Geschiedenis van deze regeling:

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Bekendmaking regeling Bekendmaking inwerkingtreding
01-01-2016   Intrekking Stcrt. 2015, 19073 Stcrt. 2015, 19073
04-06-2008   Wijziging Stcrt. 2008, 103 Stcrt. 2008, 103
01-10-2006   Wijziging Stcrt. 2006, 182 Stcrt. 2006, 182
23-02-2002 01-01-2002 Wijziging Stcrt. 2002, 37 Stcrt. 2002, 37
01-01-1998   Nieuwe regeling Stcrt. 1997, 248 Stb. 1997, 391

 

 

REGELING houdende regels omtrent hetgeen wordt verstaan onder directeur-grootaandeelhouder als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Ziektewet, artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Werkloosheidswet

19 december 1997/nr. SV/WV/97/5347
Directie Sociale Verzekeringen

     De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën;
     Gelet op artikel 6, vierde lid, van de Ziektewet, artikel 6, vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en artikel 6, vierde lid, van de Werkloosheidswet;

     Besluit:

 

 

Art. 1.
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
b. vennootschap: een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid als bedoeld in de titels 4 en 5 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
c. bestuurder: de statutair bestuurder van een vennootschap;
d. echtgenoot: de persoon die met de bestuurder gehuwd is of die daarmee een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.

 

Art. 2.
-1. Onder directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Ziektewet, artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Werkloosheidswet en artikel 3:17, tweede lid, van de Wet arbeid en zorg, wordt verstaan:
a. de bestuurder die, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, houder is van aandelen die ten minste de helft van de stemmen in de algemene vergadering van de vennootschap vertegenwoordigen;
b. de bestuurder die, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, houder is van een zodanig aantal aandelen dat, indien in de statuten is bepaald dat het besluit tot schorsing of tot ontslag van deze bestuurder slechts mag worden genomen met een versterkte meerderheid in de algemene vergadering van de vennootschap, de overige aandeelhouders niet over deze versterkte meerderheid beschikken;
c. bestuurders die in de algemene vergadering van de vennootschap allen een gelijk of nagenoeg gelijk aantal stemmen kunnen uitbrengen; of
d. de bestuurder van een vennootschap waarvan ten minste twee derde deel van de aandelen worden gehouden door zijn bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad.
-2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de bestuurder die zeggenschap heeft in de algemene vergadering van de vennootschap door tussenkomst van een rechtspersoon.

 

Art. 3.
Het UWV is bevoegd, in afwijking van artikel 2, een bestuurder niet als directeur-grootaandeelhouder aan te merken indien deze door feiten en omstandigheden aantoont daadwerkelijk ondergeschikt te zijn aan de algemene vergadering van de vennootschap.

 

Art. 4.
Deze regeling is van overeenkomstige toepassing op de bestuurder van een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal die niet naar Nederlands recht is opgericht.

 

Art. 5.
Deze regeling treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop de artikelen XXXII, XXXIV, onderdeel A, en XXXV, onderdeel A, van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen in werking treden.

 

Art. 6.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

’s-Gravenhage, 19 december 1997.
De Staatssecretaris voornoemd,
F.H.G. de Grave.

 

 

 

TOELICHTING
[19 december 1997]

 

Algemeen

 

     In het kader van de wetgeving met betrekking tot het Pemba-complex is bepaald dat de arbeidsverhouding van de directeur-grootaandeelhouder (dga) niet als dienstbetrekking voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) wordt beschouwd. directeuren-grootaandeelhouders zijn derhalve niet verzekerd op grond van de WAO. Zij zijn echter wel verzekerd voor de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Een dga die niet in dienstbetrekking in de zin van de WAO werkzaam is, valt immers onder de categorie beroepsbeoefenaren, genoemd in artikel 5 van de WAZ en is uit dien hoofde WAZ-verzekerd. Voorts is in het kader van het Pemba-complex bepaald dat nadere regels worden gesteld omtrent hetgeen onder directeur-grootaandeelhouder moet worden verstaan. Deze bepalingen zijn vormgegeven in een wijziging van de WAO (artikel XXXII van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen). In verband met de gewenste coördinatie tussen de verschillende werknemersverzekeringswetten zijn in de Ziektewet en de Werkloosheidswet gelijkluidende bepalingen opgenomen (artikelen XXXIV en XXXV van genoemde Invoeringswet).
     De onderhavige regeling beoogt te voorzien in de nadere regels met betrekking tot de omschrijving van het begrip directeur-grootaandeelhouder. Het stellen van deze nadere regels is wenselijk met het oog op (vergroting van) de kenbaarheid ervan. Daarbij wordt zo dicht mogelijk aangesloten bij de criteria die destijds door de Federatie van Bedrijfsverenigingen (FBV) zijn afgeleid van de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Sinds de uitspraak CRvB 4 oktober 1985 (RSV 1986/21) wordt er voor de toepassing van de werknemersverzekeringen van uitgegaan dat de arbeidsverhouding tussen een dga en een BV/NV in het algemeen niet als een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht kan worden aangemerkt en de dga mitsdien niet als werknemer in de zin van de ZW, WAO en WW kan worden aangemerkt. De vraag of sprake is van een dienstbetrekking moet voor toepassing van de werknemersverzekeringen worden beoordeeld aan de hand van de feitelijke situatie en niet van de formele situatie. Omdat de dga de feitelijke macht heeft in de algemene vergadering van aandeelhouders, is hij daaraan niet ondergeschikt en is geen sprake van een reële gezagsverhouding en evenmin van werknemerschap en van verplichte verzekering.
     Naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB wordt in de uitvoeringspraktijk aan de hand van een aantal richtlijnen de (afwezigheid van) verzekeringsplicht van directeuren-grootaandeelhouders vastgesteld. Deze richtlijnen dienen als handvat voor de beoordeling van de feitelijke situatie en gelden dus niet als absolute maatstaf, waarvan nimmer kan worden afgeweken.
     Dit is inherent aan de beoordeling van feitelijke situaties.
     In dit besluit wordt, zoals opgemerkt, zoveel mogelijk bij genoemde richtlijnen aangesloten. Een tweetal richtlijnen van de FBV is niet overgenomen. Het betreft hier de richtlijnen met betrekking tot de vaststelling van de verzekeringspositie van echtgenoten en familieleden van directeuren. Hierbij gaat het immers niet om dga’s zelf, zodat zij buiten het bestek van de te regelen materie vallen.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1

     Opgemerkt wordt dat het in de onderhavige regeling gaat om de statutair bestuurder van een vennootschap; niet om een zogeheten "titulair" of "commercieel" directeur. Laatstgenoemden zijn immers ondergeschikt aan het bestuur van de vennootschap.

 

Artikel 2

     Algemene opmerkingen In artikel 2, onderdeel a tot en met d, zijn de richtlijnen 1 tot en met 4 van de voormalige FBV ten aanzien van de verzekeringsplicht van dga’s vastgelegd. Deze richtlijnen berusten op de desbetreffende jurisprudentie van de CRvB en worden ook thans nog in de uitvoeringspraktijk gehanteerd. Er is in deze regeling derhalve sprake van een formalisering van de bestaande rechtspraktijk. De bedoelde richtlijnen zijn in feite een uitwerking van één van de elementen van het begrip arbeidsovereenkomst, namelijk de gezagsverhouding. Ingevolge de jurisprudentie bij artikel 3 van de werknemersverzekeringen [werknemersverzekeringswetten, red.] is voor het aannemen van een arbeidsovereenkomst vereist dat een gezagsverhouding daadwerkelijk aanwezig is.
     De FBV-richtlijnen 5 en 6 hebben betrekking op de echtgenoot en familieleden van bestuurders. Deze richtlijnen zijn niet in de onderhavige regeling neergelegd. Aan de hand van (de jurisprudentie inzake) artikel 3 van de werknemersverzekeringen kan ten aanzien van deze personen reeds tot een adequate beoordeling van de verzekeringsplicht worden gekomen. De arbeidsverhouding van familieleden wordt derhalve getoetst aan de gangbare materiële maatstaven inzake de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.


Eerste lid

     Zoals gezegd zien de onderdelen a tot en met d op het element gezagsverhouding in het specifieke geval van een directeur-grootaandeelhouder. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst ook sprake dient te zijn van de verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid alsmede van de verplichting tot betaling van loon. Indien een persoon niet daadwerkelijk in het bedrijf werkzaam is, of geen loon ontvangt, is er op die grond reeds geen sprake van een arbeidsovereenkomst en behoeft het element gezagsverhouding niet (meer) te worden getoetst.
     Indien de bestuurder van een vennootschap werkzaam is in een feitencomplex als bedoeld in één van de onderdelen a tot en met d, zal het Lisv [Landelijk instituut sociale verzekeringen, zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.] deze persoon aanmerken als een niet voor de werknemersverzekeringen verzekerde directeur-grootaandeelhouder (artikel 6, eerste lid, onderdeel d, ZW, WAO en WW). Dit laat de toepasselijkheid van artikel 3 van deze wetten overigens echter onverlet. Indien het feitencomplex in een concreet geval niet geheel overeenkomt met één van deze onderdelen, kan het Lisv derhalve geen verzekeringsplicht aannemen indien naar zijn oordeel materieel geen gezagsverhouding aanwezig is. De hoofdregels van artikel 2, eerste lid, kunnen derhalve opzij worden gezet door artikel 3 van de genoemde wetten alsmede door het hierna nog toe te lichten artikel 3 van deze regeling. Onderstaand worden de onderdelen a tot en met d verder kort toegelicht.


Onderdeel a

     De directeur die, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, 50% of meer van de stemmen kan uitbrengen in de algemene vergadering van aandeelhouders, verkeert ten opzichte van die vergadering niet in een positie van ondergeschiktheid. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat het dus moet gaan om aandelen waaraan stemrecht in de algemene vergadering verbonden is.


Onderdeel b

     Indien een directeur, blijkens de regeling van het stemrecht in de statuten, niet tegen zijn wil kan worden geschorst of ontslagen door de algemene vergadering, is hij daaraan eveneens niet ondergeschikt. In de regeling is aangesloten bij het begrip "versterkte meerderheid" in artikel 2:244 van het Burgerlijk Wetboek. Ook in onderdeel b telt het aandelenbezit van de echtgenoot mee.


Onderdeel c

     Dit onderdeel ziet op directeuren-grootaandeelhouders van een vennootschap die nevengeschikt zijn ten opzichte van elkaar, bijvoorbeeld vier bestuurders die elk 25% van de aandelen houden. Ook hier is derhalve geen sprake van ondergeschiktheid. Er is met opzet gekozen voor de omschrijving "een gelijk of nagenoeg gelijk aantal stemmen". Het is namelijk mogelijk dat de aandelen niet deelbaar zijn door het aantal aandeelhouders, bijvoorbeeld in het geval van tien aandelen en drie aandeelhouders. Wanneer in dat geval de verdeling zo klein mogelijk is, dus 3 - 3 - 4, kan toch nevengeschiktheid worden aangenomen. In de huidige uitvoeringspraktijk wordt ook met deze vuistregel gewerkt.


Onderdeel d

     Onderdeel d heeft betrekking op wat genoemd kan worden de "familie-BV". Hier kan het gaan om bestuurders die zelf geen aandelen bezitten. Met name bij dit onderdeel geldt dat het hier bepaalde opzij gezet kan worden door artikel 3 van deze regeling. De concrete omstandigheden van het geval zullen, indien de bestuurder een beroep doet op genoemd artikel 3, doorslaggevend zijn voor de beoordeling van de verzekeringsplicht.


Tweede lid

     Het is mogelijk dat een bestuurder werkzaam is bij een BV of NV, waarvan de aandelen geheel of gedeeltelijk in handen zijn van een andere rechtspersoon, bijvoorbeeld van een andere BV of een stichting. Ook dan dient aan de hand van artikel 2 te worden bezien hoe de feitelijke zeggenschap in de BV/NV is geregeld. Stel, A is bestuurder van de BV X. De aandelen van BV X zijn geheel in handen van BV Y. A is grootaandeelhouder van BV Y. A heeft via de BV Y de feitelijke zeggenschap in de algemene vergadering van BV X, waar hij tevens bestuurder is. A moet derhalve worden aangemerkt als (niet-verzekeringsplichtige) directeur-grootaandeelhouder. Dit geldt in gelijke zin indien de aandelen X in handen zijn van een stichting, waarvan het bestuur wordt gevormd door A en, bijvoorbeeld, zijn echtgenoot.

 

Artikel 3

     Zoals reeds eerder is aangegeven, is met de onderhavige regeling niet beoogd om inhoudelijke wijzigingen in de uitvoeringspraktijk door te voeren. In de richtlijnen van de FBV bestaat ruimte voor het aannemen van verzekeringsplicht van een directeur-grootaandeelhouder indien vast komt te staan dat betrokkene feitelijk toch in een positie van ondergeschiktheid tot de vennootschap werkzaam is. In artikel 3 is dit voor alle duidelijkheid met zoveel woorden bepaald. Het initiatief voor een dergelijk onderzoek ligt overigens niet bij het Lisv. De strekking van artikel 2 is immers om aan te geven wanneer in beginsel geen verzekeringsplicht aanwezig is. Het Lisv kan daar van uitgaan. Het is dan aan de bestuurder om aan de hand van feiten en omstandigheden aan te tonen dat, in afwijking van de hoofdregels zoals neergelegd in artikel 2, in het concrete geval toch sprake is van daadwerkelijke ondergeschiktheid.

 

Artikel 4

     Dit artikel heeft betrekking op de in Nederland werkzame bestuurder van een vennootschap die naar buitenlands recht is opgericht. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de (Belgische) BvbA, de (Duitse) GmbH, de (Engelse) Limited liability company en de (Amerikaanse) Incorporated. Deze regeling is van overeenkomstige toepassing op de beoordeling van de verzekeringsplicht van dergelijke bestuurders. Dit geldt overigens evenzeer voor (de jurisprudentie inzake) artikel 3 van de ZW, WAO en WW.

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave.