Geschiedenis van dit besluit:

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Bekendmaking regeling Bekendmaking inwerkingtreding
01-01-2020   Wijziging Stb. 2019, 451 Stb. 2019, 451
  Wijziging Stb. 2019, 319 Stb. 2019, 452
  Wijziging Stcrt. 2019, 54031 Stcrt. 2019, 54031
03-12-2019   Wijziging Stb. 2019, 418 Stb. 2019, 439
27-11-2019 01-01-2019 Wijziging Stb. 2019, 418 Stb. 2019, 418
01-08-2019   Wijziging Stb. 2019, 272 Stb. 2019, 272
01-07-2019   Wijziging Stb. 2019, 225 Stb. 2019, 225
30-03-2019   Wijziging Stb. 2018, 461 Stb. 2019, 131
01-01-2019   Wijziging Stb. 2018, 444 Stb. 2018, 444
  Wijziging Stcrt. 2018, 64436 Stcrt. 2018, 64436
  Wijziging Stb. 2017, 481 Stb. 2018, 307
28-07-2018 25-05-2018 Wijziging Stb. 2018, 249 Stb. 2018, 249
01-01-2018   Wijziging Stb. 2017, 481 Stb. 2017, 481
  Wijziging Stb. 2017, 460 Stb. 2017, 460
  Wijziging Stcrt. 2017, 60664 Stcrt. 2017, 60664
  Wijziging Stb. 2017, 351 Stb. 2017, 351
  Wijziging Stb. 2016, 527 Stb. 2016, 527
16-12-2017 01-01-2015 Wijziging Stb. 2017, 481 Stb. 2017, 481
01-06-2017   Wijziging Stb. 2017, 55 Stb. 2017, 158
02-01-2017   Wijziging Stb. 2016, 527 Stb. 2016, 527
  Wijziging Stcrt. 2016, 53652 Stcrt. 2016, 53652
01-01-2017   Wijziging Stb. 2016, 527 Stb. 2016, 527
  Wijziging Stcrt. 2016, 53652 Stcrt. 2016, 53652
04-01-2016   Wijziging Stb. 2015, 520 Stb. 2015, 520
  Wijziging Stcrt. 2015, 42523 Stcrt. 2015, 42523
01-01-2016   Wijziging Stb. 2015, 520 Stb. 2015, 520
  Wijziging Stcrt. 2015, 42523 Stcrt. 2015, 42523
01-01-2015   Wijziging Stb. 2014, 520 Stb. 2014, 521
  Wijziging Stb. 2014, 441 Stb. 2014, 443
  Nieuwe regeling Stb. 2014, 420 Stb. 2014, 548
  Nieuwe regeling Stb. 2014, 420 Stb. 2014, 486
29-12-2014   Nieuwe regeling Stb. 2014, 420 Stb. 2014, 486
13-12-2014   Nieuwe regeling Stb. 2014, 420 Stb. 2014, 486

 

 

BESLUIT van 27 oktober 2014, houdende regels ter uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Uitvoeringsbesluit Wmo 2015)

 

     WIJ WILLEM-ALEXANDER, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

      Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 juli 2014, kenmerk 644936-123830-WJZ;
     Gelet op artikelen 1.1.2, vijfde lid, 1.2.2, derde lid, 2.1.4, vierde lid, 2.6.2, tweede lid, 2.6.5, tweede lid, 3.3, derde lid, en 5.4.1, derde en vijfde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, 6, vierde lid, en 77 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, 4, eerste lid, van de Wet wettelijke grondslag BDU SIV, 29, derde lid, van de Mededingingswet, 40, eerste lid, van de Participatiewet, 1, tweede lid, van de Kwaliteitswet zorginstellingen, 10, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, 2, vijfde lid, van de Kaderwet militaire pensioenen, 15, derde lid, en 19, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning, 11, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968, 11, eerste lid, van de Tabakswet, 15, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, 5, eerste lid, van de Wet toelating zorginstellingen, 90, vijfde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, 13, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, 5, tweede lid, en 7, tweede lid, van de Veteranenwet en 16 van het Wetboek van Strafrecht;
     De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord advies van 1 oktober 2014, nummer W13.14.0265/III;
     Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 oktober 2014, 678491-128032-WJZ;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

HOOFDSTUK  1

Begripsbepalingen

 

Art. 1.1.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- belasting: ¹
1º. indien over het peiljaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: de over dat jaar verschuldigde inkomstenbelasting, bedoeld in artikel 2.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde premie voor de volksverzekeringen, bedoeld in artikel 9 van de Wet financiering sociale verzekeringen;
2º. in de overige gevallen: het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 2º, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
- bijdrage: bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget;
- compensatie vervallen ouderentoeslag: een aftrek in de berekening van het bijdrageplichtig inkomen als bedoeld in artikel 3.2a, eerste tot en met derde lid;
- grondslag sparen en beleggen: grondslag sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;
- inkomen:
1º. indien over het peiljaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 1º, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
2º. in de overige gevallen: het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 2º, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
- peiljaar: tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarvoor een bijdrage wordt vastgesteld;
- pensioengerechtigde leeftijd: de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet;
- standaardpremie: het bedrag als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de zorgtoeslag;
- vermogen: vermogen als bedoeld in artikel 3.2;
- vermogensinkomensbijtelling: bijtelling van het vermogen als bedoeld in artikel 3.2a;
- wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
- zak- en kleedgeld: bedrag als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Participatiewet;
- zorgtoeslag: tegemoetkoming als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de zorgtoeslag;
- zorgverzekering: verzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet.

1. Volgens de redactie dient boven de begripsbepaling van "belasting" een begripsbepaling te worden geplaatst, luidende:
- AMHK: advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 4.1.1 van de wet;.

 

 

HOOFDSTUK  2

Gelijkstelling vreemdeling

 

Art. 2.1.
-1. Voor de toepassing van de wet wordt met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die:
a. na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehad in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e of l, van de Vreemdelingenwet 2000 en vóór de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning;
b. binnen de termijn, genoemd in artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, of, buiten die termijn, ingeval artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e of l, van de Vreemdelingenwet 2000, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehad; of
c. in afwachting is van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden, omdat de vreemdeling zonder verblijfstitel slachtoffer is geworden van huiselijk geweld of slachtoffer is of dreigt te worden van eergerelateerd geweld en op grond daarvan rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8, onderdeel f, van de Vreemdelingenwet 2000.
-2. De gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, eindigt zodra:
a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist;
b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven; of
c. het rechtmatig verblijf, onverminderd de onderdelen a en b, op grond van artikel 8, onderdeel f, van de Vreemdelingenwet 2000 is geëindigd.

 

 

HOOFDSTUK  3

Bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget

 

§ 1.  Algemeen

 

Art. 3.1.
-1. Indien de gemeenteraad uitvoering heeft gegeven aan artikel 2.1.4, eerste lid, onderdeel b, of artikel 2.1.5 van de wet is een bijdrage verschuldigd.
-2. Paragraaf 2 is, tenzij de paragraaf 3 of 4 van toepassing is, van toepassing op bijdragen:
1º. voor aangewezen algemene voorzieningen, bedoeld in artikel 2.1.4, derde lid, van de wet, maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budgetten; en
2º. krachtens artikel 8.3, zesde lid, van de wet.
-3. Paragraaf 3 is van toepassing op bijdragen:
1º. voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget voor beschermd wonen; en
2º. krachtens artikel 8.4, tweede lid, van de wet.
-4. Paragraaf 4 is van toepassing op bijdragen voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget voor opvang.
-5. Dit hoofdstuk berust mede op de artikelen 2.1.4, vierde lid, 2.1.4a, derde, vierde, vijfde en zevende lid, en 2.1.4b, derde lid, van de wet.

 

Art. 3.2.
-1. Het vermogen van een persoon is zijn vermogensgrondslag, bedoeld in het tweede of derde lid, waarvan de volgende vermogensbestanddelen worden afgetrokken:

 

 

 


De volledige, bijgewerkte pagina is alleen voor abonnees beschikbaar.
Voor meer informatie klik hier.