Kamerstukken II 2002-2003, 28 960

Invoering van de Wet werk en bijstand (Invoeringswet Wet werk en bijstand)

 

 

Nr.r1 KONINKLIJKE  BOODSCHAP

 

 

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

 

     Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet tot invoering van de Wet werk en bijstand (Invoeringswet Wet werk en bijstand).
     De memorie van toelichting, die het wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.
     En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

 

’s-Gravenhage, 7 juni 2003

 

BEATRIX

 

 

 

Nr.r2 VOORSTEL  VAN  WET

 

 

Inhoudsopgave IWwb

Hoofdstuk 1 Definities art. 1
Hoofdstuk 2 Overgangsrecht artt. 2 - 22
Hoofdstuk 3 Wijziging van andere wetten artt. 23 - 68
§ 3.1x Sociale Zaken en Werkgelegenheid artt. 23 - 40
§ 3.2x Justitie artt. 41 - 47
§ 3.3x Economische Zaken art. 48
§ 3.4x Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer artt. 49 - 50
§ 3.5x Binnenlandse Zaken artt. 51 - 57
§ 3.6x Defensie artt. 58 - 59
§ 3.7x Financiën artt. 60 - 62
§ 3.8x Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen artt. 63 - 65
§ 3.9x Volksgezondheid, Welzijn en Sport artt. 66 - 68
Hoofdstuk 4 Overige en slotbepalingen artt. 69 - 73
xxxxxxxxxxxr   xxxxxxxxxxr

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de invoering van de Wet werk en bijstand en enkele daarmee samenhangende onderwerpen te regelen, zulks onder intrekking van de Algemene bijstandswet, de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet, de Wet inschakeling werkzoekenden, de Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz en het Besluit in- en doorstroombanen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

HOOFDSTUK  1

Definities

 

Art. 1 [1]. Begripsbepalingen  [MvT]
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. Peildatum: de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand;
c. Algemene bijstandswet: de Algemene bijstandswet zoals deze luidde op de peildatum;
d. Wet inschakeling werkzoekenden: de Wet inschakeling werkzoekenden zoals deze luidde op de peildatum;
e. Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz: de Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz zoals deze luidde op de peildatum;
f. Besluit in- en doorstroombanen: het Besluit in- en doorstroombanen zoals dit luidde op de peildatum;
g. Ioaz: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
h. Ioaw: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
i. college: het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in de artikelen 10 [10], derde lid, en 40 [40], eerste lid, van de Wet werk en bijstand.

 

 

HOOFDSTUK  2

Overgangsrecht

 

Art. 2 [2]. Intrekking wetten en besluit  [MvT]
-1. De Algemene bijstandswet, de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet, de Wet inschakeling werkzoekenden, de Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz en het Besluit in- en doorstroombanen worden ingetrokken.
-2. Voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan van de in het eerste lid genoemde wetten of het Besluit in- en doorstroombanen kan bij koninklijk besluit het tijdstip waarop deze vervallen verschillend worden gesteld.
-3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de gevolgen van de toepassing van het tweede lid, waarbij zo nodig kan worden afgeweken van de in dat lid bedoelde artikelen of onderdelen daarvan.

 

Art. 3 [3]. Toeslagenverordening  [MvT]
De verordening, bedoeld in artikel 38 van de Algemene bijstandswet, geldt als de verordening, bedoeld in artikel 8 [8], eerste lid, onderdeel c, van de Wet werk en bijstand.

 

Art. 4 [4]. Omzetting besluiten  [MvT]
-1. Door het college op grond van de Algemene bijstandswet, de Wet inschakeling werkzoekenden of het Besluit in- en doorstroombanen genomen besluiten gelden als door hem genomen besluiten op grond van de Wet werk en bijstand.
-2. In afwijking van het eerste lid gelden door het college op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden of het Besluit in- en doorstroombanen ten aanzien van personen die een uitkering ontvangen op grond van de Ioaz of de Ioaw genomen besluiten als door hem genomen besluiten op grond van de Ioaz onderscheidenlijk de Ioaw.
-3. Onverminderd de artikelen 6 [6] en 8 tot en met 12 [8-12] brengt het college de in het eerste en het tweede lid bedoelde besluiten binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand in overeenstemming met onderscheidenlijk die wet, de Ioaz of de Ioaw.
-4. Het college brengt vóór of op de peildatum op grond van de Ioaz of de Ioaw genomen besluiten binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van artikel 23 [23] onderscheidenlijk artikel 24 [24] in overeenstemming met de artikelen 37 en 37a van de Ioaz onderscheidenlijk de Ioaw, zoals deze luiden na de inwerkingtreding van de onderdelen L [L] en M van artikel 23 [M] onderscheidenlijk artikel 24 [24].
-5. In dit hoofdstuk worden onder door het college genomen besluiten op grond van de Algemene bijstandswet, de Wet inschakeling werkzoekenden of het Besluit in- en doorstroombanen mede verstaan door hem op grond van die wetten of dat besluit met toepassing van artikel 2 [2], tweede lid, na de peildatum genomen besluiten.

 

Art. 5. Aanvragen ¹
Op een aanvraag tot het verlenen van bijstand wordt beslist met toepassing van:
Wiw of het ID-besluit genomen besluiten moeten worden beschouwd als besluiten op grond van de Wwb (artikel 4, eerste lid) waarvoor dus ook het financiële regime van de Wwb geldt, ook zolang een aantal bepalingen van de oude regelgeving nog enige tijd van kracht zijn. Het centraal geregelde overgangsregime kan zich dus beperken tot die onderdelen van de wet waarin centrale regels zijn gesteld die afwijken van de eerdere regelgeving ter zake.
Dit betreft:
1. het vaststellen van een drietal verordeningen;
2. het invoeren van een algemeen geldende arbeidsverplichting met de mogelijkheid van individuele ontheffing;
3. wijzigingen in de centrale regelgeving voor de hoogte van de bijstand;
4. uitbesteding reïntegratieactiviteiten. Hierop zal nader worden ingegaan in de artikelsgewijze toelichting.

 

2.1. Verordeningen


     De Wwb kent bij drie onderdelen de opdracht aan gemeenten het beleid vast te leggen in een verordening. Behalve de al onder de Abw voorgeschreven toeslagenverordening betreft dit de nieuw vast te stellen verordeningen voor ondersteuning bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen (reïntegratieverordening) en voor de verlaging van de uitkering bij het niet nakomen van verplichtingen (afstemmingsverordening). Voor de nieuw vast te stellen verordening krijgen gemeenten enige extra tijd om deze vast te stellen. In de toelichting op artikel 2 is aangegeven wat het kabinet daarbij voor ogen staat. Gelet op het voornemen van het kabinet de Wwb in te voeren per 1 januari 2004, is daarbij aangegeven dat de verordeningen uiterlijk na drie maanden in werking moeten treden.

     Ten aanzien van de reïntegratieverordening (artikel 8, eerste lid, onderdeel a, Wwb) geldt het volgende. Het is aan de gemeente om ondersteuning en voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling die zijn aangeboden vóór de invoering van de Wwb zo nodig aan deze verordening aan te passen. Deze invoeringswet stelt daarvoor geen regels. Voor degenen die eerst vanaf de invoering van de Wwb recht hebben op bijstand geldt van meet af aan de plicht tot arbeidsinschakeling zoals vastgelegd in artikel 9 van de Wwb. De gemeente is op grond van artikel 7 van de Wwb verantwoordelijk voor de ondersteuning en het aanbieden van voorzieningen. Aan deze verantwoordelijkheid wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat er gedurende maximaal drie maanden nog geen reïntegratieverordening is. De gemeente dient dus zonder de aanwezigheid van een verordening haar besluiten ter zake voldoende te motiveren op basis van vastgesteld beleid. Ook in deze situatie geldt dat de gemeente, behoudens een eerder verzoek daartoe van betrokkenen, zelf kan bepalen of het naderhand nodig is een nieuw besluit te nemen op basis van de reïntegratieverordening.
     Voor personen met een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet en voor niet-uitkeringsgerechtigden bestaat niet de arbeidsverplichting maar wel de aanspraak op ondersteuning en op de naar het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk geachte voorzieningen. Ook voor deze categorieën geldt dat burgemeester en wethouders, zolang er nog geen reïntegratieverordening is, een besluit moeten nemen rechtstreeks op grond van de Wwb en dat het aan hen is, behoudens een eerder verzoek daartoe van betrokkene, om te bepalen of het naderhand nodig is een nieuw besluit te nemen op basis van de reïntegratieverordening.
a. de Algemene bijstandswet, indien het recht op bijstand ingaat vóór of op de peildatum;
b. de Wet werk en bijstand, indien het recht op bijstand ingaat na de peildatum.

1. Zie voor de juiste tekst artikel 5 van de herdruk van het voorstel van wet, red.

 

Art. 6 [6]. Terugvordering, verhaal, boetes en maatregelen  [MvT]
Op terugvordering of anderszins terugbetaling en verhaal van, alsmede op boetes en maatregelen met betrekking tot, vóór of op de peildatum onderscheidenlijk met toepassing van artikel 2 [2], tweede lid, na de peildatum verleende bijstand blijft de Algemene bijstandswet van toepassing.

 

Art. 7 [7]. Zelfstandigen  [MvT]
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld

 

 

 


De volledige, bijgewerkte pagina is alleen voor abonnees beschikbaar.
Voor meer informatie klik hier.