blz. 1  

Kamerstukken II 2002-2003, 28 870

Vaststelling van een wet inzake ondersteuning bij arbeidsinschakeling en verlening van bijstand door gemeenten (Wet werk en bijstand)

 

 

Nr.r5 BRIEF  VAN  DE  STAATSSECRETARIS  VAN  SOCIALE  ZAKEN  EN  WERKGELEGENHEID

 

 

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 12 juni 2003

 

     Hierbij doe ik u drie adviezen van de Raad voor de financiële verhoudingen betreffende de financieringssystematiek van de Wet werk en bijstand toekomen.¹ Het eerste advies van de Raad is verstuurd op 21 november en betreft een reactie van de Raad op de financieringssystematiek zoals opgenomen in een eerder ontwerp van het bij uw Kamer ingediende wetsontwerp Wet werk en bijstand. Het tweede advies van de Raad betreft een advies op hoofdlijnen en is verstuurd op 9 mei 2003. Het betreft een vervolg op het eerder uitgebrachte advies. In het advies van 9 mei 2003 is een vervolgadvies aangekondigd. Bij brief van 6 juni 2003 heb ik het vervolgadvies ontvangen.

1. Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

     Bij brief van 1 november 2002 heb ik de Raad voor de financiële verhoudingen om advies gevraagd over de financieringssystematiek zoals opgenomen in een eerste ontwerp van het wetsvoorstel Wet werk en bijstand. In zijn advies van 21 november 2002 stelt de Raad dat 100% budgetteren van het inkomensdeel vereist dat aan een aantal voorwaarden is voldaan:
1. Het vastgestelde macrobudget dient exact de conjunctuur te volgen.
2. De verdeelsystematiek dient overeenkomstig de behoefte van gemeenten te geschieden.
     De Raad stelt in zijn eerste advies dat naar zijn opvatting aan beide voorwaarden niet is voldaan. In lijn met het voorgaande is de Raad verder van mening dat de in het voorliggende wetsvoorstel gecreëerde beleidsvrijheid voor gemeenten onvoldoende is in relatie tot de verhoging van de (onbeheersbare) risico’s.

     De Raad geeft aan dat het uitgangspunt van een specifieke uitkering is dat deze kostendekkend dient te zijn. De risico’s van een te laag vastgesteld macrobudget en/of een verdeelsystematiek die niet voldoet aan bovenstaande voorwaarde horen ten laste te komen van het Rijk in plaats van het collectief van de gemeenten.
     Ad 1. Ten aanzien van het macrobudget wordt aangegeven dat de vaststelling nauwkeurig dient te gebeuren. De Raad stelt vast dat er nog  blz. 2  onduidelijkheid bestaat over de wijze van de vaststelling van het macrobudget voor het inkomensdeel. Verhoging van de budgettering is naar zijn opvatting niet aan de orde voordat

 

 

 


De volledige, bijgewerkte pagina is alleen voor abonnees beschikbaar.
Voor meer informatie klik hier.