Geschiedenis van dit besluit:

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Bekendmaking regeling Bekendmaking inwerkingtreding
01-01-2013   Wijziging Stb. 2012, 615 Stb. 2012, 615
  Wijziging Stb. 2012, 432 Stb. 2012, 519
07-09-2010   Wijziging Stb. 2010, 331 Stb. 2010, 331
01-01-2010 01-01-2009
artt. 1, 4 en 7
26-03-2008
art. 4
Wijziging Stb. 2009, 576 Stb. 2009, 576
01-01-2009   Wijziging Stb. 2008, 589 Stb. 2008, 589
31-12-2008 01-01-2008
art. 7:1o
21-09-2008
art. 7:1o
Wijziging Stb. 2008, 605 Stb. 2008, 605
26-03-2008 15-06-2007
01-01-2008
aanhef
art. 1:1s
01-08-2007
art. 1:1s
Wijziging Stb. 2008, 82 Stb. 2008, 82
14-11-2007 01-01-2007
art. 9:4b
Wijziging Stb. 2007, 438 Stb. 2007, 438
01-01-2007   Wijziging Stb. 2006, 645 Stb. 2006, 645
  Wijziging Stb. 2006, 450 Stb. 2006, 450
  Wijziging Stb. 2006, 328 Stb. 2006, 328
23-08-2006 01-07-2006 Wijziging Stb. 2006, 372 Stb. 2006, 372
05-04-2006 01-01-2006 Wijziging Stb. 2006, 178 Stb. 2006, 178
25-11-2005   Wijziging Stb. 2005, 576 Stb. 2005, 576
01-06-2005 01-01-2005
artt. 32 en 34
01-11-2004
art. 6
01-09-2004
art. 31
Nieuwe regeling Stb. 2005, 264 Stb. 2005, 264

 

 

BESLUIT van 26 april 2005, houdende regels voor de brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid van het grotestedenbeleid (Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties van 15 december 2004, nr. 2004-0000041290, Directie Grotestedenbeleid en Interbestuurlijke Betrekkingen, gedaan mede namens Onze Ministers van Justitie, voor Vreemdelingenzaken en Integratie, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, alsmede de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, drs. M. Rutte, en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
     Gelet op artikel 89 van de Grondwet, artikel 17, derde lid, van de Financiële-verhoudingswet, artikel 10a, eerste en tweede lid, van de Welzijnswet 1994, artikel 16 van de Wet inburgering nieuwkomers en artikel 2.3.1, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
     De Raad van State gehoord (advies van 21 februari 2005, nr. W04.04.0608/I);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties van 12 april 2005, nr. 2005-0000045459, Directie Grotestedenbeleid en Interbestuurlijke Betrekkingen, uitgebracht mede namens Onze Ministers van Justitie, voor Vreemdelingenzaken en Integratie, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, alsmede de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, drs. M. Rutte, en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Art. 1.
-1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister belast met de coördinatie van het grotestedenbeleid;
b. G31: de gemeenten Alkmaar, Almelo, Amersfoort, Amsterdam, Arnhem, Breda, Den Haag, Deventer, Dordrecht, Eindhoven, Emmen, Enschede, Groningen, Haarlem, Heerlen, Helmond, Hengelo (Overijssel), ´s-Hertogenbosch, Leeuwarden, Leiden, Lelystad, Maastricht, Nijmegen, Rotterdam, Schiedam, Sittard-Geleen, Tilburg, Utrecht, Venlo, Zaanstad en Zwolle;
c. gemeente: een tot de G31 behorende gemeente;
d. GSB-III-periode: de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2009;
e. uitkering: de brede doeluitkering, bedoeld in artikel 3;
f. centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid: de G31 met uitzondering van de gemeenten Hengelo (Overijssel), Lelystad, Schiedam en Sittard-Geleen;
g. centrumgemeenten voor vrouwenopvang: de G31 met uitzondering van de gemeenten Almelo, Deventer, Hengelo (Overijssel), Lelystad, Schiedam en Sittard-Geleen;
h. nieuwkomer: de vreemdeling, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1º, en de Nederlander, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2º, van de Wet inburgering nieuwkomers;
i. oudkomer:
1º. persoon die 18 jaar of ouder is, die buiten Nederland is geboren en behoort tot een etnische minderheidsgroep, die rechtmatig in Nederland verblijft anders dan voor een tijdelijk doel als bepaald bij of krachtens de Wet inburgering nieuwkomers en die niet verplicht is om op grond van de Wet inburgering nieuwkomers een inburgeringsprogramma te volgen;
2º. geestelijke bedienaar als bedoeld in de Regeling aanwijzing bijzondere categorieën vreemdelingen ten behoeve van inburgering, die niet verplicht is om op grond van de Wet inburgering nieuwkomers een inburgeringsprogramma te volgen;
j. inburgeringsprogramma voor oudkomers: een inburgeringsprogramma dat oudkomers volgen en waarin het onderdeel Nederlands als tweede taal kan worden gekoppeld aan onderdelen voor het bereiken van werk, toegang tot beroepsonderwijs, opvoedingsondersteuning of sociale activering;
k. volwasseneneducatie: onderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
l. ontwikkelingsprogramma: het meerjarenontwikkelingsprogramma, bedoeld in artikel 5, tweede lid;
m. volwassen veelpleger: een persoon van 18 jaar of ouder tegen wie meer dan tien processen-verbaal wegens een misdrijf zijn opgemaakt;
n. jeugdige veelpleger: een persoon van 12 tot en met 17 jaar tegen wie meer dan vijf processen-verbaal wegens een misdrijf zijn opgemaakt;
o. inburgeringsdeel: het deel van de uitkering dat afkomstig is uit de middelen voor de inburgering van nieuwkomers en voor de inburgering van oudkomers, gedurende 2005 en 2006;
p. programmadeel: het andere deel van de uitkering dan het inburgeringsdeel;
q. inburgeringsplichtige: de inburgeringsplichtige, bedoeld in de artikelen 1, eerste lid, onderdeel b, en 20 van de Wet inburgering, die niet behoort tot de inburgeringsplichtigen, bedoeld in het Besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, aan wie een persoonsvolgend budget is verstrekt;
r. vrijwillige inburgeraar: de Nederlander of de rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inburgering, het rechtmatig in Nederland verblijvende familielid van voornoemde vreemdeling of de rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling die onderdaan is van een staat wiens onderdanen op grond van bepalingen van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties geen inburgeringsplicht als bedoeld in artikel 7 van de Wet inburgering kan worden opgelegd, en die:
1º. ouder is dan 15 jaar;
2º. minder dan acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven; en
3º. niet beschikt over een diploma, certificaat of document als bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit inburgering;
4º. niet leerplichtig of kwalificatieplichtig is, dan wel een opleiding volgt waarvan de afronding leidt tot uitreiking van een diploma, certificaat of document als bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit inburgering;
5º. geen overeenkomst heeft afgesloten op grond van de Regeling inburgering allochtone vrouwen niet-G31, de Regeling inburgering allochtone vrouwen G31, dan wel het extensieve deel van de Pilot inburgering allochtone vrouwen Taal Totaal;
s. geestelijke bedienaar: de persoon, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet inburgering;
t. inburgeringsvoorziening: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1, onderdeel j, van het Besluit inburgering;
u. gecombineerde inburgeringsvoorziening: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1, onderdeel k, van het Besluit inburgering;
v. handhavingsbeschikking: de beschikking, bedoeld in artikel 26 van de Wet inburgering, die niet tevens is gegeven op grond van artikel 19a, tweede lid, onderdeel c, of artikel 22, tweede lid, van die wet;
w. kennisgeving: de schriftelijke informatieverstrekking op grond van artikel 5.3, derde lid, van het Besluit inburgering;
x. Wet inburgering nieuwkomers: Wet inburgering nieuwkomers zoals die luidde op 31 december 2006;
y. persoonsvolgend budget: budget dat ter beschikking wordt gesteld ten behoeve van de inburgering van een persoon als bedoeld in het Besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Stcrt. 2007, 111), die inburgeringsplichtig is op grond van de artikelen 3 tot en met 6 van de Wet inburgering en die op 1 januari 2008 in een opvangvoorziening als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers verblijft;
z. Wet inburgering: Wet inburgering zoals die luidde vóór de inwerkingtreding van de Wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Wet inburgering en enkele andere wetten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 430).
aa. Besluit inburgering: Besluit inburgering zoals dat luidde vóór het tijdstip van de inwerkingtreding van het Besluit van 25 september 2012 tot wijziging van het Besluit inburgering en enkele andere besluiten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 432).
-2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder d, loopt de GSB-III-periode voor de gemeente Sittard-Geleen van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2009.

 

Art. 2.
Onze Minister oefent de hem bij of krachtens dit besluit toegekende bevoegdheden uit in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat.

 

Art. 3.
Onze Minister verstrekt voor de GSB-III-periode aan een gemeente een brede doeluitkering ten behoeve van:
a. de uitvoering van het ontwikkelingsprogramma;
b. de uitvoering van de artikelen 4, 5, 6, eerste lid, en 15 van de Wet inburgering nieuwkomers en het aanbieden van inburgeringsprogramma’s voor oudkomers in 2005 en 2006; en
c. het in 2009 aanbieden aan de doelgroep, bedoeld in artikel 1 van de Wet participatiebudget, van re-integratievoorzieningen als bedoeld in dat artikel, overeenkomstig artikel 3 van die wet.

 

Art. 4.
-1. De uitkering wordt berekend volgens de formule:
A x I + B x J + C x K + D x L + E x M + F x N + G x O + H x P + Q + R
in welke formule voorstelt:
A: het procentuele aandeel van de gemeente in de middelen voor leefbaarheid en veiligheid die gedurende de GSB-III-periode vanuit hoofdstuk VII van de rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden gesteld;
B: het procentuele aandeel van de gemeente in de middelen voor het terugdringen van voortijdig schoolverlaten die gedurende de GSB-III-periode vanuit hoofdstuk VIII van de rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden gesteld;
C: het procentuele aandeel van de gemeente in de middelen voor de bestrijding van gezondheidsachterstanden die gedurende de GSB-III-periode vanuit hoofdstuk XVI van de rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden gesteld;
D: het procentuele aandeel van de gemeente die behoort tot de centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid in de middelen voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid die gedurende de GSB-III-periode vanuit hoofdstuk XVI van de rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden gesteld;
E: het procentuele aandeel van de gemeente die behoort tot de centrumgemeenten voor vrouwenopvang in de middelen voor vrouwenopvang die gedurende de GSB-III-periode vanuit hoofdstuk XVI van de rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden gesteld;
F: het procentuele aandeel van de gemeente in de middelen voor de inburgering van nieuwkomers die in 2005 en in 2006 vanuit hoofdstuk VI van de rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden gesteld;
G: het procentuele aandeel van de gemeente in de middelen voor de inburgering van oudkomers die in 2005 en in 2006 vanuit hoofdstuk VI van de rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden gesteld;
H: het procentuele aandeel van de gemeente in de extra middelen voor veiligheid die gedurende de GSB-III-periode vanuit hoofdstuk VII van de rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden gesteld;
I: de middelen voor leefbaarheid en veiligheid die gedurende de GSB-III-periode vanuit hoofdstuk VII van de rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden gesteld;
J: de middelen voor het terugdringen van voortijdig schoolverlaten die gedurende de GSB-III-periode vanuit hoofdstuk VIII van de rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden gesteld;
K: de middelen voor de bestrijding van gezondheidsachterstanden die gedurende de GSB-III-periode vanuit hoofdstuk XVI van de rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden gesteld;
L: de middelen voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid die gedurende de GSB-III-periode vanuit hoofdstuk XVI van de rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden gesteld;
M: de middelen voor vrouwenopvang die gedurende de GSB-III-periode vanuit hoofdstuk XVI van de rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden gesteld;
N: de middelen voor de inburgering van nieuwkomers die in 2005 en in 2006 vanuit hoofdstuk VI van de rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden gesteld;
O: de middelen voor de inburgering van oudkomers die in 2005 en in 2006 jaar vanuit hoofdstuk VI van de rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden gesteld;
P: de extra middelen voor veiligheid die gedurende de GSB-III-periode vanuit hoofdstuk VII van de rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden gesteld;
Q: het aandeel van de gemeente in de middelen ten behoeve van:
a. inburgeringsplichtigen, niet bedoeld in artikel 7.1a van het Besluit inburgering, en aan wie geen lening als bedoeld in artikel 16 van de Wet inburgering is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening is terugbetaald, die gedurende 2007 en 2008 vanuit hoofdstuk XI respectievelijk hoofdstuk XVIII van de Rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden gesteld;
b. inburgeringsplichtigen, niet bedoeld in artikel 7.1a van het Besluit inburgering, die gedurende 2009 vanuit hoofdstuk XVIII van de Rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden gesteld;
c. vrijwillige inburgeraars die gedurende 2007, 2008 en 2009 vanuit hoofdstuk XI respectievelijk hoofdstuk XVIII van de Rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden gesteld;
R: het aandeel van de gemeente in de middelen ten behoeve van:
a. inburgeringsplichtigen als bedoeld in artikel 7.1a van het Besluit inburgering aan wie geen persoonsvolgend budget dan wel lening als bedoeld in artikel 16 van de Wet inburgering is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening is terugbetaald, die gedurende 2007 en 2008 vanuit hoofdstuk XI respectievelijk hoofdstuk XVIII van de Rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden gesteld;
b. inburgeringsplichtigen als bedoeld in artikel 7.1a van het Besluit inburgering aan wie geen persoonsvolgend budget is verstrekt en die gedurende 2009 vanuit hoofdstuk XVIII van de Rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden gesteld.
-2. Bij of krachtens regeling van Onze Minister ¹ wordt de berekeningswijze vastgesteld volgens welke:
a. de procentuele aandelen van de gemeenten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel A tot en met H, worden bepaald;
b. het aandeel van de gemeenten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel Q, wordt bepaald, met dien verstande dat dit aandeel zal bestaan uit:
1º. een vast deel; en
2º. een deel dat wordt berekend op de grondslag van door de gemeente gerealiseerde prestaties, vermenigvuldigd met de bijbehorende bijdragevergoedingen, waarvan de hoogte per kalenderjaar kan verschillen;
c. het aandeel van de gemeenten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel R, wordt bepaald, met dien verstande dat dit aandeel wordt berekend op de grondslag van door de gemeente gerealiseerde prestaties, vermenigvuldigd met de bijbehorende bijdragevergoedingen, waarvan de hoogte per kalenderjaar kan verschillen.
-3. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt het bedrag van de aan de gemeente Sittard-Geleen te verstrekken uitkering bij regeling van Onze Minister afzonderlijk vastgesteld.

1. Zie Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid, Stcrt. 2005, 128, red.

 

Art. 5.
-1. Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente dient binnen acht weken na inwerkingtreding van dit besluit een aanvraag tot verlening van de uitkering in.
-2. De aanvraag gaat vergezeld van het meerjarenontwikkelingsprogramma waarin de gemeenteraad de in de GSB-III-periode te bereiken resultaten heeft vastgelegd.
-3. Een aanvraag tot verlening van de drie brede doeluitkeringen van het grotestedenbeleid die door het college van burgemeester en wethouders vóór de inwerkingtreding van dit besluit is ingediend, wordt mede als een aanvraag tot verlening van de uitkering aangemerkt.
-4. Het college van burgemeester en wethouders dient vóór 15 april 2007 een aanvraag in tot verlening van het aandeel, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel Q. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
-5. Het college van burgemeester en wethouders dient vóór 15 december van het komende kalenderjaar een aanvraag in tot verlening van het aandeel, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel R. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 6.
-1. Het college van burgemeester en wethouders verstrekt aan Onze Minister een prognose van het aantal oudkomers dat in 2005 en 2006 een inburgeringsprogramma voor oudkomers zal starten.
-2. Onze Minister geeft bij ministeriële regeling nadere regels voor de prognose en voor het tijdstip waarop deze moet worden verstrekt.

 

Art. 7.
-1. Het ontwikkelingsprogramma bevat in ieder geval een gemotiveerde keuze van de resultaten die het gemeentebestuur in de GSB-III-periode wil bereiken ten aanzien van:
a. de bestrijding van criminaliteit gepleegd door volwassen en jeugdige veelplegers;
b. de aanpak van overlast op straat veroorzaakt door personen;
c. de aanpak van huiselijk geweld;
d. de bestrijding van criminaliteit in de woonomgeving en in risicogebieden buiten de woonomgeving;
e. het verbeteren van de veiligheid anders dan bedoeld onder a tot en met d;
f. de aanpak van onderwijsachterstanden;
g. het aantal personen onder de 23 jaar dat een startkwalificatie behaalt van ten minste het niveau van de basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
h. het aantal deelnemers aan een traject voor volwasseneneducatie, uitgesplitst naar activiteit als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
i. de aanpak van overgewicht onder personen van 0 tot 19 jaar;
j. de aanpak van gezondheidsachterstanden anders dan bedoeld onder i;
k. de doorstroming in de maatschappelijke opvang indien de gemeente behoort tot de centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid;
l. de capaciteit in de vrouwenopvang indien de gemeente behoort tot de centrumgemeenten voor vrouwenopvang;
m. het bereik van de ambulante verslavingszorg indien de gemeente behoort tot de centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid;
n. de maatschappelijke opvang anders dan bedoeld onder k tot en met m indien de gemeente behoort tot de centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid;
o. inburgering van inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars, te weten: 
1º. het aantal inburgeringsplichtigen aan wie geen lening als bedoeld in artikel 16 van de Wet inburgering is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening is terugbetaald, en het aantal vrijwillige inburgeraars ten behoeve van wie in 2007 en 2008 voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening of een gecombineerde inburgeringsvoorziening zal worden vastgesteld;
2º. het aantal inburgeringsplichtigen en het aantal vrijwillige inburgeraars ten behoeve van wie in 2009 voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening of een gecombineerde inburgeringsvoorziening zal worden vastgesteld;
3º. het aantal inburgeringsplichtigen aan wie een handhavingsbeschikking zal worden bekendgemaakt dan wel een kennisgeving zal worden verstrekt;
4º. het aantal inburgeringsplichtigen, tevens zijnde geestelijke bedienaar, aan wie geen lening als bedoeld in artikel 16 van de Wet inburgering is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening is terugbetaald, en het aantal vrijwillige inburgeraars, tevens zijnde geestelijke bedienaar, ten behoeve van wie in 2007 en 2008 voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening zal worden vastgesteld;
5º. het aantal inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars, tevens zijnde geestelijke bedienaar, ten behoeve van wie in 2009 voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening zal worden vastgesteld;
6º. het aantal inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars dat op 1 januari 2007 deelneemt aan opleidingen educatie als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel d, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, alsmede de omvang van het bedrag dat benodigd is om deze opleidingen educatie gedurende het jaar 2007 te bekostigen;
7º. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in het Besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, aan wie geen persoonsvolgend budget of een lening als bedoeld in artikel 16 van de Wet inburgering is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening is terugbetaald, ten behoeve van wie in 2008 voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening zal worden vastgesteld;
8º. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in het Besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, aan wie geen persoonsvolgend budget is verstrekt, ten behoeve van wie in 2009 voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening zal worden vastgesteld;
9º. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in het Besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, aan wie geen persoonsvolgend budget is verstrekt en vrijwillige inburgeraars:
a. ten behoeve van wie in 2008 voor de eerste keer een duale inburgeringsvoorziening als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel r, van het Besluit inburgering zal worden vastgesteld en aan wie geen lening als bedoeld in artikel 16 van de Wet inburgering is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
b. ten behoeve van wie in 2009 voor de eerste keer een duale inburgeringsvoorziening als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel r, van het Besluit inburgering zal worden vastgesteld;
c. ten behoeve van wie in 2008 voor de eerste keer een taalkennisvoorziening als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet inburgering zal worden vastgesteld en aan wie geen lening als bedoeld in artikel 16 van de Wet inburgering is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
d. ten behoeve van wie in 2009 voor de eerste keer een taalkennisvoorziening als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet inburgering zal worden vastgesteld.
-2. De resultaten ten aanzien van de onderwerpen, genoemd in het eerste lid, onderdeel a tot en met o, worden geformuleerd met inachtneming van de bij regeling van Onze Minister vast te stellen indicatoren. Bij de regeling van Onze Minister worden de categorieën van middelen van het programmadeel percentsgewijs toegedeeld aan één of meer indicatoren.¹
-3. Indien ten aanzien van één of meer onderdelen geen resultaten worden vastgesteld, bevat het ontwikkelingsprogramma daarvoor een motivering en worden de krachtens het tweede lid aan de desbetreffende indicatoren toegedeelde percentages naar rato toegedeeld aan de overige indicatoren.
-4. Bij regeling van Onze Minister worden indicatoren vastgesteld voor de maatschappelijke effecten die zijn bereikt met de uitvoering van het ontwikkelingsprogramma en voor het periodiek verschaffen van gegevens daarover aan Onze Minister.¹ Deze indicatoren hebben betrekking op:
a. slachtofferschap;
b. onveiligheidsgevoelens in de buurt;
c. verloedering; en
d. sociale kwaliteit.

1. Zie Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid, Stcrt. 2005, 128, red.

 

Art. 8.
-1. De resultaten, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a tot en met e, worden afgestemd met het driehoeksoverleg, bedoeld in artikel 13 van de Politiewet 2012.
-2. In het ontwikkelingsprogramma worden de uitkomsten van de afstemming vermeld.

 

Art. 9.
-1. Onze Minister neemt een beschikking tot verlening van de uitkering binnen acht weken na het tijdstip waarop de aanvraag door hem is ontvangen.
-2. In een geval als bedoeld in artikel 5, derde lid, wordt de datum van inwerkingtreding van dit besluit aangemerkt als het tijdstip van de ontvangst van de aanvraag.
-3. Onze Minister neemt een beschikking tot verlening van de onderdelen Q respectievelijk R, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de uitkering binnen acht weken na het tijdstip waarop de aanvraag door hem is ontvangen.
-4. De beschikking tot verlening van de uitkering vermeldt de wijze waarop het bedrag van de uitkering wordt bepaald.
-5. Voor het bepalen van de hoogte van onderdeel Q, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de uitkering wordt met betrekking tot:
a. het deel, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, onder 1º, een vast bedrag vermeld, bestaande uit:
1º. het bedrag, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel o, onder 4º;
2º. een door Onze Minister te bepalen bedrag ten behoeve van de door de gemeente te verstrekken informatie aan (potentiële) inburgeringsplichtigen omtrent het inburgeringsstelsel van de Wet inburgering;
b. het deel, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, onder 2º, voor zover betrekking hebbende op prestaties op grond van de Wet inburgering, in plaats van de bijdragevergoedingen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, onder 2º, uitgegaan van voorschotvergoedingen, waarvan de hoogte wordt bepaald volgens bij regeling van Onze Minister te stellen regels.
-6. Voor het bepalen van de hoogte van onderdeel R, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de uitkering wordt uitgegaan van voorschotvergoedingen, waarvan de hoogte wordt bepaald volgens bij regeling van Onze Minister te stellen regels.
-7. De uitkering wordt verleend onder de voorwaarde dat door de begrotingswetgever voldoende middelen ter beschikking worden gesteld.

 

Art. 10.
Onze Minister verleent de gemeente slechts haar aandeel in de middelen voor de inburgering van oudkomers indien zij een prognose als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aan Onze Minister heeft verstrekt.

 

Art. 11.
-1. Onze Minister kan een lager programmadeel verlenen dan het met toepassing van artikel 4 bepaalde programmadeel indien de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven.
-2. Onze Minister geeft niet eerder toepassing aan het eerste lid dan nadat hij het college van burgemeester en wethouders heeft geïnformeerd waarom hij voornemens is daartoe over te gaan en hij het college binnen een door hem te bepalen termijn in de gelegenheid heeft gesteld een gewijzigd ontwikkelingsprogramma in te zenden.

 

Art. 12.
Onze Minister verbindt aan de verlening van de uitkering verplichtingen met betrekking tot:
a. de beschikbaarheid van een gemeentelijk systeem voor de registratie van de uitvoering van het ontwikkelingsprogramma;
b. de verstrekking van gegevens aan Onze Minister over de uitvoering van het ontwikkelingsprogramma die zijn ontleend aan het gemeentelijk systeem, bedoeld in onderdeel a.

 

Art. 13.
-1. Artikel 20, vierde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning en de krachtens dat artikellid vastgestelde ministeriële regelingen zijn van toepassing met dien verstande dat in dat artikellid voor "Een gemeente waaraan een uitkering als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt verstrekt" wordt gelezen: Een gemeente die behoort tot de centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid of voor vrouwenopvang, bedoeld in artikel 1, onderdeel f en g, van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid.
-2. Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente die behoort tot de centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid of tot de centrumgemeenten voor vrouwenopvang overlegt over de aanwending van de uitkering met de colleges van burgemeester en wethouders van de omringende gemeenten.
-3. De door de gemeente uit de uitkering bekostigde voorzieningen op het terrein van maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid en van vrouwenopvang zijn toegankelijk voor iedereen die in Nederland woont.

 

Art. 14.
Bij regeling van Onze Minister worden regels gegeven met betrekking tot:
a. het sluiten van een overeenkomst met de oudkomer die start met een inburgeringsprogramma voor oudkomers;
b. de inburgeringsprogramma’s voor oudkomers; en
c. de van de oudkomer af te nemen toetsen.

 

Art. 15.
-1. Het college van burgemeester en wethouders zendt tot en met 2009 vóór 1 april van elk jaar aan Onze Minister een verslag over de uitvoering van de Wet inburgering nieuwkomers en over de door het gemeentebestuur aangeboden inburgeringsprogramma’s voor oudkomers in 2005 en 2006.
-2. Het verslag bevat de bij regeling van Onze Minister vastgestelde gegevens, waartoe in ieder geval behoren:
a. het aantal beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers, zoals dat luidde op 31 december 2006;
b. het aantal door het bevoegd gezag van een instelling uitgereikte verklaringen als bedoeld in artikel 7.4.15, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals dat artikel luidde op 31 december 2006;
c. het aantal oudkomers dat een inburgeringsprogramma voor oudkomers is gestart en met wie het gemeentebestuur een overeenkomst heeft gesloten; en
d. het aantal oudkomers dat een inburgeringsprogramma voor oudkomers heeft afgerond.
-3. Het college van burgemeester en wethouders zendt vóór 1 april 2007 en vóór 1 april 2008 aan Onze Minister de gegevens over het aantal oudkomers dat in 2006 respectievelijk 2007 een inburgeringsprogramma voor oudkomers heeft afgerond.
-4. Onze Minister stelt nadere regels vast voor de inrichting van het verslag, bedoeld in het eerste lid.

 

Art. 16.
-1. Indien gedurende de GSB-III-periode andere middelen dan bedoeld in artikel 4, eerste lid, voor de uitkering beschikbaar komen, verhoogt Onze Minister de verleende uitkering volgens bij regeling van Onze Minister te stellen regels.¹
-2. Bij de regeling, bedoeld in het eerste lid, kan worden bepaald dat het gemeentebestuur binnen een bij of krachtens die regeling te bepalen termijn met inachtneming van de bij of krachtens die regeling vast te stellen indicatoren een wijziging van het ontwikkelingsprogramma bij Onze Minister indient.¹
-3. Indien in het kader van een wijziging van het ontwikkelingsprogramma, bedoeld in het tweede lid, indicatoren worden vastgesteld, is artikel 7, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
-4. De verhoging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de uitkering is verleend.

1. Zie Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid, Stcrt. 2005, 128, red.

 

Art. 17.
-1. Onze Minister kan de regeling, bedoeld in artikel 4, tweede lid, ten aanzien van de procentuele aandelen van de gemeenten in de middelen voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid en voor vrouwenopvang éénmaal wijzigen.
-2. De wijziging geschiedt niet dan nadat:
a. een onderzoek van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport naar de verdeling van de middelen voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid en voor vrouwenopvang heeft plaatsgevonden; en
b. het college van burgemeester en wethouders van de centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid en het college van burgemeester en wethouders van de centrumgemeenten voor vrouwenopvang zijn gehoord over de resultaten van het onder a bedoelde onderzoek.
-3. Onze Minister brengt ambtshalve de verlening van de uitkering in overeenstemming met het gewijzigde procentuele aandeel van de gemeente in de middelen voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid en voor vrouwenopvang.
-4. De wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de uitkering is verleend.

 

Art. 18.
-1. De gemeenteraad kan de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen te bereiken resultaten wijzigen.
-2. Het college van burgemeester en wethouders zendt een wijziging binnen vier weken na vaststelling toe aan Onze Minister.
-3. Binnen tien weken na de ontvangst ervan besluit Onze Minister of de wijziging van het ontwikkelingsprogramma kan worden bekrachtigd. Indien het gewijzigde ontwikkelingsprogramma wordt bekrachtigd, kan Onze Minister tevens besluiten het verleende programmadeel te verlagen.
-4. De verlaging geschiedt naar evenredigheid van de krachtens artikel 7, tweede en derde lid, vastgestelde verdeling over de indicatoren.
-5. Onze Minister geeft geen toepassing aan het derde lid dan nadat hij het college van burgemeester en wethouders heeft geïnformeerd waarom hij voornemens is daartoe over te gaan en hij het college binnen een door hem te bepalen termijn in de gelegenheid heeft gesteld een aangepaste wijziging op het ontwikkelingsprogramma in te zenden.
-6. De verlaging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de uitkering is verleend.

 

Art. 19.
Onze Minister kan in geval van majeure wijzigingen van de financieel-economische omstandigheden het verleende programmadeel verlagen.

 

Art. 20.
-1. Onze Minister verleent jaarlijks aan de gemeente één of meer voorschotten op het programmadeel.
-2. Onze Minister verleent in 2005 en in 2006 aan de gemeente één of meer voorschotten op het inburgeringsdeel.
-3. De verlening van de voorschotten geschiedt volgens bij regeling van Onze Minister te stellen regels.¹
-4. Voorschotten worden overeenkomstig de voorschotverlening betaald.
-5. Voorschotten worden binnen een bij de voorschotverlening te bepalen termijn betaald.
-6. De gemeente besteedt de ontvangen voorschotten uitsluitend aan activiteiten ten behoeve van de doeleinden als bedoeld in artikel 3 die in de GSB-III-periode worden verricht.
-7. De gemeente kan de betaalde voorschotten in de jaren 2005 tot en met 2007 mede besteden aan omzetbelasting ter zake van de in het zesde lid bedoelde activiteiten die ingevolge de Wet op het BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit het fonds.

1. Zie Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid, Stcrt. 2005, 128, red.

 

Art. 21.
-1. Het college van burgemeester en wethouders dient vóór 15 juli 2010 bij Onze Minister een aanvraag in tot vaststelling van het inburgeringsdeel.
-2. Bij de beoordeling van de aanvraag wordt gebruikgemaakt van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 58a van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

 

Art. 22.
-1. Indien Onze Minister op 15 juli 2010 geen aanvraag tot vaststelling van het inburgeringsdeel heeft ontvangen, stelt hij dat deel ambtshalve vast.
-2. Onze Minister gaat niet over tot toepassing van het eerste lid dan nadat hij het college van burgemeester en wethouders in de gelegenheid heeft gesteld binnen een door hem te bepalen termijn alsnog een aanvraag in te dienen.

 

Art. 23.
-1. Onze Minister stelt het inburgeringsdeel overeenkomstig de verlening vast.
-2. Onze Minister kan het inburgeringsdeel in afwijking van het eerste lid lager vaststellen indien het gemeentebestuur na verlening van de uitkering niet heeft voldaan aan het bij of krachtens de artikelen 14 en 15 bepaalde.
-3. De vaststelling geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde bedrag van het inburgeringsdeel.
-4. Het bedrag van het inburgeringsdeel wordt overeenkomstig de vaststelling betaald onder verrekening van betaalde voorschotten op het inburgeringsdeel.
-5. Het bedrag van het vastgestelde inburgeringsdeel wordt binnen twaalf maanden na de vaststelling betaald.
-6. Onverschuldigd betaalde voorschotten op het inburgeringsdeel kunnen worden teruggevorderd zolang nog geen vijf jaren zijn verstreken na de dag waarop het inburgeringsdeel is vastgesteld.
-7. Onverschuldigd betaalde voorschotten op het inburgeringsdeel kunnen tevens worden verrekend met nog door Onze Minister aan de gemeente ¹ te betalen bedragen.

 

Art. 24.
-1. Het college van burgemeester en wethouders dient vóór 15 juli 2010 bij Onze Minister een aanvraag in tot vaststelling van het programmadeel.
-2. Bij de beoordeling van de aanvraag wordt gebruikgemaakt van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 58a van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.
-3. Indien de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten niet volledig zijn behaald en het gemeentebestuur een verzoek doet als bedoeld in artikel 27, vijfde lid, neemt zij in de verantwoordingsinformatie, bedoeld in het tweede lid, de verdeling van de besteding van de verleende voorschotten over die resultaten op.
-4. Onze Minister stelt binnen vier maanden na ontvangst van de aanvraag het bedrag van het programmadeel vast.

 

Art. 25.
-1. Indien Onze Minister op 15 juli 2010 geen aanvraag tot vaststelling van het programmadeel heeft ontvangen, stelt hij dat deel ambtshalve vast.
-2. Onze Minister gaat niet over tot toepassing van het eerste lid dan nadat hij de gemeente in de gelegenheid heeft gesteld binnen een door hem te bepalen termijn alsnog een aanvraag in te dienen.

 

Art. 26.
-1. Indien uit de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 24, tweede lid, blijkt dat de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten niet volledig zijn bereikt, kan Onze Minister een periode voor het gemeentebestuur vaststellen om de ontbrekende resultaten alsnog te realiseren.
-2. Het college van burgemeester en wethouders zendt aan Onze Minister na afloop van de periode, bedoeld in het eerste lid, binnen een door hem te bepalen termijn de verantwoordingsinformatie over de realisatie van de ontbrekende resultaten, bedoeld in het eerste lid. Die verantwoordingsinformatie wordt vormgegeven volgens het model, bedoeld in artikel 58a van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.
-3. Indien een deel van de verleende voorschotten niet is besteed aan de bestedingsdoeleinden, bedoeld in artikel 3, wordt bij de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 24, tweede lid, tevens verantwoordingsinformatie gevoegd over de besteding van dat deel.
-4. Indien Onze Minister toepassing heeft gegeven aan het eerste lid, stelt hij, in afwijking van artikel 24, vierde lid, binnen de termijn, genoemd in dat lid, het deel van het bedrag van het programmadeel vast dat overeenkomt met de resultaten die volledig zijn bereikt. Voor het deel van het bedrag van het programmadeel dat overeenkomt met de niet volledig bereikte resultaten, bedoeld in het eerste lid, wordt de termijn, bedoeld in artikel 24, vierde lid, opgeschort met ingang van de dag waarop Onze Minister het college van burgemeester en wethouders mededeelt dat hij voornemens is om toepassing te geven aan het eerste lid tot de dag waarop hij het verslag, bedoeld in het tweede lid, heeft ontvangen.

 

Art. 27.
-1. Onze Minister stelt het programmadeel overeenkomstig de verlening vast, met dien verstande dat:
a. bij het vaststellen van onderdeel Q, bedoeld in artikel 4, eerste lid, de door de gemeente behaalde resultaten worden betrokken met inachtneming van de bij regeling van Onze Minister vast te stellen berekeningswijze en de voorschotvergoedingen, bedoeld in artikel 9, vijfde lid, worden vervangen door de bijdragevergoedingen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, onder 2º;
b. bij het vaststellen van onderdeel R, bedoeld in artikel 4, eerste lid, de door de gemeente behaalde resultaten worden betrokken met inachtneming van de bij regeling van Onze Minister vast te stellen berekeningwijze en de voorschotvergoedingen, bedoeld in artikel 9, zesde lid, worden vervangen door de bijdragevergoedingen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel c.
-2. Onze Minister stelt het programmadeel in afwijking van het eerste lid lager vast, indien:
a. uit de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 24, tweede lid, of artikel 26, tweede lid, blijkt dat de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten niet volledig zijn bereikt;
b. het gemeentebestuur niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 12 aan de verlening van de uitkering verbonden verplichtingen;
c. de gemeente verleende voorschotten voor een ander doel heeft aangewend dan voor de activiteiten, bedoeld in artikel 20, zesde lid;
d. de door de gemeente gerealiseerde resultaten en de uitkomst van de berekeningswijze, bedoeld in het eerste lid, daartoe aanleiding geven.
-3. Onze Minister geeft geen toepassing aan het tweede lid, onderdeel a, indien de gemeente in de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 24, tweede lid, dan wel artikel 26, tweede lid, naar zijn oordeel genoegzaam heeft aangetoond dat het niet volledig bereiken van de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten haar niet kan worden toegerekend.
-4. De lagere vaststelling van het programmadeel ingevolge het tweede lid, onderdeel a, geschiedt naar evenredigheid van de krachtens artikel 7, tweede en derde lid, vastgestelde verdeling over de indicatoren.
-5. Behalve ten aanzien van de onderdelen Q en R, bedoeld in artikel 4, eerste lid, kan Onze Minister in afwijking van het vierde lid de lagere vaststelling van het programmadeel ingevolge het tweede lid, onderdeel a, op verzoek van het gemeentebestuur, bepalen aan de hand van de relatieve verdeling van de besteding van de verleende voorschotten over de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten ten aanzien van de indicatoren, zoals die in de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 26, tweede en derde lid, is opgenomen. Ten behoeve van de lagere vaststelling past hij de hier bedoelde relatieve verdeling toe op het totaal van de verleende rijksbijdrage.
-6. Het programmadeel kan in afwijking van het eerste lid, volgens bij regeling van Onze Minister vast te stellen regels, hoger worden vastgesteld indien het gemeentebestuur de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten heeft overtroffen en dit naar zijn oordeel aan het gemeentebestuur kan worden toegerekend.
-7. In afwijking van het zesde lid worden de onderdelen Q en R, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het programmadeel hoger vastgesteld indien de door de gemeente gerealiseerde resultaten en de uitkomst van de berekeningswijze, bedoeld in het eerste lid, daartoe aanleiding geven.
-8. De vaststelling geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde bedrag van het programmadeel.
-9. Het bedrag van het programmadeel wordt overeenkomstig de vaststelling betaald onder verrekening van betaalde voorschotten op het programmadeel.
-10. Het bedrag van het programmadeel wordt binnen vier weken na de vaststelling betaald.
-11. Onze Minister neemt geen beslissing als bedoeld in het derde lid, geen toepassing te geven aan het tweede lid, onderdeel a, dan nadat hij het oordeel van een deskundige heeft gevraagd ten aanzien van de in de verantwoordingsinformatie opgenomen redengeving voor het niet volledig bereiken van de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten. Onze Minister wijst niet eerder een deskundige aan dan nadat hij het college van burgemeester en wethouders in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord.
-12. Het elfde lid vindt geen toepassing indien het college van burgemeester en wethouders een daartoe strekkend verzoek aan Onze Minister heeft gedaan.

 

Art. 28.
Onverschuldigd betaalde voorschotten op het programmadeel kunnen worden teruggevorderd zolang nog geen vijf jaren zijn verstreken na de dag waarop het programmadeel is vastgesteld.

 

Art. 29.
-1. Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente verstrekt desgevraagd inlichtingen omtrent de besteding van de verleende voorschotten en de realisatie van de in het ontwikkelingsplan opgenomen doelstellingen aan de door Onze Minister aangewezen ambtenaren.
-2. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, kunnen ten aanzien van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 24, tweede lid, en artikel 26, tweede lid, tevens informatie inwinnen bij de in artikel 213, tweede lid, van de Gemeentewet bedoelde accountants.

 

Art. 30. Vervallen.

 

Art. 31.
In artikel 2 van het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers wordt, onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid, een lid ingevoegd, luidende:
-4. De in het eerste lid bedoelde rijksbijdragen zijn in afwijking van het derde lid nihil voor een gemeente als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid.

 

Art. 32.
In artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten wordt de zinsnede "de volwassen inwoners van de G25, bedoeld in de Bijdrageregeling sociale integratie en veiligheid G25" vervangen door: de volwassen inwoners van de G30, bedoeld in het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid.

 

Art. 33.
-1. De specifieke uitkeringen die krachtens het Besluit specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor 2005 aan een gemeente worden verleend. bedragen nihil.
-2. De door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in 2005 aan een gemeente onverschuldigd ingevolge artikel 5, tweede lid, van het Besluit specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid betaalde voorschotten worden verrekend met in 2005 door Onze Minister verleende voorschotten op het programmadeel.

 

Art. 34.
-1. Onze Minister kan aan één of meer rechtspersonen subsidies verstrekken voor activiteiten die passen in het grotestedenbeleid.
-2. Bij regeling van Onze Minister worden regels gegeven voor de verstrekking van de subsidies, bedoeld in het eerste lid.

 

Art. 34a.
De aanvraag tot verlening van de uitkering, bedoeld in artikel 5, zoals die door de colleges van burgemeester en wethouders is gedaan, wordt voor het inburgeringsdeel geacht mede betrekking te hebben op het jaar 2006.

 

Art. 35.
-1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt voor wat betreft artikel 6 terug tot en met 1 november 2004, voor wat betreft artikel 31 terug tot en met 1 september 2004 en voor wat betreft de artikelen 32 en 34 tot en met 1 januari 2005.
-2. Artikel 31 vervalt met ingang van het tijdstip dat het bij koninklijke boodschap van 10 juni 2004 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet inburgering nieuwkomers en de Wet educatie en beroepsonderwijs (vrijgeven cursusaanbod Win) (Kamerstukken 29 646) tot wet is verheven en in werking is getreden.

 

Art. 36.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

’s-Gravenhage, 26 april 2005

 

BEATRIX

 

De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties,
A. Pechtold

De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
M.C.F. Verdonk

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J.W. Remkes

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
M.J.A. van der Hoeven

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
M. Rutte

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.F. Hoogervorst

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
C.I.J.M. Ross-van Dorp

 

Uitgegeven de eenendertigste mei 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner

 

 

 

NOTA  VAN  TOELICHTING
[26 april 2005]

 

I.  Algemeen

 

1. Inleiding


     Dit besluit geeft regels voor de brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid (hierna: de BDU-SIV) van het grotestedenbeleid (hierna: GSB).
     De BDU-SIV is één van de drie brede doeluitkeringen voor de derde periode van het GSB.

     De drie brede doeluitkeringen voor de derde periode van het GSB zijn:
a. het investeringsbudget stedelijke vernieuwing;
b. de brede doeluitkering stadseconomie; en
c. de BDU-SIV.

 

2. De derde periode van het GSB


     In het regeerakkoord heeft het kabinet zich uitgesproken voor een voortzetting van het GSB. Ook de betrokken steden hebben voortzetting van het GSB bepleit. Voorts vermeldt het regeerakkoord dat het kabinet pleidooien van de G30-steden om hun bevoegdheden en mogelijkheden te verruimen, voor zover deze ontoereikend zijn om de problemen in eigen stad succesvol aan te pakken, welwillend wil benaderen. Mede met het oog daarop zijn bij de ontwikkeling van een vernieuwd GSB-stelsel de volgende (deels reeds geldende, deels nieuwe) uitgangspunten gehanteerd:
- sturing op resultaten;
- vermindering van bureaucratie;
- transparantie van beleid;
- ruimte voor maatwerken eigen keuzes voor de stad;
- sturing op integrale benadering.
     Deze uitgangspunten dienen de basis te zijn voor het GSB-stelsel. Het zijn dan ook dé elementen die leidend zijn bij de totstandkoming, uitvoering en verantwoording voor de komende GSB periode.

     De derde periode van het GSB is begonnen op 1 januari 2005 en eindigt op 31 december 2009. Deze derde periode van het GSB is uitgewerkt in de nota "Samenwerken aan de Krachtige Stad" (Kamerstukken II 2003-2004, 21 062, nr. 116). De GSB-steden zijn de in artikel 1, onderdeel b, genoemde 30 gemeenten.
     Het stelsel van de derde periode van GSB bestaat in de eerste plaats uit drie BDU’s. Een brede doeluitkering is een specifieke uitkering waarvan de middelen onderling uitwisselbaar zijn tussen de diverse bestedingsdoeleinden van die uitkering. De GSB-steden kunnen door het grote aantal bestedingsdoeleinden en de uitwisselbaarheid van de middelen tussen de bestedingsdoeleinden hun beleid optimaal afstemmen op de lokale omstandigheden en daarbij zelf de noodzakelijke afwegingen maken (Kamerstukken II 1995-1996, 24 552, nr. 3, blz. 55). Er bestaat geen uitwisselbaarheid van middelen tussen de drie brede doeluitkeringen van het GSB (Kamerstukken II 2003-2004, 21 062, nr. 109, blz. 4).
     Het stelsel voor de derde periode van het GSB bestaat in de tweede plaats uit de resultaten die de GSB-stad in de GSB-III-periode wil bereiken en die zijn vastgelegd in het meerjarenontwikkelingsprogramma (hierna: MOP) van die stad. Het Rijk en de stad sluiten na een positieve beoordeling van het MOP door het Rijk een convenant dat geldt voor de gehele GSB-III-periode. Het convenant verwijst voor de inzet van de stad naar het MOP en voor de financiële inzet van het Rijk naar de drie bijgevoegde beschikkingen voor de brede doeluitkeringen. De drie brede doeluitkeringen worden voor de gehele GSB-III-periode verleend.
     Het Rijk volgt gedurende de derde periode van het GSB de ontwikkelingen in de stad op het punt van de in het MOP opgenomen te bereiken resultaten. De GSB-stad verstrekt daartoe op basis van de drie beschikkingen voor de brede doeluitkeringen gegevens over de voortgang van de realisatie van de in het MOP opgenomen doelstellingen. In 2007 vindt een midterm review plaats, die kan leiden tot een verlaging van de verleende brede doeluitkeringen.
     De GSB-steden dienen uiterlijk op 15 juli 2010 een aanvraag in tot vaststelling van de drie brede doeluitkeringen. De aanvraag gaat vergezeld van een verantwoordingsverslag over de realisatie van de doelstellingen in de derde periode van het GSB en van een financieel verslag over de besteding van de verleende voorschotten. Indien de GSB-stad één of meer van de in het MOP opgenomen doelstellingen niet (volledig) behaald heeft, kunnen één of meer brede doeluitkeringen naar evenredigheid lager worden vastgesteld dan de brede doeluitkeringen overeenkomstig de verlening. De BDU-SIV kan bovendien hoger worden vastgesteld dan overeenkomstig de verlening indien de stad de in het MOP opgenomen te bereiken resultaten heeft overtroffen en hiervoor een bijzondere inspanning heeft geleverd.

 

3. Hogere regelingen


     Het onderhavige besluit heeft verschillende grondslagen. Artikel 17, derde lid, van de Financiële-verhoudingswet (hierna: Fvw) maakt het mogelijk om tijdelijke specifieke uitkeringen bij algemene maatregel van bestuur te regelen. Andere wettelijke grondslagen voor het besluit zijn meer in het bijzonder artikel 10a, eerste en tweede lid, van de Welzijnswet 1994, artikel 16 van de Wet inburgering nieuwkomers en artikel 2.3.1, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs. Aan het slot van dit hoofdstuk wordt op die laatste drie nader ingegaan.

     Artikel 34 van het besluit heeft geen betrekking op specifieke uitkeringen. Dat behelst de mogelijkheid voor de minister belast met de coördinatie van het grotestedenbeleid subsidies te verstrekken voor activiteiten die passen in het grotestedenbeleid. In dit verband zij gewezen op artikel 4:23, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op basis waarvan gedurende een beperkte periode subsidies kunnen worden verleend op grond van een zelfstandige algemene maatregel van bestuur (Kamerstukken II 1993-1994, 23 700, nr. 3, blz. 40 en 41). Op grond van aanwijzing 21 van de Aanwijzingen voor de regelgeving is in de aanhef artikel 89 van de Grondwet vermeld.

     De BDU-SIV is een tijdelijke specifieke uitkering, omdat die slechts voor de derde periode van het GSB, dus voor vijf jaar, wordt verleend. Er bestaan thans geen specifieke grondslagen in een formele wet voor de BDU-SIV. De BDU-SIV is bovendien een nieuwe specifieke uitkering op grond van:
a. haar bestedingsdoeleinden;
b. de mogelijkheid van een lagere verlening op grond van de aard en omvang van de in het MOP opgenomen doelstellingen;
c. de uitwisselbaarheid van middelen tussen haar bestedingsdoeleinden;
d. de verlening voor een periode van vijf jaar; en
e. verrekening van de realisatie van de in het MOP opgenomen doelstellingen bij de vaststelling van de BDU-SIV in 2010.

     Artikel 17, derde lid, van de Fvw biedt slechts een tijdelijke grondslag voor dit besluit. Ingevolge artikel 17, vierde lid, van de Fvw komt het besluit vier jaren na inwerkingtreding van rechtswege te vervallen, tenzij vóór dat tijdstip een voorstel van wet is ingediend waarin de BDU-SIV definitief wordt geregeld. De regering zal in 2005 een voorstel van wet indienen waarin de BDU-SIV definitief wordt geregeld en daarmee van een specifieke formeelwettelijke grondslag wordt voorzien [en daarmee wordt in een specifieke formeelwettelijke grondslag voorzien, red.]. Het voorstel van wet voorkomt dat het onderhavige besluit vier jaren na inwerkingtreding van rechtswege vervalt. Het voorstel van wet zal tevens een grondslag bevatten voor een regeling van de verplichting van het college van burgemeester en wethouders tot het verstrekken van systematische informatie over de ontwikkelingen op het punt van de in het MOP opgenomen doelstellingen. Op basis van artikel 119, eerste lid, van de Gemeentewet worden bij de wet en krachtens de wet bij algemene maatregel van bestuur de gevallen geregeld waarin het college van burgemeester en wethouders verplicht is tot het verstrekken van systematische informatie aan het Rijk. Ingevolge artikel 19 van de Fvw is artikel 119, eerste lid, van de Gemeentewet niet van toepassing op de regeling van de informatievoorziening ten aanzien van een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 17, derde lid, van de Fvw.

     Het voorstel van wet zal ten slotte ook de grondslag bevatten voor het verlenen van subsidies aan één of meer rechtspersonen voor activiteiten die passen in het GSB. Ook de in artikel 34 opgenomen grondslag vervalt, in dit geval op basis van artikel 4:23, tweede lid, van de Awb, vier jaren nadat het in werking is getreden, tenzij vóór dat tijdstip een voorstel van wet is ingediend waarin een grondslag voor de bovenbedoelde subsidies is opgenomen. De grondslag voor de subsidies van het Rijk dient ingevolge artikel 4:23, eerste lid, van de Awb, behoudens het in artikel 4:23, tweede lid, bedoelde uitzonderingsgeval, in een formele wet te worden gelegd (Kamerstukken II 1993-1994, 23 700, nr. 3, blz. 39).

     Op basis van artikel 30 wordt het Besluit specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid gewijzigd. Artikel 30 berust op artikel 10a, eerste en tweede lid, van de Welzijnswet 1994, die daartoe in de aanhef van het onderhavige besluit zijn vermeld.

     Ingevolge artikel 31 wordt het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers gewijzigd. Artikel 31 berust op artikel 16 van de Wet inburgering nieuwkomers (hierna: Win) en artikel 2.3.1, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs (hierna: WEB). Het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers berust louter op artikel 16 van de Win nadat het bij koninklijke boodschap van 10 juni 2004 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet inburgering nieuwkomers en de Wet educatie en beroepsonderwijs (vrijgeven cursusaanbod Win) kracht van wet heeft gekregen en in werking is getreden (Kamerstukken II 2003-2004, 29 646, nr. 2, blz. 4).

 

4. BDU-SIV


4.1. Middelen van BDU-SIV


     De voeding van de BDU-SIV bestaat uit de acht in artikel 4, eerste lid, genoemde categorieën van middelen die in 2005 in de beschikking tot verlening van de uitkering zijn opgenomen.
     Er kunnen gedurende de derde periode van het GSB ingevolge artikel 16, eerste lid, middelen aan de BDU worden toegevoegd. Er kan hierbij in de eerste plaats gedacht worden aan de middelen voor volwasseneneducatie. Deze middelen worden via de BDU-SIV verstrekt met ingang van de dag dat een wijziging van de WEB in werking is getreden op basis waarvan de GSB-steden geen rijksbijdrage educatie meer ontvangen. Er wordt naar gestreefd om dit per 1 januari 2006 te realiseren. Er kan hierbij in de tweede plaats gedacht worden aan de middelen voor onderwijsachterstanden. Deze middelen worden via de BDU-SIV verstrekt met ingang van de dag dat een wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs tot wet is verheven en in werking is getreden op basis waarvan de GSB-steden niet meer in aanmerking komen voor de specifieke uitkering voor onderwijsachterstanden. Er wordt naar gestreefd dit per 1 augustus 2006 te realiseren. Op basis van artikel 16 kunnen gedurende de derde periode van het GSB ook andere middelen dan de twee bovenbedoelde categorieën van middelen aan de BDU-SIV worden toegevoegd.

     De BDU-SIV voor een gemeente is ingevolge artikel 4, eerste lid, in principe gelijk aan de som van de aandelen van de gemeente in elk van de acht categorieën van middelen. Het aandeel van een gemeente in een categorie van middelen wordt verkregen door vermenigvuldiging van het procentuele aandeel van die gemeente in die middelen en het bedrag van die middelen. De GSB-steden die niet behoren tot de centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid dan wel tot de centrumgemeenten voor vrouwenopvang krijgen geen aandeel in de middelen voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid onderscheidenlijk in de middelen voor vrouwenopvang. Het betreft hier op basis van artikel 1, onderdeel f, voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid de gemeenten Hengelo (Overijssel), Lelystad en Schiedam. Het gaat hierbij ingevolge artikel 1, onderdeel g, voor wat betreft vrouwenopvang om de gemeenten Almelo, Deventer, Hengelo (Overijssel), Lelystad en Schiedam. De aandelen van de gemeente in de middelen voor inburgering van nieuwkomers en voor de inburgering van oudkomers wordt op basis van artikel 1, onderdeel o, het inburgeringsdeel genoemd. De aandelen van de gemeente in de overige middelen wordt ingevolge artikel 1, onderdeel p, het programmadeel van de BDU-SIV genoemd.

     Een deel van de voeding van de BDU-SIV bestaat uit middelen die vóór de inwerkingtreding van het onderhavige besluit niet aan de GSB-steden werden verstrekt. Het gaat hierbij om:
a. de extra veiligheidsmiddelen;
b. de middelen voor bestrijding van gezondheidsachterstanden; en
c. de middelen van de Tijdelijke stimuleringsregeling advies- en steunpunten huiselijk geweld die met ingang van 1 januari 2008 aan de tot de centrumgemeenten voor vrouwenopvang behorende GSB-steden via de BDU-SIV zullen worden verstrekt.

     De verstrekking van middelen via de BDU-SIV gaat tevens gepaard met de beëindiging voor de GSB-steden van een aantal specifieke uitkeringen. Er is geen sprake van overlap tussen het onderhavige besluit en regelingen van andere specifieke uitkeringen dan de BDU-SIV. Het onderhavige besluit is van toepassing op de BDU-SIV en niet op andere specifieke uitkeringen. De regelingen voor de andere specifieke uitkeringen gelden niet voor de BDU-SIV.

     De andere GSB-steden dan de gemeenten Alkmaar, Amersfoort, Emmen, Lelystad en Zaanstad ontvangen in de eerste plaats geen specifieke uitkering meer krachtens de Bijdrageregeling sociale integratie en veiligheid G25. De bovenbedoelde regeling behoeft daartoe niet te worden aangepast aangezien die regeling slechts voorziet in de verstrekking van middelen over de jaren 2000 tot en met 2004.

     De gemeenten Alkmaar, Amersfoort, Emmen, Lelystad en Zaanstad ontvangen in de tweede plaats geen specifieke uitkering meer krachtens de Bijdrageregeling leefbaarheid partiële GSB-steden. De bovenbedoelde regeling behoeft daartoe niet te worden gewijzigd aangezien op basis van die regeling slechts middelen over de jaren 2000 tot en met 2004 worden verleend.

     De GSB-steden ontvangen in de derde plaats geen specifieke uitkeringen krachtens het Besluit specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid. Het bovenbedoelde besluit wordt op basis van artikel 30 zodanig gewijzigd dat de GSB-steden niet meer in aanmerking komen voor een uitkering krachtens dat besluit.

     De GSB-steden komen in de vierde plaats niet meer in aanmerking voor de rijksbijdragen die krachtens het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers worden verleend. Het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers is ingevolge artikel 31 zodanig aangepast dat de krachtens dat besluit verleende rijksbijdragen voor de GSB-steden nihil bedragen. De regering zal bij nota van wijziging artikel 16 van de Win, zoals dat is opgenomen in het bij koninklijke boodschap van 10 juni 2004 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet inburgering nieuwkomers en de Wet educatie en beroepsonderwijs (vrijgeven cursusaanbod Win) (Kamerstukken II 2003-2004, 29 646, nrs. 1 en 2), aanpassen. Op basis van het gewijzigde artikel 16 van de Win ontvangen de 30 GSB-steden geen rijksbijdragen meer als bedoeld in dat artikel.

     De GSB-steden krijgen in de vijfde plaats geen aparte specifieke uitkering meer voor de inburgering van oudkomers. De Regeling inburgering oudkomers 54 gemeenten kent voor 2005 een vervolg in de vorm van de Regeling inburgering oudkomers 25 gemeenten 2005 (Stcrt. 2005, 54). Voornoemde regeling sluit de 30 GSB-gemeenten uit van een bijdrage krachtens die regeling.

     De GSB-steden zullen in de zesde plaats uitgesloten zijn van de specifieke uitkering voor het gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid met ingang van de dag dat de daarvoor benodigde wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs tot wet is verheven en in werking is getreden. Er wordt naar gestreefd dit per 1 augustus 2006 te realiseren.

     De GSB-steden zullen in de zevende plaats geen rijksbijdrage educatie meer ontvangen vanaf het tijdstip dat een wijziging van de WEB in werking is getreden op basis waarvan aan de GSB-steden geen rijksbijdrage educatie meer wordt verstrekt. Er wordt naar gestreefd dit per 1 januari 2006 te realiseren.

 

4.2. Bestedingen BDU-SIV


     De GSB-stad kan de BDU-SIV op basis van artikel 3, onderdeel a, besteden aan de uitvoering van het MOP. De uitvoering van het MOP omvat ingevolge artikel 7, eerste lid, het verrichten van activiteiten op een groot aantal terreinen. In hoofdstuk 5 van het algemeen deel van de toelichting wordt nader op het MOP ingegaan.
     De GSB-stad kan ingevolge artikel 3, onderdeel b, de BDU-SIV tevens aanwenden voor de uitvoering van de artikelen 4, 5, 6, eerste lid, en 15 van de Win en voor het aanbieden van inburgeringsprogramma’s voor oudkomers in 2005. De beperking tot 2005 hangt samen met het feit dat er gewerkt wordt aan een nieuw inburgeringsstelsel. De regering zal namelijk gedurende de GSB-III-periode een voorstel voor een Wet inburgering, die zowel voor de inburgering van nieuwkomers als voor de inburgering van oudkomers zal gelden, bij de Staten-Generaal indienen. De hoofdlijnen van het door de regering voorgestelde nieuwe inburgeringsstelsel zijn opgenomen in de contourennota "Herziening van het inburgeringsstelsel" (Kamerstukken II 2003-2004, 29 543, nr. 2). Er wordt naar gestreefd om de Wet inburgering vóór 1 januari 2007 in werking te laten treden. Er wordt in het onderhavige besluit nog niet vooruitgelopen op de nieuwe wettelijke regeling voor de inburgering van nieuwkomers en van oudkomers.
     De uitvoering van de Win is op basis van artikel 7, eerste lid, geen onderdeel van de uitvoering van het MOP aangezien de gemeenten op grond van de Win iedere nieuwkomer moeten inburgeren. Er is kortweg sprake van een wettelijke plicht voor de gemeenten om iedere nieuwkomer in te burgeren. Het in het MOP opgenomen resultaat op het gebied van de inburgering van nieuwkomers zou niets anders kunnen dan dat iedere nieuwkomer wordt ingeburgerd. De GSB-stad hoeft op basis van artikel 7 geen doelstellingen op het gebied van de inburgering van nieuwkomers in het MOP op te nemen.
     Het aanbieden van oudkomersprogramma’s aan oudkomers is evenals de uitvoering van de bovenbedoelde artikelen van de Win geen onderdeel van de uitvoering van het MOP. Het aandeel van de in de gemeente [Het aandeel van de gemeente, red.] in de middelen voor de inburgering van oudkomers is namelijk direct gerelateerd aan de door de GSB-stad gerealiseerde output op het gebied van de inburgering van oudkomers.

 

5. Het MOP


     Het MOP dient in ieder geval de resultaten te bevatten die de GSB-stad in de derde periode van het GSB wil bereiken op de veertien in artikel 7, eerste lid, genoemde terreinen. De stad moet die resultaten ingevolge artikel 7, tweede lid, formuleren met inachtneming van de bij regeling van de minister vastgestelde indicatoren. Er zijn in het bestuurlijk overleg tussen het Rijk en de delegatie G30 van 8 april 2004 over de nota "Samenwerken aan de Krachtige Stad" afspraken gemaakt over de indicatoren. De betrouwbaarheid, meetbaarheid en afrekenbaarheid van de basisindicatoren zouden gezamenlijk door het Rijk en de 30 GSB-steden operationeel gemaakt worden. Een GSB-stad zou de stadsspecifieke indicatoren vóór 1 november 2004 operationeel maken. De indicatoren waarvan de betrouwbaarheid, meetbaarheid en afrekenbaarheid vóór 1 november 2004 onvoldoende operationeel is gemaakt, zouden worden verwijderd (nota "Samenwerken aan de Krachtige Stad", blz. 117) (Kamerstukken II 2003-2004, 21 062, nr. 116). Het resultaat van de twee bovenbedoelde exercities is neergelegd in de krachtens artikel 7, tweede lid, vastgestelde ministeriële regeling. De vorenbedoelde ministeriële regeling bevat tevens de percentsgewijze verdeling van de uitkering over de indicatoren.
     De GSB-stad kan op basis van artikel 7, derde lid, één of meer van de doelstellingen op nul zetten indien dit kan worden gemotiveerd. Er is dan sprake van een zogenaamde nulambitie.

     Het eerste terrein voor de in het MOP op te nemen resultaten is de aanpak van de criminaliteit gepleegd door volwassen en jeugdige veelplegers. Op basis van artikel 1, onderdeel m, is een volwassen veelpleger een meerderjarige persoon tegen wie meer dan tien processen-verbaal wegens een misdrijf zijn opgemaakt. Ingevolge artikel 1, onderdeel n, is een jeugdige veelpleger een persoon van 12 tot en met 17 jaar tegen wie meer dan vijf processen-verbaal wegens een misdrijf zijn opgemaakt.

     Het tweede terrein voor de in het MOP op te nemen resultaten is de aanpak van overlast op straat die veroorzaakt wordt door personen. Dit terrein richt zich op alle personen die overlast op straat veroorzaken. Hierbij kan worden gedacht aan overlast door drugsgebruikers, rondhangende jongeren, aan openbare dronkenschap en aan het veroorzaken van permanente overlast door bijvoorbeeld een psychische stoornis. De GSB-steden die niet behoren tot de centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid dienen ook resultaten op dit terrein in het MOP op te nemen. Het betreft hier namelijk resultaten op het gebied van veiligheid.

     Het derde terrein voor het formuleren van de doelstellingen is de aanpak van huiselijk geweld. Er dient in dit verband te worden gewezen op de samenloop tussen de Tijdelijke stimuleringsregeling advies- en steunpunten huiselijk geweld. Op basis van artikel 2, eerste lid, van de bovenbedoelde stimuleringsregeling kan voor de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2007 aan de centrumgemeenten voor vrouwenopvang eenmalig een meerjarige uitkering worden verleend. De uitkering dient voor de kosten die gemaakt worden tussen oktober 2004 en januari 2008 voor de oprichting dan wel uitbreiding van één of meer advies- en steunpunten voor huiselijk geweld en de activiteiten die vanuit dergelijke advies- en steunpunten worden verricht. De GSB-steden kunnen de BDU-SIV aanwenden voor de financiering van uitgaven voor de aanpak van huiselijk geweld die niet uit de bovenbedoelde stimuleringsregeling kunnen worden bekostigd. De GSB-steden die niet behoren tot de centrumgemeenten voor vrouwenopvang dienen ook resultaten op dit terrein te formuleren. Het betreft hier namelijk resultaten op het terrein van veiligheid.

     Het vierde terrein voor het formuleren van de resultaten is de aanpak van criminaliteit in risicogebieden zoals rond scholen, coffeeshops, uitgaanscentra, winkelgebieden, bedrijventerreinen, jeugdverzamelplaatsen en stations/OV-gebieden en in de woonomgeving.

     Het vijfde terrein voor het formuleren van de resultaten heeft betrekking op veiligheid en wordt door de GSB-stad zelf bepaald.

     De GSB-stad moet de in het MOP opgenomen resultaten op de bovenbedoelde veiligheidsterreinen afstemmen met de lokale driehoek. Op basis van artikel 8, tweede lid, moet de GSB-stad de uitkomsten van de afstemming met de lokale driehoek in het MOP vermelden.

     Het zesde terrein voor het formuleren van de resultaten is de aanpak van onderwijsachterstanden. De op dit terrein vast te stellen indicatoren zijn het aantal peuters en kleuters dat deelneemt aan voor- en vroegschoolse programma’s en het aantal in te richten schakelklassen. De middelen voor bestrijding van onderwijsachterstanden zullen naar verwachting met ingang van 1 augustus 2006 via de BDU-SIV aan de GSB-steden worden verstrekt. Dit laat onverlet dat ook de andere middelen van de BDU-SIV vanwege de uitwisselbaarheid van middelen kunnen worden gebruikt voor de aanpak van onderwijsachterstanden.

     Het zevende terrein voor het formuleren van de resultaten is het aantal personen onder de 23 jaar dat een startkwalificatie behaalt van ten minste het niveau van de basisberoepsopleiding. Het aantal leerlingen dat zijn schoolloopbaan niet afrondt, ligt in de GSB-steden zeer hoog. Juist nu de economische situatie verslechtert en de concurrentie op de arbeidsmarkt toeneemt, is het van groot belang om jongeren in staat te stellen een startkwalificatie te halen of hen op een andere wijze anderszins toe te rusten voor de arbeidsmarkt.

     Het achtste terrein voor het formuleren van de resultaten zijn de doelstellingen met betrekking tot de deelnemers aan een traject voor volwasseneneducatie. De middelen voor volwasseneneducatie zullen naar verwachting met ingang van 1 januari 2006 via de BDU-SIV aan de GSB-steden worden verstrekt. Dit laat onverlet dat ook de andere middelen van de BDU-SIV vanwege de uitwisselbaarheid van middelen kunnen worden gebruikt voor volwasseneneducatie. Het is van belang dat ook aan volwassenen de kans wordt geboden beter te functioneren binnen de Nederlandse samenleving. Bij het VAVO bestaat de mogelijkheid een diploma op VMBO-niveau (theoretische leerweg), HAVO-niveau of VWO-niveau te behalen. De opleidingen sociale redzaamheid zijn gericht op redzaamheid op het gebied van taalvaardigheid, rekenvaardigheid en sociale vaardigheden. Opleidingen breed maatschappelijk functioneren zijn bedoeld als doorstroomopleidingen die toeleiden naar een beroepsopleiding.

     Het negende terrein en het tiende terrein voor het formuleren van de resultaten hebben betrekking op de bestrijding van gezondheidsachterstanden. Er bestaan grote verschillen in gezondheid in de stad. Gezondheidsachterstanden komen vooral voor bij groepen met een lage sociaal-economische status in achterstandswijken. Het betreft hier de aanpak van overgewicht van personen van 0 tot 19 jaar.

     Het tiende terrein op het gebied van de bestrijding van gezondheidsachterstanden wordt door de stad zelf bepaald. Op deze wijze kan worden ingespeeld op de actualiteit en dynamiek van de stad.

     Het elfde terrein en twaalfde terrein voor het formuleren van de resultaten zien op de doorstroming in de maatschappelijke opvang en de capaciteit in de vrouwenopvang. Het MOP moet de doelstellingen op deze terreinen vermelden indien de gemeente behoort tot de centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid onderscheidenlijk voor vrouwenopvang. De gemeenten Hengelo (Overijssel), Lelystad en Schiedam zijn op basis van artikel 1, onderdeel f, geen centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid. De gemeenten Almelo, Deventer, Hengelo (Overijssel), Lelystad en Schiedam zijn ingevolge artikel 1, onderdeel g, geen centrumgemeenten voor vrouwenopvang.

     Het dertiende terrein voor het formuleren van de resultaten doelstellingen heeft [resultaten heeft, red.] betrekking op het bereik van de ambulante verslavingszorg. Het MOP moet de te bereiken resultaten op dit terrein bevatten indien de GSB-stad behoort tot de centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid.

     Het veertiende terrein voor het formuleren van de doelstellingen [resultaten, red.] heeft betrekking op maatschappelijke opvang en wordt door de GSB-stad die behoort tot de centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid zelf bepaald.

     Het MOP kan ook andere onderwerpen bevatten binnen de omschrijving van de taken waarvoor in de rijksbegroting de middelen, bedoeld in artikel 4, beschikbaar worden gesteld. De uitkering is mede bestemd voor uitgaven die daarop betrekking hebben. Dat neemt niet weg dat de hierboven genoemde veertien terreinen waarop indicatoren worden vastgesteld voorop staan. De minister belast met de coördinatie van het grotestedenbeleid toetst of voldoende aandacht daaraan wordt besteed. In eerste instantie wordt de gehele uitkering percentsgewijze toegerekend aan de onderdelen waarvoor indicatoren zijn opgesteld (artikel 7, tweede en derde lid). Op grond van artikel 11 kan de minister, het college van burgemeester en wethouders gehoord, een lager programmadeel verlenen als de in het MOP opgenomen resultaten naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven. Bij de vaststelling van het programmadeel van de uitkering, in 2010, kan de minister dat ook verlagen als de in het MOP opgenomen resultaten niet volledig zijn bereikt.

     De GSB-stad kan op basis van artikel 18, eerste lid, het MOP gedurende de derde periode van het GSB wijzigen. De wijziging kan bijvoorbeeld plaatsvinden bij de zogenaamde midterm review in 2007, in een bijzondere situatie wanneer er sprake is van een calamiteit bij een GSB-stad of in het geval het aandeel van de GSB-stad in de middelen voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid op basis van artikel 17 een aanzienlijke wijziging ondergaat. (nota "Samenwerken aan de Krachtige Stad", blz. 36 ) (Kamerstukken II 2003-2004, 21 062, nr. 116). De GSB-stad dient ingevolge artikel 18, tweede lid, de wijziging van het MOP binnen vier weken na vaststelling aan de minister te zenden. De minister kan op basis van artikel 18, derde lid, in het geval van een gewijzigd MOP de verleende BDU-SIV verlagen. Er wordt in hoofdstuk 6 van het algemeen deel van de toelichting nader ingegaan op de artikelen 17 en 18.

 

6. Verlening van de BDU-SIV


6.1. De verlening


     Het college van burgemeester en wethouders van een GSB-stad moet op basis van artikel 5, eerste lid, binnen acht weken na de inwerkingtreding van het onderhavige besluit een aanvraag tot verlening van de BDU-SIV indienen. De aanvraag dient ingevolge artikel 5, tweede lid, vergezeld te gaan van het MOP. De GSB-stad moet op basis van artikel 6, eerste lid, een prognose indienen bij de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van het aantal oudkomers dat in 2005 een inburgeringsprogramma voor oudkomers zal starten. Ingevolge artikel 6, tweede lid, geeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie bij ministeriële regeling nadere regels voor de prognose. De nadere regels komen zoveel mogelijk overeen met de soortgelijke regels voor de niet-GSB-gemeenten die in de Regeling inburgering oudkomers 38 gemeenten zijn opgenomen. Dit betekent dat de GSB-steden net zo als andere gemeenten op grond van de Regeling inburgering oudkomers 38 gemeenten een prognose bij de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie moeten hebben ingediend. In artikel 35, eerste lid, is dan ook neergelegd dat artikel 6 terugwerkt tot en met 1 november 2004. Er is de 30 GSB-steden schriftelijk medegedeeld dat ook zij een prognose van het aantal oudkomers dat een inburgeringsprogramma voor oudkomers zal volgen bij de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie moeten indienen. De prognose is van belang voor het bepalen van het relatieve aandeel van de GSB-stad in de middelen voor de inburgering van oudkomers. Op basis van artikel 10 verleent de minister de GSB-stad slechts haar aandeel in de middelen voor de inburgering van oudkomers indien zij de bovenbedoelde prognose bij de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie heeft ingediend.
     De GSB-stad had ervoor kunnen kiezen om vóór de inwerkingtreding van het onderhavige besluit één geïntegreerde aanvraag in te dienen bij de minister voor al de drie brede doeluitkeringen. In de nota "Samenwerken aan de Krachtige Stad" is deze mogelijkheid verder uitgewerkt. Een bovenbedoelde geïntegreerde aanvraag voor de drie brede doeluitkeringen wordt op basis van artikel 5, derde lid, als een aanvraag tot verlening van de BDU-SIV aangemerkt. De minister neemt ingevolge artikel 9, tweed lid, een beslissing op de geïntegreerde aanvraag voor de drie brede doeluitkeringen binnen acht weken na inwerkingtreding van het onderhavige besluit.
     De beschikking tot verlening van de BDU-SIV bevat ingevolge artikel 9, derde lid, de berekeningswijze van het uitkeringsbedrag. Het bedrag van de verleende uitkering is namelijk mede afhankelijk van variabelen waarvan de definitieve uitkomst pas gedurende de derde periode van het GSB is te bepalen.
     Er geldt op basis van artikel 9, vierde lid, voor de verleende BDU-SIV een zogenaamd begrotingsvoorbehoud. De verplichtingenruimte voor de BDU-SIV is namelijk anders dan bij het Investeringsbudget stedelijke vernieuwing en bij de Brede doeluitkering stadseconomie het geval is, niet voor de gehele GSB-III-periode in de rijksbegroting voor 2005 opgenomen.

     De verleende uitkering is in principe gelijk aan de met toepassing van artikel 4 bepaalde uitkering. De minister kan op basis van artikel 11, eerste lid, een lager programmadeel verlenen dan het met toepassing van artikel 4 bepaalde programmadeel indien hij de in het MOP opgenomen te bereiken resultaten onvoldoende vindt. De minister kan ingevolge artikel 11, tweede lid, pas overgaan tot een lagere verlening nadat hij de GSB-stad heeft geïnformeerd waarom hij daartoe over wil gaan en de GSB-stad in de gelegenheid heeft gesteld om het MOP aan te vullen.

     Er kan slechts worden vastgesteld of de GSB-stad de in het MOP opgenomen te bereiken resultaten heeft gerealiseerd indien de GSB-stad beschikt over een betrouwbaar systeem voor de registratie van de uitvoering van het MOP. Het is daarvoor tevens noodzakelijk dat de GSB-stad aan de minister gegevens verstrekt over de uitvoering van het MOP die zijn ontleend aan het bovenbedoelde registratiesysteem. Op basis van artikel 12 verbindt de minister aan de verlening van de BDU-SIV verplichtingen omtrent de beschikbaarheid van een registratiesysteem en de verstrekking van de aan dat systeem ontleende gegevens over de uitvoering van het MOP.

 

6.2. Wijziging van de verlening


     De BDU-SIV wordt voor de gehele derde periode, dus voor een periode van vijf jaar, verleend. Gedurende de GSB-III-periode kan de verlening van de BDU-SIV worden gewijzigd.
     De minister verhoogt op basis van artikel 16, eerste lid, de verleende BDU-SIV indien gedurende de derde periode van het GSB extra middelen aan de BDU-SIV worden toegevoegd.
     De verdeling van de middelen voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid en voor vrouwenopvang kan ingevolge artikel 17, eerste lid, gedurende de derde periode van het GSB éénmaal worden gewijzigd. Deze mogelijkheid geeft invulling aan de afspraak over de bovenbedoelde verdeling die in het bestuurlijke overleg tussen het Rijk en de delegatie G30 van 8 april 2004 over de nota "Samenwerken aan de Krachtige Stad" is gemaakt. De vier grootste GSB-steden hebben in dat overleg verzocht om een onderzoek naar de verdeling van de middelen voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid. Het Rijk neemt het initiatief voor een verkennend overleg met 30 GSB-gemeenten over de zwaarte van de problematiek. Dat kan leiden tot een wijziging van de sleutel voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid indien het Rijk en de 30 GSB-steden de ratio hiervan delen (nota "Samenwerken aan de Krachtige Stad", blz. 119) (Kamerstukken II 2003-2004, 21 062, nr. 116).
     Een wijziging van verdeling van de middelen voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid en voor vrouwenopvang vindt op basis van artikel 17, tweede lid, onderdeel a, niet eerder plaats dan nadat de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een onderzoek heeft uitgevoerd naar die verdeling. De minister zal overgaan tot wijziging van de verdeling indien de resultaten van het bovenbedoelde onderzoek daartoe aanleiding geven. De positie van de centrumgemeenten voor vrouwenopvang en/of voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid die niet behoren tot de GSB-steden, zoals bijvoorbeeld die van de gemeente Almere, is hierbij ook van belang. De GSB-steden die behoren tot de centrumgemeenten voor vrouwenopvang en/of verslavingsbeleid worden ingevolge artikel 17, tweede lid, onderdeel b, gehoord over de resultaten van het bovenbedoelde onderzoek alvorens de minister besluit tot wijziging van de verdeling. Het horen biedt de betrokken GSB-steden de mogelijkheid om hun standpunt over de resultaten mondeling naar voren te brengen en de minister van nadere informatie te voorzien. De minister stelt op basis van artikel 17, derde lid, de verlening van de BDU-SIV ambtshalve bij volgens de gewijzigde verdeling.

     In hoofdstuk 5 van het algemeen deel van de toelichting is vermeld dat de GSB-stad het MOP gedurende de derde periode van het GSB kan wijzigen. De GSB-stad moet ingevolge artikel 18, tweede lid, het gewijzigde MOP aan de minister toezenden. De minister kan vanwege de in het gewijzigde MOP opgenomen resultaten de verleende BDU-SIV verlagen. De minister bepaalt op basis van artikel 18, vierde lid, de verlaging naar evenredigheid van de krachtens artikel 7, tweede lid, bij ministeriële regeling vastgestelde verdeling. Elke categorie middelen van het programmadeel wordt percentsgewijs toegedeeld aan één of meer in de krachtens artikel 7, tweede lid, vastgestelde ministeriële regeling opgenomen indicatoren. Zoals is gemeld, moet de GSB-stad de in het MOP opgenomen resultaten formuleren met inachtneming van de bij ministeriële regeling vastgestelde indicatoren.
     De minister gaat op basis van artikel 18, vijfde lid, pas over tot de bovenbedoelde verlaging nadat hij de GSB-stad heeft geïnformeerd waarom hij daartoe wil overgaan en de stad de gelegenheid heeft geboden om de wijziging van het MOP aan te passen.

     De minister kan ingevolge artikel 19 bij aanmerkelijke verslechteringen van de financieel-economische omstandigheden het verleende programmadeel verlagen. Dit kan er, indien de verlaging substantieel is, op basis van artikel 18 toe leiden dat de GSB-stad de in het MOP opgenomen resultaten verlaagt.

 

7. Bevoorschotting en vaststelling


     De vaststelling van het inburgeringsdeel van de BDU-SIV zal op een ander tijdstip geschieden dan de vaststelling van het programmadeel van de BDU-SIV. Het bedrag van het inburgeringsdeel van de BDU-SIV is immers niet afhankelijk van het behalen van de in het MOP opgenomen resultaten. Het is dus voor de vaststelling van het inburgeringsdeel niet noodzakelijk om te weten in hoeverre de GSB-stad de in het MOP opgenomen te bereiken resultaten heeft gerealiseerd. Het vastgestelde bedrag wordt verrekend met het bedrag van de verleende voorschotten.

     Dit betekent dat bij de voorschotverlening een onderscheid moeten worden gemaakt tussen voorschotten op het inburgeringsdeel en voorschotten op het programmadeel. Het bovenbedoelde onderscheid is in artikel 20, eerste en tweede lid, neergelegd. De voorschotverlening geschiedt op basis van artikel 20, derde lid, volgens bij regeling van de minister te stellen regels. De te stellen regels zullen onder meer betrekking hebben op het kasritme van de jaarlijkse voorschotten. De toevoeging van extra middelen aan de BDU-SIV gedurende de derde periode van het GSB zal leiden tot hogere jaarlijkse voorschotten.

     De GSB-stad dient op basis van artikel 21 de aanvraag tot vaststelling van het inburgeringsdeel uiterlijk op 1 april 2007 in bij de minister. Het inburgeringsdeel van de BDU-SIV wordt ingevolge artikel 23, eerste lid, in principe, overeenkomstig de verlening vastgesteld. De vaststelling overeenkomstig de verlening geschiedt op basis van de in de monitor inburgering opgenomen gegevens, die de GSB-stad ingevolge artikel 15 aan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie heeft toegezonden. De minister kan op basis van artikel 23, tweede lid, het inburgeringsdeel lager vaststellen indien de GSB-stad niet heeft voldaan aan het bij en krachtens artikel 14 en 15 bepaalde. Het vastgestelde bedrag van het inburgeringsdeel van de BDU-SIV wordt op basis van artikel 23, vierde lid, verrekend met de betaalde voorschotten op het inburgeringdeel. Indien het bedrag aan verleende voorschotten het vastgestelde bedrag van het inburgeringsdeel van de BDU-SIV overtreft, dan is er sprake van onverschuldigd betaalde voorschotten. Op basis van artikel 23, zesde en zevende lid, kunnen de onverschuldigd betaalde voorschotten op het inburgeringsdeel hetzij worden teruggevorderd, hetzij worden verrekend met nog door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie aan de gemeente te betalen bedragen.

     De GSB-stad moet de aanvraag tot vaststelling van het bedrag van het programmadeel van de BDU-SIV op basis van artikel 24, eerste lid, uiterlijk op 15 juli 2010 bij de minister indienen. Bij de aanvraag moet op basis van artikel 24, tweede lid, een verantwoordingsverslag worden gevoegd waarin een vergelijking van de in het MOP opgenomen te bereiken resultaten en de bereikte resultaten en een verklaring van de eventuele verschillen is opgenomen. Het verantwoordingsverslag is voorzien van een verslag van bevindingen bij de uitgevoerde accountantscontrole op het verantwoordingsverslag. De accountant vermeldt in het verslag van bevindingen of het gemeentelijke systeem een betrouwbare registratie van de het bereiken van de in het MOP [van de te bereiken in het MOP, red.] opgenomen resultaten mogelijk maakt en eventuele afwijkingen tussen de aan het gemeentelijk registratiesysteem ontleende gegevens en de in het verantwoordingsverslag opgenomen gegevens.
     Ingevolge artikel 24, vierde lid, moet de aanvraag tot vaststelling van de BDU-SIV tevens vergezeld gaan van een financieel verslag over de besteding van de verleende voorschotten dat vergezeld gaat van een accountantsverklaring. De accountant geeft ingevolge artikel 24, achtste lid, in zijn verklaring onder meer aan of het financieel verslag een getrouw beeld geeft van de besteding van de verleende voorschotten en of die besteding rechtmatig tot stand is gekomen.

     Indien uit het verantwoordingsverslag blijkt dat de GSB-stad de in het MOP opgenomen resultaten onvoldoende heeft gerealiseerd, dan moet de stad in het verslag de oorzaak daarvan aangeven en daarbij vermelden wat zij zelf heeft gedaan om dit zoveel mogelijk te voorkomen. De GSB-stad kan hiermee aantonen dat het niet realiseren van de in het MOP opgenomen resultaten haar niet kan worden toegerekend. De bewijslast voor de niet-verwijtbaarheid ligt bij de GSB-stad.

     De minister kan op basis van artikel 24, elfde lid, indien uit het verantwoordingsverslag blijkt dat de in het MOP opgenomen resultaten niet geheel zijn bereikt, de vaststelling van het programmadeel opschorten. Hij geeft daarbij op grond van artikel 26, eerste lid, aan de stad een extra periode om de ontbrekende resultaten zonder extra rijksmiddelen alsnog te realiseren. De minister zal hiertoe slechts overgaan indien verwacht mag worden dat de GSB-stad de ontbrekende resultaten alsnog zal realiseren. De minister kan ook, indien het niet geheel realiseren van de in het MOP opgenomen resultaten de GSB-stad niet verweten kan worden, een extra periode vaststellen. Een dergelijke omstandigheid kan zich bijvoorbeeld voordoen indien de GSB-stad vanwege een valide reden nog niet het gehele bedrag van de verleende voorschotten aan de bestedingsdoeleinden van de BDU-SIV heeft besteed.

     De GSB-stad moet ingevolge artikel 26, tweede lid, na afloop van de extra periode een verantwoordingsverslag over de realisatie van de ontbrekende resultaten aan de minister toezenden. De GSB-stad dient op basis van artikel 26, derde lid, bij het bovenbedoelde verantwoordingsverslag een financieel verslag bij te voegen over de besteding van het eventuele bedrag aan verleende voorschotten dat niet vóór 1 januari 2010 voor de bestedingsdoeleinden van de BDU-SIV is aangewend.

     De minister gaat over tot lagere vaststelling van het programmadeel dan overeenkomstig de verlening indien uit het verantwoordingsverslag blijkt dat de GSB-stad de in het MOP opgenomen resultaten onvoldoende heeft gerealiseerd. De lagere vaststelling van het programmadeel blijft op basis van artikel 27, derde lid, achterwege indien de GSB-stad naar het oordeel van de minister heeft aangetoond dat er geen sprake is van verwijtbaarheid.

     De lagere vaststelling van het programmadeel geschiedt ingevolge artikel 27, vierde lid, in principe naar evenredigheid van de krachtens artikel 7, tweede en derde lid, vastgestelde verdeling over de indicatoren. De minister kan op basis van artikel 27, vijfde lid, op verzoek van het gemeentebestuur de lagere vaststelling in plaats daarvan bepalen op basis van de verdeling van de feitelijke bestedingen van de verleende voorschotten door de GSB-stad over de in het MOP opgenomen resultaten. De GSB-stad dient hiervoor op basis van artikel 24, vijfde lid, wel een verdeling van de feitelijke bestedingen van de verleende voorschotten bij het verantwoordingsverslag te hebben gevoegd. In dat geval komt ook in beeld in hoeverre het gemeentebestuur de voorschotten heeft besteed aan andere in het MOP opgenomen onderwerpen dan die waarvoor op grond van artikel 7 indicatoren zijn vastgesteld en waaraan het bedrag van het programmadeel van de uitkering op grond van artikel 7, tweede en derde lid, percentsgewijs is toegedeeld. In dat geval wordt bij de berekening van de korting niettemin uitgegaan van een 100-procentstoedeling van de uitkering aan de indicatoren, bedoeld in artikel 7, tweede lid. Uitgangspunt bij de berekening van de korting is dan echter wel de verdeling van de feitelijke besteding over de verschillende indicatoren, en niet de percentsgewijze toedeling aan de indicatoren als bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid.
     De minister vraagt op basis van artikel 27, tiende lid, advies aan een deskundige alvorens hij overgaat tot lagere vaststelling van het programmadeel dan overeenkomstig de verlening vanwege het niet realiseren van de in het MOP opgenomen resultaten. De adviseur is niet werkzaam onder de verantwoordelijkheid van de minister. De minister hoort de stad alvorens hij tot aanwijzing van een deskundige overgaat. Het advies van de deskundige is niet bindend. De minister moet ingevolge artikel 3:8 van de Awb bij het besluit tot lagere vaststelling van het programmadeel dan overeenkomstig de verlening de naam van de adviseur vermelden die het advies heeft uitgebracht. De minister moet op basis van artikel 3:50 van de Awb indien hij afwijkt van het gegeven advies de reden hiervoor in de motivering van het besluit tot lagere vaststelling van de programmadeel vermelden. De minister kan ingevolge artikel 27, elfde lid, op verzoek van de GSB-stad, afzien van het inschakelen van een adviseur.

     Een lagere vaststelling van het programmadeel dan overeenkomstig de verlening is op basis van artikel 27, tweede lid, onderdeel b, eveneens mogelijk indien de GSB-stad niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 12 aan de verlening van de BDU-SIV verbonden verplichtingen. Het is in dat geval niet of niet mogelijk om vast te stellen in hoeverre de GSB-stad de in het MOP opgenomen doelstellingen heeft gerealiseerd.
     Het programmadeel kan ten slotte ingevolge artikel 27, tweede lid, onderdeel c, tevens lager worden vastgesteld dan overeenkomstig de verlening indien verleende voorschotten voor een ander doel dan de in artikel 20, zesde lid, bedoelde activiteiten zijn besteed.

     Het programmadeel van de BDU-SIV kan op grond van artikel 27, zesde lid, volgens bij ministeriële regeling te stellen regels hoger worden vastgesteld dan overeenkomstig de verlening indien de GSB-stad de in het MOP opgenomen doelstellingen heeft overtroffen. Het is hiervoor wel vereist dat het overtreffen van de in het MOP opgenomen doelstellingen te danken is aan bijzondere inspanningen van de GSB-stad.

     Het vastgestelde bedrag van het programmadeel van de BDU-SIV wordt op basis van artikel 27, achtste lid, betaald onder verrekening van betaalde voorschotten op het programmadeel. Indien het bedrag van de bovenbedoelde voorschotten meer bedraagt dan het bovenbedoelde vastgestelde deelbedrag, dan is er sprake van onverschuldigd betaalde voorschotten. Op basis van artikel 28 kunnen de onverschuldigd betaalde voorschotten binnen vijf jaar na de vaststelling van het programmadeel worden teruggevorderd.

 

8. Maatschappelijke effecten


     In overleg met de GSB-steden is overeengekomen dat ook de maatschappelijke effecten van uitvoering van het MOP in beeld zullen worden gebracht in de vorm van outcome-indicatoren. Het uiteindelijke doel van het GSB is erop gericht te komen tot de "complete stad" die veilig is en die in alle opzichten voldoet aan de - steeds hogere - eisen die bewoners, bedrijven, instellingen, bezoekers en recreanten nu en in de toekomst aan de stad stellen: een stad die kansen biedt aan burgers die die kansen nodig hebben en ze ook daadwerkelijk benutten. Een economisch vitale stad, met hoogwaardige vestigingslokaties, die werk biedt aan wie dat zoekt. Door periodieke meting op een aantal outcomedoelstellingen wordt nagegaan in hoeverre deze maatschappelijke doelen worden bereikt.
     De gemeente is verantwoordelijk voor het aanleveren van de volgende vier indicatoren: slachtofferschap, onveiligheidsgevoelens in de wijk, verloedering en sociale kwaliteit. Bij ministeriële regeling zullen die indicatoren nader worden uitgewerkt. Daarbij zullen ook regels worden gegeven voor de momenten waarop gegevens over die maatschappelijke effecten aan de minister verstrekt zullen moeten worden. Het Rijk is verantwoordelijk voor het aanleveren van vijf andere outcome-indicatoren: kwaliteit van de leefomgeving (transactieprijs per m²), sociale kwaliteit van de samenleving (arbeidsparticipatie), aantal midden- en hogere inkomens in de stad, ondernemersklimaat en ten slotte stedelijk brutoproduct.

     Bij de vier door de gemeente aan te leveren outcome-indicatoren moet meer in het bijzonder aan het volgende worden gedacht.
a. Bij slachtofferschap gaat het om vermogensmisdrijven en geweldsmisdrijven tegen burgers. Bij vermogensmisdrijven worden vier elementen onderscheiden: inbraak, fietsendiefstal, diefstal uit en van auto, alsmede zakkenrollerij (diefstal portemonnee, portefeuille of tasje, zonder geweld). Bij geweldsmisdrijven worden drie elementen onderscheiden: mishandeling, bedreiging en seksuele delicten.
b. Bij verloedering gaat het om een schaalscore, gebaseerd op de volgende elementen: bekladding van muren en/of gebouwen, vernieling van telefooncellen, bus- of tramhokjes, rommel op straat en ten slotte hondenpoep op straat.
c. Bij sociale kwaliteit gaat het om een schaalscore, gebaseerd op de volgende elementen: "de mensen kennen elkaar in deze buurt nauwelijks", "in deze buurt gaat men op een prettige manier met elkaar om", "ik woon in een gezellige buurt met veel saamhorigheid" en ten slotte "ik voel mij thuis bij de mensen in deze buurt".

     Deze outcome-indicatoren moeten zowel voor de gehele stad als voor iedere wijk afzonderlijk gemeten worden, voor zover beschikbaar. Voor de afbakening van de wijken wordt de GSB-wijkindeling gehanteerd uit het Jaarboek Grotestedenbeleid. De prioritaire voorbeeldwijken en meetwijken veiligheid zullen hierin herkenbaar worden opgenomen. Op deze wijze kunnen de ontwikkelingen in de wijken worden gevolgd die bijzondere aandacht vragen (integrale gebiedsgerichte aanpak) en is een basis gelegd voor het eventueel ter beschikking stellen van rijksfaciliteiten/instrumenten.

     Deze effecten zullen op verschillende momenten worden gemeten.
a. In hoofdstuk 2 van deze toelichting is vermeld dat na een positieve beoordeling van het MOP van een gemeente het Rijk en die gemeente een convenant sluiten dat geldt voor de gehele GSB-III periode. In een bijlage bij dat convenant zal een nulmeting worden opgenomen voor bovenbedoelde negen indicatoren.
b. Op grond van artikel 12 zal het gemeentebestuur in 2007, bij wijze van midterm review, gegevens moeten verschaffen over de uitvoering van het MOP. Bij diezelfde gelegenheid zal de gemeente ook gegevens moeten verschaffen over de outcome-indicatoren. Indien de gemeente gebruik maakt van een enquête, wordt deze uitgevoerd in de periode januari-maart 2007 en heeft deze betrekking op 2006. De gegevens uit enquêtes en registratiesystemen leveren de steden uiterlijk 30 april 2007 bij het Rijk aan en hebben zoveel mogelijk betrekking op de stand per 31 december 2006.
c. In 2010 dient de gemeente een aanvraag in tot vaststelling van het programmadeel van de uitkering. Daarbij moet een verantwoordingsverslag worden gevoegd (artikel 24). Bij diezelfde gelegenheid zullen ook de outcomegegevens verstrekt moeten worden. Indien een stad gebruik maakt van een enquête, wordt deze uitgevoerd in de periode januari-maart 2010 en heeft deze betrekking op 2009. De stad levert de eindmeting GSB III uiterlijk 15 juli 2010 bij het Rijk aan in het kader van de verantwoording. Het Rijk gebruikt die gegevens voor de GSB-monitor. De verantwoording heeft betrekking op de stand per 31 december 2009.

 

9. Advies Raad voor de financiële verhoudingen


     De Raad voor de financiële verhoudingen (hierna: RFV) heeft op 16 februari 2004 advies uitgebracht over enkele sleutels voor verdeling van de BDU-SIV en een voorstel gedaan voor een nieuwe integrale verdeelsleutel voor de BDU-SIV. Het voorstel gaat uit van relevante grootstedelijke factoren. Die sleutel wordt gebruikt voor de verdeling van de extra veiligheidsmiddelen.
     De verdeelsleutel die de RFV voorstelde, wordt niet toegepast op de middelen die vóór 1 januari 2005 via andere specifieke uitkeringen aan de GSB-steden werden verstrekt. Die sleutel zou tot herverdeeleffecten hebben geleid en dat was, gezien het gevoelige politiek-bestuurlijke krachtenveld, maar ook gezien de inhoudelijke consequenties in 2005, niet wenselijk.
     De RFV is van mening dat de toevoeging van de middelen voor maatschappelijke opvang, verslavingsbeleid en vrouwenopvang weinig toegevoegde waarde heeft. Dit omdat de steden vóór 1 januari 2005 met uitzondering van een rechtmatigheidcontrole op de besteding niet gebonden zijn aan prestatieafspraken.
     De middelen voor maatschappelijke opvang, verslavingsbeleid en vrouwenopvang zijn volgens de RFV bedoeld voor het in stand houden van een regionale voorziening. Ook de verdeling is hierop gebaseerd. De bovenbedoelde middelen passen volgens de Raad daarom niet goed binnen het regime van het GSB.

     De argumenten van de RFV gaan voorbij aan de beleidsmatige overwegingen om de middelen voor maatschappelijke opvang, verslavingszorg en vrouwenopvang aan de BDU-SIV toe te voegen. Hierbij is vooral de relatie tussen maatschappelijke opvang en veiligheid en de wenselijkheid voor steden om integraal op beide te sturen een belangrijke overweging geweest. Dat neemt niet weg dat de centrumfunctie (en dus de regionale verantwoordelijkheid) van de tot de centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid en voor vrouwenopvang behorende GSB-steden, alsmede de landelijke toegankelijkheid, gehandhaafd moeten blijven. Daarom is het verantwoord om de middelen voor maatschappelijke opvang, verslavingsbeleid en vrouwenopvang aan de BDU-SIV toe te voegen.

 

10. Standpunt GSB-steden


     Het Rijk en de 30 GSB-steden hebben overeenstemming bereikt over het stelsel voor de derde periode van het GSB. Het stelsel is neergelegd in de nota "Samenwerken aan de Krachtige Stad". Er is tijdens de bestuurlijke overleggen tussen het Rijk en de 30 GSB-steden van 8 april en van 1 september jongstleden overeenstemming bereikt over:
a. de toe te passen indicatoren voor de in het MOP opgenomen resultaten;
b. de verrekening van de BDU-SIV met de realisatie van de in het MOP opgenomen te bereiken resultaten;
c. de procedure met betrekking tot de eventuele wijziging van de verdeling van de middelen voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid en voor vrouwenopvang;
d. de omvang van de extra veiligheidsmiddelen; en
e. de eindverantwoording in 2010 van de BDU-SIV.
     De bovenbedoelde punten zijn in het onderhavige besluit uitgewerkt.

 

11. Financiële gevolgen voor de rijksbegroting en de GSB-steden


     De BDU-SIV is vooral een bundeling van vóór 1 januari 2005 bestaande specifieke uitkeringen. Het onderhavige besluit heeft op twee punten financiële gevolgen voor de rijksbegroting en daarmee voor de GSB-steden. In de eerste plaats zijn extra veiligheidsmiddelen voor een bedrag van €|120 mln aan de BDU-SIV toegevoegd. In de tweede plaats zijn extra middelen aan de BDU-SIV toegevoegd voor het inlopen van gezondheidsachterstanden voor een bedrag van €|25 mln. Dit resulteert in €|145 mln aan extra middelen voor de GSB-steden. De uitgaven voor de BDU-SIV die ten laste komen van de rijksbegroting bestaan gedurende de derde periode van het GSB uit de verleende voorschotten. De bovenbedoelde extra middelen zijn volgens het onderstaande kasritme beschikbaar voor het verlenen van voorschotten.

2005 2006 2007 2008 2009
|14,8 mln |35,8 mln |37,8 mln |30,8 mln |25,8 mln

 
     De vaststelling van de BDU-SIV in 2010 leidt niet tot extra uitgaven voor de rijksbegroting. De eventuele aan de GSB-steden die zeer goede prestaties hebben geleverd te verlenen toeslag wordt bekostigd uit de terugvordering van de eventuele onverschuldigd betaalde voorschotten.

 

 

II.  Artikelsgewijs

 

Artikel 1

     De in onderdeel a opgenomen begripsomschrijving bewerkstelligt dat het onderhavige besluit niet behoeft te worden aangepast aan wijzigingen in de functionele aanduidingen van ministers.

     De in de onderdelen f en g genoemde centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid onderscheidenlijk voor vrouwenopvang waren genoemd in de bijlage behorende bij het Besluit specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid zoals dat luidde vóór de inwerkingtreding van het onderhavige besluit.

     De in onderdeel i opgenomen begripsomschrijving voor oudkomers is iets anders dan de omschrijving in artikel 1, onderdeel c, van de Regeling inburgering oudkomers 54 gemeenten. Het onderdeel "al voor langere tijd in Nederland verblijven" uit de oude definitie is geschrapt en vervangen door "rechtmatig in Nederland verblijven". Enerzijds sluit dit beter aan bij de in de Vreemdelingenwet 2000 gebruikte terminologie, anderzijds is het gebruik van de woorden "voor langere tijd" overbodig, aangezien deze beperking feitelijk ook ligt besloten in de zinsnede "niet verplicht is om op grond van de Wet inburgering nieuwkomers een inburgeringsprogramma te volgen". Met de aanduiding "etnische minderheidsgroep" wordt in hoofdzaak gedoeld op de eerste generatie niet-westerse allochtonen, alsmede de eerste generatie allochtonen welke afkomstig zijn uit voormalig Joegoslavië en de voormalige Sovjet-Unie. Een gemeente kan besluiten de doelgroep uit te breiden met in zijn gemeente woonachtige eerstegeneratieallochtonen uit andere herkomstgebieden. Voorts worden vreemdelingen die in Nederland verblijven op basis van een tijdelijk doel uitgesloten van de doelgroep. Voor de definiëring van verblijf voor een tijdelijk doel wordt aangesloten bij het bepaalde in artikel 1, tweede lid, Win en de op dit artikel gebaseerde Regeling aanwijzing nieuwkomers wegens verblijf voor een tijdelijk doel. De hier gebruikte omschrijving van oudkomers sluit personen die reeds op basis van de Wet inburgering nieuwkomers een inburgeringsprogramma hebben gevolgd niet uit.

     In onderdeel i is een extra categorie opgenomen: geestelijke bedienaren als bedoeld in de Regeling aanwijzing bijzondere categorieën vreemdelingen ten behoeve van inburgering, die niet verplicht zijn om op grond van de Wet inburgering nieuwkomers een inburgeringsprogramma te volgen. Het gaat daarbij in de praktijk om personen met een tijdelijke verblijfstitel. Die vallen om die reden dan niet onder de reguliere definitie van oudkomers en zouden dus ook niet meetellen voor vergoeding van de kosten van een inburgeringsprogramma. Als gevolg van de motie-Lazrak c.s. (Kamerstukken II 2001-2002, 28 006, nr. 14, en Handelingen II 2001-2002, blz. 91-5450 en 91-5451) wordt het budget voor inburgering van oudkomers ook gebruikt voor bekostiging van inburgeringsprogramma’s voor de bedoelde geestelijke bedienaren. De definitie van oudkomers is om die reden met deze categorie uitgebreid.

 

Artikel 2

     Dit artikel brengt de medeverantwoordelijkheid van de andere ministers voor de BDU-SIV tot uitdrukking. De minister kan slechts in overeenstemming met de medeverantwoordelijke bewindspersonen op grond van het onderhavige besluit beschikkingen geven en ministeriële regelingen vaststellen. De medeverantwoordelijke bewindspersonen zijn de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Justitie, voor Vreemdelingenzaken en Integratie, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretarissen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

 

Artikelen 4 en 9, vierde lid

     De jaarlijkse uitgaven voor de BDU-SIV zijn op hoofdstuk VII van de rijksbegroting, de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, opgenomen. De jaarlijkse bijdragen vanuit de andere hoofdstukken van de rijksbegroting worden voor de GSB-III-periode jaarlijks voor de BDU-SIV ter beschikking gesteld. De andere hoofdstukken van de rijksbegroting zijn hoofdstuk VI, de begroting van het ministerie van Justitie, hoofdstuk VIII, de begroting van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en hoofdstuk XVI, de begroting van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De bijdragen vanuit de andere hoofdstukken van de rijksbegroting worden conform artikel 31, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001 jaarlijks als geldelijke betalingen op die andere begrotingen en als geldelijke ontvangsten op hoofdstuk VII van de rijksbegroting geboekt.
     Aangezien de verplichtingen en de uitgaven voor de BDU-SIV jaarlijks in de begroting van het desbetreffende begrotingsjaar zijn opgenomen, wordt de BDU-SIV ingevolge artikel 9, vierde lid, verleend onder de voorwaarde dat door de begrotingswetgever voldoende gelden ter beschikking worden gesteld. De BDU-SIV wordt immers verleend voor een tijdvak van vijf jaar, de gehele GSB-III-periode.

 

Artikel 5

     Het derde lid ziet op de situatie dat de GSB-stad vóór de inwerkingtreding van het onderhavige besluit één aanvraag heeft ingediend voor al de drie brede doeluitkeringen voor de derde periode van het GSB. De mogelijkheid van één aanvraag is opgenomen in de nota "Samenwerken aan de Krachtige Stad". Op basis van het derde lid wordt de aanvraag voor de drie brede doeluitkeringen ook als aanvraag voor de BDU-SIV aangemerkt.

 

Artikel 9, eerste tot en met derde lid

     De minister beslist op de aanvraag tot verlening van de BDU-SIV binnen acht weken na de ontvangst van de aanvraag. Ingevolge artikel 5, eerste lid, moet de aanvraag tot verlening van de BDU-SIV binnen acht weken na inwerkingtreding van het onderhavige besluit worden ingediend. De minister beslist in beginsel binnen zestien weken na de inwerkingtreding van het onderhavige besluit op de aanvraag tot verlening van de BDU-SIV. De minister beslist op basis van het tweede lid op de ene aanvraag voor de drie brede doeluitkeringen, die vóór de inwerkingtreding van het onderhavige besluit is ingediend, binnen acht weken na die inwerkingtreding.

     Het derde lid is ontleend aan artikel 4:31, eerste lid, van de Awb.

 

Artikel 12

     De GSB-stad zal op basis van onderdeel b gegevens moeten verstrekken in 2005 ten behoeve van de nulmetingen en in 2007 ten behoeve van de midterm review.

 

Artikel 13

     Artikel 10a, vierde en vijfde lid, van de Welzijnswet 1994 en de daarop berustende bepalingen zijn van toepassing op gemeenten aan wie krachtens het Besluit specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid specifieke uitkeringen zijn verstrekt. Op basis van artikel 13, eerste en tweede lid, zijn de bovenbedoelde bepalingen ook van toepassing op de GSB-gemeenten die behoren tot de centrumsteden voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid en tot de centrumsteden voor vrouwenopvang. Artikel 13, derde en vierde lid, is ontleend aan artikel 12 van de Welzijnswet 1994. Het laatstgenoemde artikel ziet op de specifieke uitkeringen die krachtens het Besluit specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid worden verleend.

 

Artikel 14

     De krachtens dit artikel door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie vastgestelde regels komen overeen met de soortgelijke regelingen voor de inburgering van oudkomers die hij voor de bijdragen aan de niet-GSB-gemeenten heeft vastgesteld.

 

Artikelen 15 en 21

     De GSB-steden moeten ingevolge artikel 15 vóór 1 april 2006 een monitor inburgering aan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie toezenden over 2005. De in de monitor inburgering opgenomen gegevens worden behalve voor de vaststelling van het inburgeringsdeel ook gebruikt om de Tweede Kamer der Staten-Generaal op de hoogte te stellen van de ontwikkelingen op het gebied van inburgering. De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie heeft dit in een algemeen overleg met de Vaste Commissies voor Justitie, voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid en voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 april 2004 toegezegd (Kamerstukken II 2003-2004, 27 083, nr. 42, blz. 4 en 5).
     De GSB-stad dient vóór 1 april 2007 de gegevens met betrekking tot het aantal oudkomers dat in 2006 een inburgeringsprogramma heeft afgerond aan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te hebben gezonden. Het aantal oudkomers dat in 2005 een inburgeringsprogramma voor oudkomers is gestart en dat in 2006 heeft afgerond, is een belangrijke variabele voor de vaststelling van het bedrag van het inburgeringsdeel. Er is in artikel 21 dan ook neergelegd dat de GSB-stad de aanvraag tot vaststelling van het inburgeringsdeel uiterlijk op 1 april 2007 bij de minister moet hebben ingediend.
     De verplichting tot het desgevraagd geven van inzicht in de controlegegevens aan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie was vóór de inwerkingtreding van het onderhavige besluit reeds opgenomen in artikel 13, zevende lid, van het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers.

 

Artikel 17, vierde lid

     De op basis van het onderzoek van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gewijzigde verdeling wordt in materiële zin niet met terugwerkende kracht toegepast. Aangezien er echter sprake is van één BDU-SIV voor de gehele GSB-III-periode wordt de gewijzigde verdeling tijdsevenredig omgerekend. De daaruit resulterende wijziging werkt op basis van het vierde lid terug tot en met het tijdstip waarop de BDU-SIV is verleend.

 

Artikel 18, vierde lid

     De verlaging van het verleende programmadeel in verband met de wijziging van de in het MOP opgenomen resultaten geschiedt naar evenredigheid van de krachtens artikel 7, tweede en derde lid, vastgestelde verdeling over de indicatoren. Het bovenstaande wordt aan de hand van het volgende voorbeeld toegelicht.

     Voorbeeld: Aan indicator A is 40% van de middelen voor leefbaarheid en veiligheid toegedeeld. Indien de gemeenteraad het in het MOP opgenomen resultaat op indicator A met 20% vermindert, dan wordt het procentuele aandeel van de gemeente in de middelen voor leefbaarheid en veiligheid met 40 x 0,20% = 8% verlaagd.

 

Artikel 20

     De krachtens het derde lid vastgestelde regels komen voor wat betreft verlening van de voorschotten op het inburgeringsdeel zoveel mogelijk overeen met de soortgelijke regels die de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie voor de rijksbijdragen voor inburgering aan de niet-GSB-gemeenten heeft vastgesteld. Het vierde en vijfde lid zijn ontleend aan artikel 4:55 van de Awb.
     De gemeente kan op basis van het zesde lid de ontvangen voorschotten uitsluitend besteden aan activiteiten die in de GSB-III-periode worden verricht. Dit heeft tot gevolg dat de voorziening die de GSB-stad ingevolge artikel 44, tweede lid, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (hierna: BBV) ter zake van de BDU-SIV heeft gevormd, op 31 december 2009 nihil dient te bedragen.
     De bestedingen kunnen bestaan uit:
a. betalingen die in de GSB-III-periode zijn gedaan;
b. op 31 december 2009 bestaande schulden die na de GSB-III-periode tot betaling komen (zie artikel 48 van het BBV); en
c. verplichtingen die in 2009 zijn opgebouwd en in een volgend jaar tot betaling komen (zie artikel 49 van het BBV).

     Omzetbelasting die de GSB-stad gecompenseerd krijgt door het Rijk via de Wet op het BTW-compensatiefonds kan ingevolge het zevende lid ook een bestedingscategorie van de ontvangen voorschotten zijn. Dit hangt samen met het feit dat de BDU-SIV voor het overgrote deel bestaat uit een bundeling van bestaande specifieke uitkeringen die vóór 1 januari 2004 werden verleend. De gehele BDU-SIV wordt om doelmatigheidsredenen voor de toepassing van de Wet op het BTW-compensatiefonds behandeld als een vóór 1 januari 2004 bestaande specifieke uitkering. De inkoop-BTW over de uitgaven die de GSB-stad met de middelen van bestaande specifieke uitkeringen doet, is betrokken bij de bepaling van de uitname uit het gemeentefonds. De bestaande specifieke uitkeringen zijn derhalve niet gekort vanwege de introductie van het BTW-compensatiefonds (Kamerstukken II 1999-2000, 27 293, nr. 3, blz. 11 en 15).

 

Artikel 23, derde en vierde lid

     Het derde en het vierde lid zijn ontleend aan de artikelen 4:42 onderscheidenlijk 4:52, eerste lid, van de Awb.
     Het zesde lid komt inhoudelijk overeen met artikel 4:57 van de Awb. Het bedrag van de onverschuldigd betaalde voorschotten is het bedrag van de verleende voorschotten op het inburgeringsdeel onder aftrek van het vastgestelde bedrag van het inburgeringsdeel.

 

Artikel 24, vierde lid en negende lid, onderdeel c

     De GSB-stad moet op basis van het vierde lid bij de aanvraag tot vaststelling van het programmadeel een verslag van de besteding van de verleende voorschotten voegen. Er worden bij regeling van de minister regels gegeven voor de accountantscontrole op het verantwoordingsverslag en het financieel verslag. De regels zullen onder meer een tolerantiemarge vaststellen die van toepassing is op de verantwoording van de besteding van de voorschotten op de BDU-SIV.

 

Artikel 27, eerste, zevende en achtste lid

     Er wordt in het eerste lid met "overeenkomstig de verlening" gedoeld op de verlening zoals die luidt na de eventuele toepassing van de artikelen 16 tot en met 19.
     Het zevende en achtste lid zijn ontleend aan artikel 4:42 onderscheidenlijk artikel 4:52, eerste lid, van de Awb.

 

Artikel 28

     Deze bepaling komt inhoudelijk overeen met artikel 4:57 van de Awb. Het bedrag van de onverschuldigd betaalde voorschotten is het bedrag van de verleende voorschotten op het programmadeel onder aftrek van het vastgestelde bedrag van het programmadeel.

 

Artikel 32

     In het Besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten van 7 december 2001 wordt bij de berekening van een deel van de specifieke uitkering de volwassen inwoners van de G25 buiten beschouwing gelaten. Met de uitbreiding van G25 naar de G30 is het noodzakelijk artikel 4 van genoemd besluit te wijzigen.

 

Artikel 33

     De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport moet op basis van artikel 5, eerste lid, van het Besluit specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid vóór 15 januari 2005 een beslissing nemen omtrent de verlening voor 2005 van de krachtens dat besluit verleende specifieke uitkeringen. Ingevolge het eerste lid neemt de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in zijn verleningsbeschikking op dat de specifieke uitkeringen voor de GSB-stad bij inwerkingtreding van het onderhavige besluit nihil bedragen. De gemeenten wenden de krachtens het Besluit specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid verleende specifieke uitkeringen in de regel aan voor de bekostiging van diverse instellingen. Op basis van dit artikel kan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voorschotten aan de GSB-stad verlenen indien het onderhavige besluit na 15 januari 2005 in werking treedt. De liquiditeit van de instellingen voor maatschappelijke opvang, vrouwenopvang of voor verslavingsbeleid ondervindt dan geen nadeel van de inwerkingtreding van het onderhavige besluit na 15 januari 2005. De als gevolg van de inwerkingtreding van het onderhavige besluit door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport onverschuldigd betaalde voorschotten worden verrekend met de door de minister in 2005 verleende voorschotten op het programmadeel.

 

Artikel 34

     Dit artikel voorziet in het op grond van artikel 4:23, eerste lid, van de Awb vereiste wettelijk voorschrift voor de verstrekking van subsidies door de minister voor activiteiten die passen in het GSB. Op basis van artikel 4:23, tweede lid, van de Awb kan het bovenbedoelde wettelijk voorschrift ook zijn opgenomen in een zelfstandige algemene maatregel van bestuur. Het onderhavige besluit is zoals in hoofdstuk 3 van het algemeen deel van de toelichting is opgemerkt een zelfstandige algemene maatregel van bestuur. Artikel 34 vervalt ingevolge artikel 4:23, tweede lid, van de Awb binnen vier jaar nadat het in werking is getreden, tenzij vóór dat tijdstip een voorstel van wet is ingediend waarin de subsidieverstrekking is geregeld. De minister verleent in de GSB-III-periode in ieder geval aan de Stichting Kenniscentrum Grote Steden en de Vereniging Landelijk Samenwerkingsverband Aandachtswijken een structurele subsidie.

 

Artikel 35

     Artikel 31 werkt terug tot en met 1 september 2004. Deze terugwerkende kracht vloeit voort uit artikel 4, vierde lid, van het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers. De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie moet namelijk op basis van het bovenbedoelde artikel in september 2004 een besluit nemen over de rijksbijdrage over 2005. Artikel 31 vervalt met ingang van het tijdstip dat het in artikel 35, tweede lid, bedoelde wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking is getreden. Artikel 31 is op dat tijdstip overbodig geworden, omdat artikel 16 van de Win in de desbetreffende regeling zal voorzien.

     Artikel 34 werkt terug tot en met 1 januari 2005. Dat artikel biedt mede de grondslag voor de Tijdelijke subsidieregeling LSA (Stcrt. 2005, 15). Met ingang van die datum is de verantwoordelijkheid voor de subsidiëring van het beleidssecretariaat en de personele ondersteuning van het Landelijk Samenwerkingsverband Aandachtswijken (LSA) bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties komen te liggen. Met ingang van dat jaar heeft het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport daartoe de subsidieverantwoordelijkheid structureel overgedragen van zijn begroting naar die van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. In verband daarmee is de bovengenoemde Tijdelijke subsidieregeling LSA tot stand gekomen. Uit een oogpunt van continuïteit werkt die regeling terug tot en met 1 januari 2005. Dat geldt dus ook voor artikel 34 van dit besluit, dat de grondslag biedt voor die regeling.

 

De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties,
A. Pechtold