-2012   Nieuwe regeling Stcrt. 2012, 11269 Stcrt. 2012, 11269

 

 

3 april 2012

     Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
     Gelet op de artikelen 34a en 35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de artikelen 2:22 en 2:23 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en de artikelen 2, 3 en 4 van het Reïntegratiebesluit;

     Besluit:

 

 

Art. 1. Aanvullende bevoegdheid van het UWV
-1. Het UWV heeft op grond van artikel 2, tweede lid, van het Reïntegratiebesluit een aanvullende bevoegdheid inzake het vergoeden van hoortoestellen en overige hoorhulpmiddelen.
-2. Deze vergoeding kan slechts plaatsvinden indien:
a. een hoorhulpmiddel op grond van zijn specifieke kwaliteitskenmerken noodzakelijk is voor het vervullen of gaan vervullen van de werkzaamheden in loondienst of als zelfstandige; en
b. door de zorgverzekeraar een gedeeltelijke vergoeding is verstrekt of conform het bepaalde bij of krachtens de Zorgverzekeringswet een vergoeding is geweigerd.
-3. Het maximumbedrag per door het UWV te vergoeden hoorhulpmiddel wordt voor elk kalenderjaar vastgesteld in de Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen, normbedrag G23.

 

Art. 2. Voorwaarden ten aanzien van de aanvraag van de vergoeding hoortoestellen
-1. De aanvrager van de vergoeding van hoorhulpmiddelen verstrekt gelijktijdig of onmiddellijk aansluitend op zijn aanvraag ten minste de volgende gegevens:
a. een rapportage van de arbodienst met daarin een beschrijving van de belemmeringen die worden ondervonden in het werk;
b. een rapportage van een klinisch fysicus-audioloog verbonden aan een audiologisch centrum dat voldoet aan het FENAC-kwaliteitskader, waarin verslag wordt gedaan van de audiologische, communicatieve en psychosociale aspecten van het hoorprobleem van de aanvrager in relatie tot de te verrichten arbeid, met daarbij de resultaten van het doorlopen revalidatietraject. Waar nodig zal de klinisch fysicus-audioloog een KNO-arts of andere medisch specialist consulteren. Deze rapportage is op het moment van de aanvraag niet ouder dan zes maanden;
c. een omschrijving van de hoorhulpmiddelen waarvoor de gevraagde vergoeding gewenst is;
d. een beschikking van de zorgverzekeraar waaruit blijkt dat een vergoeding is toegekend of afgewezen; en
e. een afschrift van de nota of van de offerte.
-2. Indien na herhaald verzoek één of meer van de in het eerste lid genoemde bijlagen ontbreken, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen.

 

Art. 3. De beslissing van het UWV
Het UWV neemt een besluit op basis van de in artikel 2 genoemde aanvraag en bijlagen en met inachtneming van de in de wetgeving en in de Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2012 aangegeven grenzen.

 

Art. 4. Hoogte van de vergoeding
De vergoeding die door het UWV wordt verstrekt, bedraagt maximaal het normbedrag G23 voor elk hoorhulpmiddel. Deze vergoeding wordt eventueel in aanvulling verstrekt op een vergoeding die door de zorgverzekeraar is of wordt verstrekt. Hiernaast bestaat de mogelijkheid voor aanvullende vergoeding voor overige hulpmiddelen die noodzakelijk zijn voor adequaat functioneren op de werkplek.

 

Art. 5. Vergoeding van accessoires
Naast de vergoeding, genoemd in artikel 4, bestaat aanspraak op vergoeding van de eerste verschaffing van de bij een hoortoestel behorende batterij of accu. Vergoeding voor de verschaffing en de vervanging van oorstukjes kan plaatsvinden voor zover deze niet door de zorgverzekeraar worden vergoed.

 

Art. 6. Mogelijkheid tot wijziging van het maximumbedrag
Het UWV kan besluiten om het maximaal te vergoeden bedrag G23 op een hoger of lager bedrag te stellen indien de prijsontwikkelingen of het verstrekkingenbeleid van de zorgverzekeraars hiertoe grond geeft. Wijzigingen worden gepubliceerd in de Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2012.

 

Art. 7. Inwerkingtreding van dit besluit
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

 

Art. 8. Overgangsbepaling
Het bepaalde in artikel 2, aanhef, eerste lid en onderdelen a en b,¹ is alleen van toepassing op aanvragen die na zes weken na datum van inwerkingtreding van dit besluit zijn ingediend.

1. Volgens de redactie dient "artikel 2, aanhef, eerste lid en onderdelen a en b" te worden vervangen door: artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a en b.

 

Art. 9. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels vergoeding hoorhulpmiddelen.

 

 

     Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

Amsterdam, 3 april 2012.
Voorzitter Raad van bestuur UWV,
B.J. Bruins
.

 

 

 

TOELICHTING
[3 april 2012]

 

Algemeen

 

     In 2007 heeft het UWV besloten om de aanvullende bevoegdheid tot het verstrekken van hoorhulpmiddelen te beperken tot een vergoeding van maximaal normbedrag G23 per toestel. Deze geldt zowel voor de situatie waarin de zorgverzekeraar een vergoeding heeft gegeven ingevolge de Regeling zorgverzekering als in situaties waarin de zorgverzekeraar zich niet bevoegd acht. Laatstgenoemde situaties betreffen met name de gevallen waarin er sprake is van een gehoorverlies van <35 dB (gemiddeld over 1, 2 en 4 kHz) aan het beste oor of van de noodzaak van vroegtijdige vervanging wegens wijziging in de werksituatie van de gebruiker van het hoorhulpmiddel.
     Met de invoering van dit beleid is destijds door het UWV beoogd dat met een zekere mate van terughoudendheid vergoedingen van hoortoestellen zouden worden verstrekt. Deze opzet is niet volledig geslaagd.
     In de eerste plaats is gebleken dat het beoordelen van aanvragen inzake vergoeding van hoormiddelen een specifieke en diepgaande kennis van de betrokken UWV-medewerkers vergt. Dit probleem wordt versterkt door de voortdurende technologische ontwikkelingen op dit terrein en de vaak daarmee gepaard gaande stijging van de gemiddelde verkoopprijs.
     Na een eerste verkennend onderzoek van het UWV, waarbij één van de grotere audiologische centra in Nederland en de overkoepelende organisatie FENAC (Federatie van Nederlandse Audiologische Centra) waren betrokken, zijn het UWV en de FENAC in overleg gegaan om aan een verdere samenwerking gestalte te geven.
     Gebleken is dat deze samenwerking het best gestalte krijgt als het UWV als verplichte voorwaarde stelt dat elke aanvrager van hoorhulpmiddelen zich recentelijk heeft onderworpen aan een onderzoek door één van de bij de FENAC aangesloten erkende audiologische centra. Het NOAH-3 protocol hoortoestelaanpassing 2009, opgesteld onder auspiciën van onder andere de FENAC, de KNO-vereniging (Nederlandse Vereniging voor Keel-, Neus-, Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd-Halsgebied) en de NVAB (Nederlandse Vereniging van Audicienbedrijven), is onderdeel van de Veldnorm Hoortoestelverstrekking en omschrijft de taken en verantwoordelijkheden van de diverse beroepsgroepen. In dit protocol is onder meer vastgelegd dat bij gehoorproblemen op werk en school een audiologisch centrum ingeschakeld moet worden. De kosten van dit onderzoek worden in principe vergoed door de zorgverzekeraar van de aanvrager. Een rapportage van alleen één of meerdere audiciens wordt door het UWV niet langer als een toereikende basis voor de aanvraag van een vergoeding van hoorhulpmiddelen aanvaard.
     Van het audiologisch centrum [AC, red.] wordt in de eerste plaats een beschrijving verwacht van de minimumeisen waaraan het door een cliënt in de werksfeer te gebruiken hoortoestel moet voldoen. Daarnaast worden door het AC ook de werkomstandigheden en de werkplek van de aanvrager in het onderzoek betrokken. Ook besteedt het AC zorgvuldig aandacht aan de psychosociale achtergronden van de aanvrager en zoekt het AC naar een oplossing voor geconstateerde problemen op dit terrein. Door deze integrale benadering van het AC mag erop vertrouwd worden dat de beslissingen van het UWV inzake het wel of niet verstrekken van hoortoestellen en aanverwante apparatuur een meer gedegen en betrouwbare basis krijgen.
     Door deze inschakeling van de audiologische centra onderschrijft het UWV het eerder genoemde NOAH-3 protocol. In dit protocol worden de taken afgebakend van alle partijen die inhoudelijk bij de beoordeling van hoortoestellen zijn betrokken. Naast de audiologische centra zijn deze de huisarts, de KNO-arts, de audicien en de aanvrager zelf. Volgens het protocol is sprake van noodzakelijkheid van aanpassing van hoortoestellen via het audiologisch centrum (hierna: AC) onder andere bij:
- aan het gehoor gerelateerde problemen op werk of school;
- slechthorendheid met werken in lawaai. Hieronder wordt in het protocol verstaan werk met een achtergrondlawaai van 80 dB of meer.
     Waar nodig heeft de KNO-arts de cliënt, voorafgaande aan het AC-onderzoek, onderzocht. De medische expertise van de KNO-arts wordt aangevuld met de technische en speciale kennis van het AC.
     Bij de huidige stand van de wetgeving zal naar verwachting de beoogde samenwerking toereikend zijn. Het UWV en de FENAC zullen met zekere regelmaat evalueren of de samenwerking een nadere wijziging behoeft.
     Wanneer er gehoorproblemen op het werk zijn, ligt in eerste instantie de verantwoordelijkheid bij de arbodienst van de werknemer. De arbodienst zal door middel van een medisch en arbeidskundig onderzoek moeten vaststellen of er hoorproblemen op het werk zijn en of er een verder onderzoek nodig is door een AC. Deze handelswijze wijkt niet af van andere werkgerelateerde aanvragen voor voorzieningen.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1. Aanvullende bevoegdheid van het UWV

     Het UWV ziet de verstrekking van hoorhulpmiddelen die in alle omstandigheden adequaat zijn in de eerste plaats als een taak van de gezondheidszorg. De aanvullende bevoegdheid van het UWV heeft alleen betrekking op de werksfeer. Op grond van artikel 19a van de Wet overige OCW-subsidies en de daaruit voortvloeiende regelgeving is het UWV in het geheel niet bevoegd tot het verstrekken van hoortoestellen in de onderwijssfeer.

 

Artikel 2. De voorwaarden om de aanvraag in behandeling te nemen

     Er moet van worden uitgegaan dat de werkgever en zijn arbodienst in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor de terugkeer in werk en het voorkomen van uitval van werknemers van het bedrijf van de werkgever. Ten aanzien van startende zelfstandigen en werkzoekenden die geen werkgever hebben, wordt geen rapportage van een arbodienst vereist.
     De aanvrager dient zoveel mogelijk gebruik te maken van het aanvraagformulier dat is beschikbaar gesteld op www.uwv.nl.
     Op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht geeft het UWV aan de aanvrager de gelegenheid om de aanvraag binnen een redelijke termijn aan te vullen. Een termijn van zes weken wordt als redelijk beschouwd om alsnog voor de gevraagde rapportage zorg te dragen.
     Alle bevoegde audiologische centra kunnen worden gevonden op de website van de FENAC: www.fenac.nl.

 

Artikel 3. De beslissing van het UWV

     Het UWV houdt in zijn oordeelsvorming zoveel mogelijk rekening met de bijlagen die met de aanvraag zijn meegezonden. Op grond van bindende wettelijke regels kan hier niet altijd rekening mee worden gehouden. Met name indien het UWV ten aanzien van de aanvrager niet bevoegd is, moet het UWV een afwijkend standpunt innemen.

 

Artikel 4. Hoogte van de vergoeding

     Het UWV streeft niet na om in alle voorkomende gevallen een volledige vergoeding of aanvullende vergoeding te verstrekken. Vastgesteld is dat met het geldende normbedrag hoortoestellen kunnen worden verstrekt die in het merendeel der gevallen tot een adequate oplossing leiden. Deze vergoeding bestaat in alle voorkomende gevallen uit een maximale vergoeding op basis van het normbedrag G23. Bij het bepalen van de hoogte van die vergoeding wordt rekening gehouden met de aanspraak op vergoeding uit hoofde van de wettelijke ziektekostenverzekering.
     Ook in de gevallen waarin de zorgverzekeraar geen vergoeding verstrekt, bedraagt de vergoeding van het UWV maximaal het normbedrag G23. Als het UWV in die gevallen een hogere vergoeding zou verstrekken, overstijgt de bemoeienis van het UWV hiermee het karakter van een aanvullende bevoegdheid.

 

Artikel 5. De vergoeding van accessoires

     Het UWV volgt inzake de vergoeding van batterijen, oorstukjes en andere bijkomende benodigdheden de beleidslijn van de zorgverzekeraars.

 

Artikel 6. De mogelijkheid tot wijziging van dit besluit

     Wijzigingen op het terrein van de arbeidsongeschiktheidswetgeving en van de Zorgverzekeringswet kunnen leiden tot een aanpassing van dit besluit. Ook het geldende normbedrag kan door wetswijzigingen en marktontwikkelingen worden gewijzigd.

 

Artikel 8. Overgangsbepaling

     Uit hoofde van zorgvuldigheid naar de aanvragers en de leveranciers van hoortoestellen wordt de in dit besluit gestelde voorwaarde om de aanvraag gepaard te laten gaan met een rapportage van een AC pas gesteld voor aanvragen die na zes weken na datum inwerkingtreding van dit besluit worden ingediend. Door deze uitgestelde werking worden aanvragen die ten tijde van inwerkingtreding van dit besluit lopende zijn, ontzien. Een rapportage van een AC was voorheen geen verplicht te overleggen document. Een termijn van zes weken sluit aan op de periode die normaliter nodig is om een rapportage van een AC te verkrijgen (vanaf de intake). Omdat een rapportage van de arbodienst eerder ook niet verplicht was, geldt de uitgestelde werking ook voor dit document. Op deze wijze worden lopende aanvragen ontzien en hebben de betrokkenen die recentelijk een aanvraag hebben ingediend een redelijke termijn om aan de beleidseisen van artikel 2 van dit besluit te kunnen voldoen.

 

Voorzitter Raad van bestuur UWV,
B.J. Bruins
.