Geschiedenis van dit besluit:

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Bekendmaking regeling Bekendmaking inwerkingtreding
01-01-2020   Intrekking Stb. 2017, 123 Stb. 2019, 385
01-07-2015   Intrekking Stb. 2014, 216 Stb. 2014, 274
01-01-2009   Wijziging Stb. 2008, 600 Stb. 2008, 601
01-01-2007   Wijziging Stb. 2006, 682 Stb. 2006, 682
01-01-2002   Wijziging Stb. 2001, 625 Stb. 2001, 682
01-01-1999   Wijziging Stb. 1998, 741 Stb. 1998, 332
  Wijziging Stb. 1998, 300 Stb. 1998, 332
01-12-1998   Wijziging Stb. 1998, 446 Stb. 1998, 622
01-01-1998   Wijziging Stb. 1997, 789 Stb. 1997, 789
  Wijziging Stb. 1997, 660 Stb. 1997, 746
01-04-1997   Wijziging Stb. 1996, 562 Stb. 1997, 37
01-01-1996   Wijziging Stb. 1995, 460 Stb. 1995, 460
01-01-1994   Wijziging Stb. 1993, 538 Stb. 1993, 538
01-01-1993   Wijziging Stb. 1992, 727 Stb. 1992, 727
01-01-1991   Wijziging Stb. 1990, 403 Stb. 1990, 632
01-01-1989   Wijziging Stb. 1988, 573 Stb. 1988, 573
16-01-1980   Wijziging Stb. 1979, 693 Stb. 1979, 693
26-07-1976   Wijziging Stb. 1976, 229 Stb. 1976, 342
12-01-1974   Wijziging Stb. 1974, 1 Stb. 1974, 1
20-04-1970   Wijziging Stb. 1970, 69 Stb. 1970, 145
18-04-1970   Wijziging Stb. 1970, 69 Stb. 1970, 145
09-08-1967   Wijziging Stb. 1967, 377 Stb. 1967, 377
04-02-1967   Wijziging Stb. 1967, 36 Stb. 1967, 36
28-06-1963   Tekstplaatsing Stb. 1963, 271 Stb. 1963, 267
  Wijziging Stb. 1963, 271 Stb. 1963, 271
  Wijziging Stb. 1963, 267 Stb. 1963, 267
20-10-1960   Wijziging Stb. 1960, 383 Stb. 1960, 383
01-05-1951   Wijziging Stb. 1950, K 258 Stb. 1951, 91
  Wijziging Stb. 1950, K 258 Stb. 1951, 91
15-10-1945   Nieuwe regeling Stb. 1945, F 214 Stb. 1945, F 214

 

 

BESLUIT van 5 oktober 1945, houdende vaststelling van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945)

 

     WIJ WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onzen Minister van Sociale Zaken van 5 September 1945, nº. 4600, afdeeling Arbeid II;
     Overwegende, dat het wenschelijk is gebleken, in afwachting van het tot stand komen van een nadere wettelijke regeling, het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen (Staatsblad 1944, nº. E 52), laatstelijk gewijzigd bij Ons besluit van 29 December 1944 (Staatsblad nº. E 157), te herzien en opnieuw vast te stellen;
     Den Raad van State gehoord (advies van 25 September 1945, nº. 16);
     Gezien het nader rapport van Onzen voornoemden Minister van 2 October 1945, nº. 4827, afdeeling Arbeid II;

     Hebben goedgevonden en verstaan:
     vast te stellen de navolgende bepalingen

 

 

EERSTE  TITEL

Algemene bepalingen

 

Art. 1.¹
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. werknemer:
1º. de werknemer, bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
2º. degene die persoonlijk arbeid verricht voor een ander, tenzij hij dergelijke arbeid in de regel voor meer dan twee anderen verricht of hij zich door meer dan twee andere personen, niet zijnde zijn echtgenoot of geregistreerde partner of bij hem inwonende bloedverwanten of aanverwanten of pleegkinderen, laat bijstaan of deze arbeid voor hem slechts een bijkomstige werkzaamheid is;
c. werkgever:
1º. de werkgever, bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
2º. de natuurlijke of rechtspersoon voor wie de onder b, sub 2º, genoemde arbeid wordt verricht;
d. arbeidsverhouding: de rechtsbetrekking tussen werkgever en werknemer;
e. loon: de vergoeding van de werkgever aan de werknemer ter zake van de arbeid;
f. dringende reden voor de werkgever: daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer welke ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsverhouding te laten voortduren;
g. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

1. Ingevolge artikel 2 van het Besluit van 10 juli 2014, Stb. 2014, 274, is artikel 1 nog niet vervallen, red.

 

Art. 2.¹
-1. Dit besluit is niet van toepassing op de arbeidsverhouding van:
a. onderwijzend en docerend personeel, werkzaam aan onderwijsinrichtingen, staande onder beheer van een natuurlijk of rechtspersoon die niet is een overheidswerkgever als bedoeld in artikel 2 van de Ambtenarenwet 2017;
b. personen die een geestelijk ambt bekleden;
c. de werknemer die doorgaans op minder dan vier dagen per week uitsluitend of nagenoeg uitsluitend diensten verricht ten behoeve van het huishouden van de natuurlijke persoon tot wie hij in dienstbetrekking staat.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, wordt onder het verrichten van diensten ten behoeve van een huishouden mede verstaan het verlenen van zorg aan de leden van dat huishouden.
-3. Onze Minister kan voorts bepalen dat dit besluit of sommige artikelen van dit besluit niet van toepassing zijn op de arbeidsverhouding van door hem aangewezen werknemers of groepen van werknemers.

1. Ingevolge artikel 2 van het Besluit van 10 juli 2014, Stb. 2014, 274, is artikel 2 nog niet vervallen, red.

 

Art. 3.
Voor zover in dit besluit wordt afgeweken van bestaande wetten en verordeningen, daaronder begrepen de afdelingen 1 tot en met 9 van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Arbeidsgeschillenwet 1923, de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst en de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten, is dit besluit van kracht zolang een nadere wettelijke regeling niet tot stand is gekomen.

 

 

TWEEDE  TITEL

Van het aangaan en het beëindigen der arbeidsverhouding en daarmede verband houdende onderwerpen

 

Art. 4. Vervallen.

 

Art. 5. Vervallen.

 

Art. 6. [BboU]
-1. De werkgever behoeft voor de opzegging van de arbeidsverhouding voorafgaande toestemming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. [BboU09] [BboU10] [BboU12]
-2. De werkgever behoeft deze toestemming niet:
a. indien de opzegging onverwijld geschiedt om een dringende reden, onder gelijktijdige mededeling van die reden aan de werknemer;
b. tijdens de proeftijd;
c. indien de opzegging geschiedt tengevolge van faillissement van de werkgever of toepassing ten aanzien van hem van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.
-3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de toestemming als bedoeld in het eerste lid. [Ob]
-4. Alvorens een beslissing inzake het verlenen van toestemming krachtens het eerste lid wordt genomen, hoort het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vertegenwoordigers van de in aanmerking komende organisaties van werkgevers en werknemers, behoudens in bij ministeriële regeling bepaalde gevallen. [Ob]
-5. Onze Minister kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aanwijzingen geven met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid tot het verlenen van toestemming als bedoeld in het eerste lid. Hij treedt daarbij niet in de besluitvorming in individuele gevallen.
-6. Bij ministeriële regeling kunnen voorzieningen worden getroffen voor het geval het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen haar uit dit artikel voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt.
-7. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen brengt aan Onze Minister verslag uit over de wijze waarop de bevoegdheid tot het verlenen van de toestemming is uitgeoefend. Bij ministeriële regeling worden hieromtrent nadere regels gesteld.
-8. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is verplicht aan Onze Minister desgevraagd binnen een daartoe gestelde termijn en op de aangegeven wijze kosteloos alle opgaven te verstrekken betreffende de wijze waarop de bevoegdheid tot het verlenen van de toestemming is uitgeoefend.
-9. Van het eerste lid kan bij ministeriële regeling voor bepaalde werknemers of groepen van werknemers voorwaardelijk of onvoorwaardelijk ontheffing of vrijstelling worden verleend.
-10. Tegen beslissingen van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen inzake het verlenen van toestemming op grond van het eerste lid staat geen beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

 

Art. 7. Vervallen.

 

Art. 8.¹
-1. Het is de werkgever verboden de werktijd van de werknemer op minder dan 48 uur per week te stellen of gesteld te houden.
-2. Het bepaalde in het vorige lid geldt niet: [RcW]
a. ten aanzien van die werknemers voor wier werkzaamheden de normale werktijd vóór 10 mei 1940 op een geringer aantal uren per week placht te zijn vastgesteld, zoals voor steenhouwers, kantoorbedienden, avondboekhouders, schoonmaaksters, stokers van centrale verwarmingen en dergelijke personen, mits hun loon als gevolg der werktijdverkorting niet daalt beneden het gebruikelijke bedrag;
b. ten aanzien van die werknemers wier week- of maandloon op een vast bedrag is vastgesteld en niet daaronder daalt bij de werktijdverkorting;
c. voor de tijd gedurende welke een door Onze Minister goedgekeurde wachtgeldregeling als bedoeld in artikel 10 van kracht is ten aanzien van de onder die wachtgeldregeling vallende werknemers.
-3. Van het bepaalde in het eerste lid kan voorts door of vanwege Onze Minister voor bepaalde werknemers of groepen van werknemers voorwaardelijk of onvoorwaardelijk ontheffing worden verleend. [BdWv]

1. Ingevolge artikel 2 van het Besluit van 10 juli 2014, Stb. 2014, 274, is artikel 8 nog niet vervallen, red.

 

Art. 9.
-1. Een opzegging zonder de op grond van artikel 6 vereiste toestemming is vernietigbaar.
-2. Handelingen in strijd met artikel 8, eerste lid, zijn vernietigbaar.
-3. De werknemer kan gedurende zes maanden een beroep op deze vernietigingsgrond doen.

 

Art. 10.
-1. De werkgever die tengevolge van tijdelijke stilstand van of slapte in de onderneming niet voldoende werkgelegenheid voor zijn werknemers heeft, kan een wachtgeldregeling voor hen treffen. Deze wachtgeldregeling behoeft de toestemming van Onze Minister. In de kosten van de wachtgeldregeling kan de werkgever onder bepaalde voorwaarden van overheidswege een tegemoetkoming worden verleend.
-2. Ter uitvoering van het bepaalde in het vorige lid worden door Onze Minister nadere bepalingen vastgesteld.

 

 

DERDE  TITEL

Van de lonen en andere arbeidsvoorwaarden

 

Art. 11. Vervallen.

 

Art. 12. Vervallen.

 

Art. 13. Vervallen.

 

Art. 14. Vervallen.

 

Art. 15. Vervallen.

 

Art. 16. Vervallen.

 

Art. 17. Vervallen.

 

Art. 18. Vervallen.

 

Art. 19. Vervallen.

 

Art. 20. Vervallen.

 

 

VIERDE  TITEL

Strafbepalingen

 

Art. 21. Vervallen.

 

Art. 22. Vervallen.

 

Art. 23. Vervallen.

 

Art. 24. Vervallen.

 

Art. 25. Vervallen.

 

Art. 26. Vervallen.

 

Art. 27. Vervallen.

 

Art. 28. Vervallen.

 

Art. 29. Vervallen.

 

 

VIJFDE  TITEL

Slotbepalingen

 

Art. 30.
Burgerlijke rechtsvorderingen van werkgevers of werknemers welke voortvloeien uit niet-naleving van het bepaalde bij of krachtens dit besluit worden geacht betrekkelijk te zijn tot een arbeidsovereenkomst. De artikelen 131 en 241 van Boek 2 (Rechtspersonen) van het Burgerlijk Wetboek blijven echter op deze vorderingen van toepassing.

 

Art. 31. Vervallen.

 

Art. 32.
Onze Minister kan bevoegdheden welke krachtens dit besluit aan hem of aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen toekomen, overdragen aan organisaties uit het bedrijfsleven.

 

Art. 33.
-1. Dit besluit, ten aanzien waarvan de bevoegdheid, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van het Besluit op den bijzonderen staat van beleg niet kan worden uitgeoefend, treedt in werking met ingang van 15 oktober 1945.
-2. Met ingang van die datum vervalt het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen (Besluit van 17 juli 1944, Staatsblad nº. E 52, laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 29 december 1944, Staatsblad nº. E 157).
Dit besluit kan worden aangehaald onder de titel: Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945.

 

 

     Onze Minister van Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.

 

's-Gravenhage, den 5den October 1945

 

WILHELMINA

 

De Minister van Sociale Zaken,
W. Drees

 

Uitgegeven den achtsten October 1945
De Minister van Justitie,
Kolfschoten